Waar is de nieuwe Vergilius?

Het schilderij Dante en Vergilius in de hel werd in 1822 geschilderd door Eugène Delacroix. Het is een van de eerste echt romantische schilderijen. Met dit doek wist Delacroix in de Parijse Salon furore te maken. Het was een nieuwe manier van schilderen waarmee hij zich definitief bevrijdde van de koele, neoclassicistische stijl die toen in de mode was. De voorstelling is ontleend aan de Divina Commedia van Dante Alighieri, en met name aan het boek Inferno. Wie zien Dante en Vergilius de overtocht wagen om zo in het binnenste binnen van de hel te komen. ‘Laat alle hoop varen Gij die hier binnentreedt!’

Ik heb me altijd afgevraagd waarom nu juist Vergilius de gids van Dante moest zijn. Vergilius vergezelde Dante door de hel, maar ook over de Louteringsberg tot aan de poorten van de hemel, waar Dante zijn volgende begeleider op zijn tocht zou ontmoeten: Beatrice, die voortaan zijn Muze zou zijn. Maar waarom eerst Vergilius als reisleider door het Inferno? Die had toch niets van doen met hel en verdoemenis? Vergilius was een Romeins dichter die leefde in de eerste eeuw voor Christus. Van die hele christelijke santenkraam van hel, hemel en vagevuur wist hij dus helemaal niets. Hoe kon hij dan een gids zijn op weg naar het binnenste binnen van het Inferno?

In het boek van Jung  Libido in transformatie (1950)  stuitte ik op een gedicht van Vergilius dat mogelijk de oorzaak is geweest. Dankzij dit gedicht heeft Vergilius volgens Jung de reputatie verworven een quasi-christelijk dichter te zijn. Het is een herdersdicht – een ecloge – en maakt deel uit de van de zogeheten bucolische poëzie. Vergilius heeft tien van dergelijke eclogen geschreven. Het zijn poëtische dialogen tussen gewone herders die hun schapen hoeden in het veld. Een arcadische idylle. Maar in de vierde ecloge van Vergilius gebeurt er iets bijzonders. Daarin wordt de geboorte van een bijzonder kind aangekondigd, een kind dat een nieuwe tijd zal inluiden. Deze voorspelling werd later uitgelegd als een voorteken van de geboorte van Christus. Het gedicht gaat als volgt:

Thans wordt de tijd vervuld uit de Cumeïsche gezangen,
De machtige kringloop der eeuwen begint opnieuw,
De heilige maagd, het rijk van Saturnus keren weer,
Reeds van de hoge Olympus verschijnt aan ons een nieuw geslacht.
Kuise Lucina, gij begunstigt de geboorte van de zoon,
Die weldra dit ijzeren tijdperk zal verzachten
Waardoor een nieuw gouden tijdperk zal aanbreken op aarde.
Uw eigen broeder Apollo is thans koning.
[ … J Onder uw heerschappij wijken zonde en afgrijzen
Verdwenen zijn hun sporen, bevrijd zijn de landen.
Het kind bezit de gave van het goddelijk lot,
Het ziet de heroën opgenomen in de hemelse schare,
Hijzelf verkeert met hen, hijzelf zal heersen
Over een wereld, waar vrede heerst door de kracht zijner vaderen.

Met ‘de heilige maagd’ in de derde regel van dit gedicht werd door Vergilius niet de christelijke Maagd Maria bedoeld, maar Dike, of Dice. Dat was de Griekse godin van het recht. Zij was de dochter van Zeus en Themis. Dike had het ondermaanse verlaten, nadat de aarde – na een Gouden Tijdperk van vrede voorspoed – was teruggevallen in barbaarsheid. Eigenlijk gaat dit gedicht dus over een ophanden zijnde transformatie van een wrede en gewelddadige cultuur. Er was een verlossing op komst uit de barbarij. De mensheid zou tot inzicht komen door afstand te nemen van zijn dierlijke instincten. De mens keerde zich naar binnen. Er zou een een cultus van de ascese ontstaan. Anders gezegd – in de termen van Jung – de mens zou zijn eigen libido transformeren in een gerichtheid tot het hogere, dat boven de wereld lag. Er ontstond een nieuw transcendent godsbeeld uit de psycho-energetische energie van de mens zelf. Een godsbeeld dat aansloot bij de grondpatronen die in de menselijke psyche verankerd lagen. De religie van het offer en offerande zou plaatsmaken voor een religie van liefde en barmhartigheid.

Deze grote transformatie van de libido komt nauw overeen met wat ook wel ‘het axiale tijdperk’ (in het Duits: Achsenzeit) – of de ‘Spiltijd’ wordt genoemd. De term Achsenzeit werd voor het eerst gebruikt door Karl Jaspers in zijn boek Vom Ursprung und Ziel der Geschichte (1949). Karen Armstrong borduurde daar op voort in haar boek De grote transformatie (2005). Jaspers verwees met zijn term Achsenzeit naar de uitzonderlijke periode in het laatste millennium vóór Christus – grofweg de periode van 800 tot 200 v. C. – waarin diverse vormen van hogere religie ogenschijnlijk onafhankelijk van elkaar hun intrede deden in verschillende beschavingen van China, India, Israël en Griekenland. Zo ontstonden het Taoïsme en Confucianisme in China, het Boeddhisme en Hindoeïsme in India en het monotheïsme in Iran en Midden Oosten. Er werden verschillende ‘assen’ geïntroduceerd, waar de nieuwe godsdienstige bewegingen zich omheen konden ontwikkelen.

Cruciaal was de ervaring dat er iets grondig mis is met het menselijk bestaan. Het pre-axiale tijdperk werd gekenmerkt door een maalstroom van tegengestelde krachten die in de natuur en kosmos aanwezig waren. Het was een wrede en wellustige tijd geweest van offers en tempelprostitutie, de tijd van de geritualiseerde seks om de energie van de aarde op te wekken en zich zo te verzoenen met de goden. Seksualiteit en geweld hadden zich een centrale plaats verworven in veel van deze primitieve religies. Maar nu werd opeens afscheid genomen van deze hang naar offerande, magie en animisme. Er ontstond behoefte aan barmhartigheid en medeleven: het zhong en shu van Confucius. De wereld, die in wanorde verkeerde, moest vernieuwd worden.

Zo ontstonden geheel nieuwe religies, maar het belangrijkste was dat God, Jahweh – of hoe je de monotheïstisch God ook wilde noemen – voortaan boven de wereld werd geplaatst. God werd de bron van alles, de almacht en de oorsprong, die van de mens eiste om te breken met deze chaotische, aardse wereld. Dat betekende ook, dat de ‘wijsheid van de wereld’ de mens voortaan niet meer kon omvatten en behoeden. Er formeerde zich een nieuw transcendent – letterlijk bovennatuurlijk – domein boven de wereld, dat wil zeggen: de wereld van God.

Zo ontstonden in het oude Israël de vroege Bijbelteksten in de achtste eeuw voor Christus en de Bijbelcanon werd ergens tussen de vijfde en vierde eeuw voor Christus voltooid. Het latere christendom en de Islam waren in feite herformuleringen van deze axiale impuls, die zich onafhankelijk in meerdere beschavingen had aangediend. Het christendom veroverde Europa, en vanaf de dertiende eeuw na Christus begon in het Westen een proces op gang te komen, dat wij nu de ‘secularisering’ noemen. De wortels daarvan lagen in de filosofie, zoals het nominalisme, maar ook in de opkomst van de wetenschap en het einde van de feodale maatschappijvormen.

God werd steeds meer verbonden met de ratio. Het werd voortaan de tijd van de godsbewijzen. De opkomst van de wetenschap bracht ook de scheiding tussen Kerk en Staat, waardoor de wegen van christendom en Islam zich gingen scheiden. Uiteindelijk begon ‘het hemels baldakijn’, dat in het axiale tijdperk was  ontstaan, te wankelen en zelfs in te storten. De bovennatuur maakte weer plaats voor de orde van de natuur zelf, dat wil zeggen, onze ‘nobele oorsprong’, waar Rousseau naar terug verlangde, ook al bleek die oorsprong lang niet zo nobel te zijn. De Romantiek bracht een tijd voort waarin God dood in de wereld werd aangetroffen.

God werd voortaan geheel opgeslokt door de mens zelf, maar ook de geboorte van een nieuw soort ‘religieus atheïsme’, door  een nieuwe bezieling van het landschap, door een verlangen naar de verte en het verleden, volk en vaderland. Romantici konden zich niet vinden in wereldbeeld van Verlichting en wetenschap. Juist in de Romantiek keerde ook het heimwee terug naar het pre-axiale tijdperk met al zijn voor ons moeilijk vatbare tegenstrijdigheden. De deur van het Inferno werd opnieuw opengetrokken. Seks, dood en duivel gingen de verbeelding beheersen van dichters en kunstenaars. Zo schilderde Delacroix zijn Dante en Vergilius op weg naar het binnenste binnen van de hel.

We leven nog altijd in de orde van de Romantiek. Maar het hedendaagse Inferno is niet alleen een product van de romantische verbeelding, maar ook een doembeeld van de ongebreidelde hebzucht, een niet te stillen begeerte die stilaan om zich heen greep na het definitieve afscheid van God. Het waren de vroege eeuwen, waarin de klassieke Oudheid ten onder ging en het christendom ontstond waarin ‘de psychische ruimte’ van onze westerse cultuur zich moeizaam heeft geformeerd. Die formatie van onze psychische ruimte – met al zijn symbolische zekeringen en hitteschilden – ligt inmiddels ver achter ons. Het huidige afscheid van die bezielde binnenruimte ontregelt de balans tussen de gelegitimeerde eigenliefde en het vermogen om zichzelf daadwerkelijk in liefde te kunnen geven. Spiritualiteit is zoiets geworden als het gewaarworden van een eigen psychisch gemis.

Op hol geslagen hebzucht zal de post-romantische wereld wellicht nog eens ten gronde richten in een oplopende spiraal van een exponentieel versnellende economische groei en een toenemende massa van kansloze mensen waar niemand zich meer om bekommert. Waar is de hedendaagse dichter die dit nieuwe Inferno kan verbeelden? Waar is de poëzie die het afscheid van de ziel in nieuwe beelden weet te vatten? Waar is de ophanden zijnde transformatie van een beschaving die andermaal in verval is geraakt en zijn Gouden Tijdperk ook nu ver achter zich heeft gelaten? Waar zijn de visionaire beelden die een dergelijke kracht in zich hebben? Waar is de nieuwe Vergilius die Dante opnieuw bij de hand neemt?

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)