Einstein on the beach

Elk gebouw dat bestaat heeft ooit niet bestaan. De totstandkoming was een lang en ingewikkeld proces dat desondanks door de sporen die zijn nagelaten in tekeningen, tijdsplanningen en besluitenlijsten achteraf vrij 
nauwkeurig is te reconstrueren. Maar dit wordt anders bij de laatste grens die wordt gemarkeerd door de eerste ideeën van de architect. Uit dit vage en 
schemerige grensgebied zijn meestal nauwelijks sporen bewaard gebleven, of het moet een schetsje zijn in de marge van een vergaderagenda, wat lijnen 
op de achterkant van een sigarendoos, een gedachteloze tekening tijdens 
een telefoongesprek of een krabbel op een bierviltje. Het zijn de prille 
notities uit het creatieve domein van de dwalende gedachten, het gebied waar het poëtisch geheugen vrij spel heeft en de architectuur ontstaat van 
’Kom, ik verzin eens wat.‘

Bij de presentatie van zijn ontwerp zal geen architect het in zijn 
hoofd halen om met een bierviltje aan te komen. Het ontwerp heeft dan al 
vaste vorm gekregen in een gladde maquette of een strakke axonometrie 
waarin geen schetslijn meer te zien is. Het creatief proces wordt aangekleed 
met het nette pak van de ratio, omdat kennelijk niemand zit te wachten op 
haar grillige intuïtieve vormen. De eerste krabbels van het ontwerpproces worden niet alleen uit intuïtie geboren, omdat vaak een lange weg van analyse en verstandelijke afweging hieraan vooraf is gegaan. Toch zijn de eerste 
getekende lijnen even spannend als voetstappen in maagdelijke sneeuw.

De architect deelt deze ervaring met de dichter, de schilder, de beeldhouwer 
en de musicus. Hij schept nieuwe vormen die uit het niets lijken voort te 
komen. Uiteraard zijn er heel wat vormen die niet nieuw zijn, maar eerder een korte samenvatting van het voorafgaande of een voorspelbare aanvulling 
daarop. Maar toch zijn in al die vage, krabbels ooit voor het eerst de 
contouren van een kapiteel, een gotische spitsboog en de skeletconstructie van een wolkenkrabber zichtbaar geworden. De eerste krabbel op een bierviltje is een afsplitsing van de verbeelding 
en tegelijk een toevoeging aan de bestaande werkelijkheid en in het creatieve moment waaruit de krabbel voortkomt wordt een heel klein bruggetje gebouwd tussen twee gescheiden werelden. Zoals het bouwproces exact omschreven fasen kent van bestektekening en aanbesteding tot oplevering en inhuizing, 
zo kent ook het creatief proces van een ontwerp zijn eigen ontwikkelingsgang. Elk gebouw heeft een incubatietijd gehad in het brein van een architect en is een tijdlang onzichtbaar aanwezig geweest in een onwerkelijk 
schemergebied. Een architect kent achteraf het gelukkige gevoel zijn 
eigen ideeën in steen verwerkelijkt te zien, zoals een schrijver spreekt 
van la joie de se voir imprimé , maar over het schemergebied van de 
incubatietijd weten beiden vaak weinig te melden.

Vanuit de kunsttheorie zijn in de loop der tijden heel wat pogingen ondernomen om ook deze incubatietijd te onderscheiden in exact omschreven fasen. Zo noemt Alberti in zijn in 1459 verschenen De Re Aedificatoria achtereenvolgens vijf fasen, die elk ontwerp van een gebouw heeft 
doorlopen, alvorens vaste vorm te krijgen: de inventio (het kiezen van 
elementen), de dispositio (de ordening van elementen), de memoria (het 
aanbrengen van stilistische elementen), de elucutio (de optische elementen als licht, schaduw en kleur) en de pronuntiatio (de presentatie en detaillering
 van het ontwerp). Aan al deze fasen gaat echter één belangrijk moment vooraf: de inspiratio (de krabbel op het bierviltje). De vijf fasen die Alberti onderscheidt zijn ontleed aan de klassieke rethorica, de kunst van de welsprekendheid en het vermogen om woorden zodanig te kiezen dat een ander wordt overtuigd. De inspiratio is echter algemener van aard en heeft een andere oorsprong. Dit begrip staat aan de 
wieg van elke artistieke onderneming en wellicht ook van elk creatief
 moment in het menselijk brein, of het nu de uitvinding betreft van een 
elektrische tandenborstel of de formulering van de Onvolledigheidsstelling 
van Gödel.

Dit kostbare creatieve moment dient zich meestal aan in de meest banale omstandigheden. Het luisteren naar een fuga van Bach of het kijken 
naar het Nederlands Danstheater kan de geest in hoger sferen brengen, maar de inspiratio neemt meestal met minder genoegen. Salvador Luria 
beschrijft in zijn boek De weg van de wetenschap (1986) dat de aanblik van een 
gokautomaat op een cocktailparty voor hem de aanleiding vormde voor een 
biochemische ontdekking die hem later de Nobelprijs zou opleveren. Schrijvers 
ontwikkelen niet zelden haast neurotische rituelen om het moment van de inspiratio af te dwingen. Schiller deed rotte appels in de la van zijn 
schijfbureau. Balzac schreef in een monnikspij, Proust liggend op bed met de gordijnen dicht. Simenon sloot zich twee weken op met twintig scherp 
geslepen potloden en Hemmingway had een fobie voor de schrijfmachine, die woorden voortijdig aan elkaar soldeert en de grillige wegen van de 
inspiratio afsluit. Met dit wonderlijke scala voor ogen zou het mij niet 
verbazen als er ergens een architect is te vinden die zich laat tatoeëren bij het ontwerpen van een gebouw.

Alvorens naar enige verklaring te zoeken voor het mentale verschijnsel 
achter de krabbel op het bierviltje, kun je er vanuit gaan dat de inspiratio
 gepaard gaat met een aantal constante en kenmerkende symptomen. (1) Zij komt 
plotseling en onaangekondigd. (2) Zij heeft voorkeur voor de meest banale 
omstandigheden. (3) Haar moment van verschijnen kan niet door inspanning worden afgedwongen. (4) Zij dient zich onmiddellijk in haar totaliteit aan. (5) Zij is onwillekeurig, automatisch en onttrekt zich aan de vrije wil. (6) Haar verschijning veroorzaakt niet zelden een emotionele opwinding. (7) Na haar verdwijnen herkent de persoon in kwestie haar vaak niet als 
voortkomend uit zich zelf. In feite zijn voor verschijnsel slechts twee verklaringen 
mogelijk: het komt van buitenaf of het komt van binnenuit. De eerste lijkt 
het meest onwaarschijnlijk, maar toch is deze verklaring tot rond 1800 de meest gangbare geweest. De wonderbaarlijkste variant hiervan levert het neoplatonisme de filosofie die vooral tijdens de Renaissance veel aanhang vond, door de inspiratio een plaats te geven in het meest 
weidse perspectief dat men zich denken kan.

In het kort komt de verklaring 
hierop neer. De ziel van de mens heeft voor zijn geboorte een reis door de kosmos afgelegd waarbij de negen hemelsferen zijn gepasseerd die door de ne
gen Muzen worden beheerst. Met name in de laagste zeven sferen- die van de planeten – krijgt de ziel op deze tocht een portie toebedeeld van de aan die 
sfeer inherente eigenschappen. Deze eigenschappen vormen de aanleg of de 
talenten waarmee gewoekerd moet worden De kunstenaar of architect kan zijn 
karakter door het beoefenen van deugden zozeer veredelen dat hij gaat reageren in overeenstemming met de kosmische natuur. Dit stelt hem in staat tijdens zijn leven de tochten door de kosmos opnieuw te ondernemen. In staat van vervoering reist de ziel dan door gebieden waar zij rechtstreekse 
injecties ontvangt – de inspiratio – die leiden tot een verhoogde activiteit 
van de verbeelding die de opgedane ervaringen in beelden omzet. De architect 
wordt zodoende een soort imaginaire astronaut en de gebouwen die hij ontwerpt zijn slechts flauwe afschaduwingen van kosmische luchtkastelen.

Blijkbaar werden er in de vijftiende eeuw te weinig afstotelijke gebouwen ontworpen om deze harmonische en alles omvattende theorie aan het 
wankelen te brengen. Vandaag de dag zou alleen al de aanblik van het nieuwe Fries Museum op het Zaailand in Leeuwarden voldoende zijn om het hele kaartenhuis van het neoplatonisme ineen te doen storten. De gedachte dat de inspiratio een soort goddelijke injectie 
is of een kosmische oorsprong heeft is binnen ons huidige wereldbeeld in onbruik geraakt, zeker nu het tot onze technische mogelijkheden behoort daadwerkelijk – zonder in de zevende hemel te raken- een tocht door de 
hemelsferen te ondernemen. In dichterlijke zelfbeschouwing, bijgeloof en het spraakgebruik van 
alledag zijn nog veel restanten terug te vinden van deze kosmologische 
verklaring van de inspiratio. Maar het gezond verstand heeft haar inmiddels 
achterhaald en plaats doen maken voor een psychologische verklaring: buitenaf 
is binnenuit geworden.

Deze omslag is stap voor stap te herkennen in de 
poëzie rond 1800. Op het breukvlak van classicisme en romantiek verdwijnt 
het weidse perspectief van de hemelsferen langzaam door de ontdekking van de binnenkant van het eigen brein. In zij essay On Poesy or Art (1818) weet Coleridge deze omslag in een paar luttele woorden te vangen:

To make the external internal,
the internal external,
to make nature thought
and thought nature –
This is the mystery of genius in the Fine Arts

De oorsprong van de inspiratio wordt daarna steeds meer in de duistere afgrond van het eigen brein gezocht en zal uiteindelijk vastgeklonken raken in de kelder van het 
onderbewustzijn. Er is een vroeg-romantisch schilderij van Moritz von 
Schwind waarop de droom van een gevangene is te zien. Van dit schilderij is bekend dat de voorstelling later Freud zou fascineren. De beeltenis toont 
de oorsprong van de droom als de wens van de gevangene om uit zijn kerker te ontsnappen. Evenals de inspiratio komt de wensdroom hier van binnenuit en niet van buitenaf en de muren van de kerker lijken een treffende 
verbeelding van de nieuw ervaren afscheiding tussen de binnenkant van het 
brein en de buitenwereld van de werkelijkheid.

In dit licht bezien wordt elke krabbel op een bierviltje een ontsnappings
poging uit het eigen brein. De binnenkant daarvan is even werkelijk als de 
buitenkant, maar toch blijven het twee gescheiden continenten die niet met woorden, die in de taal hun eigen werkelijkheid hebben, kunnen worden 
overbrugd. Alleen het creatieve moment – de inspiratio – lijkt een brug te 
kunnen slaan, hoewel noch de kosmologische noch de fysiologische verklaring de pijlers van die brug laten zien. Ook vandaag de dag weet niemand wat er 
werkelijk in ons brein gebeurt bij een krabbel op een bierviltje. Het is ook nog maar de vraag of een elektro-encefalogram van de inspiratio de ware contouren van deze brainwave in beeld kan brengen. Bij veel architecten 
zou dit experiment alleen een constante golf van Vinex-woningen laten zien. 
Maar misschien is er één bij die op een gelukkig moment de inspiratie krijgt 
voor een nieuwe Golden Gate bridge. Misschien ook wordt ooit nog eens op een onnozel bierviltje de eerste schets getekend van de pijlers van de brug die de oeververbinding vormt tussen verbeelding en werkelijkheid. Die pijlers kun je niet verzinnen. De gedachte alleen al lijkt even onzinnig als een solipsist op een ezelsbruggetje.

Maar toch moet het te proberen zijn. Ik verzamel dan ook bierviltjes op elke kroegentocht. Dit is een eindeloze, onzinnige onderneming die 
tegelijk zin en einde heeft. Immers de complete verzameling van alle 
onzinnige gedachten is zelf een onzinnige gedachte en kan dus nooit een 
complete verzameling zijn. Hier wringt iets. Er moet dus één bierviltje 
bestaan met één onzinnige gedachte die niet past in de complete 
verzameling van alle bierviltjes met alle onzinnige gedachten. Alle 
onzinnige gedachten zitten binnen in ons brein. Alle bierviltjes erbuiten. Maar waar zit dat ene bierviltje, dat niet past binnen die complete verzameling van alle bierviltjes met alle onzinnige gedachten? Binnen, buiten, in beide of geen van beide? Wellicht zou 
op dit ene bierviltje de blauwdruk van de pijlerbrug getekend staan. De gelukkige vinder zou niet meer als elke filosoof op en neer hoeven lopen op een doodlopende pier in de oceaan. Hij zal al het water
 naar de zee kunnen dragen in de euforie van Einstein on the beach en de steen der wijzen vinden op een bierviltje. Maar wie deze eerste krabbel bekijkt ziet niets anders dan de laatste zin van een bestaand verhaal. Elke laatste zin in een bestaand verhaal heeft ooit niet bestaan, behalve deze: ‘Elk gebouw dat bestaat heeft ooit niet bestaan.’

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)