Het kankergezwel van de psychologie

‘Vier emmers water en een zak zout, meer zijn we niet. We zijn niets anders dan wat chemicaliën, zonder geest of ziel. Niets is zo bizar als de mens. Alles waar we het meeste bang voor zijn, is waar. Niets heeft het eeuwig leven, zelfs niets wat een mens achter zich laat.’

Aldus zingt Peter Hammill in zijn song Four pails of water en a bagfull of salts. In 1992 heb ik een concert van hem bijgewoond in Theater Romein in Leeuwarden. Kort daarvoor had ik een plaat van hem gekocht, vooral om dit ene lied. Ik heb het altijd een indrukwekkende tekst gevonden, omdat de menselijke staat hierin zo schrijnend wordt verwoord. Vluchten kan niet meer. We moeten de waarheid onder ogen zien, rechtop in de wind. De mens is niets anders dan… en dan volgt het bekende rijtje. ‘Nothing but...’ Dat wordt ook al tijden door de wetenschap beweerd, maar het is ook de meest onverteerbare waarheid, waar we het meeste bang voor zijn. Of beter gezegd, waar het meeste bang voor zijn, is altijd waar. Daar helpt geen lieve moeder aan.

God is een projectie, zo heeft Freud aangetoond. Maar hoe kun je een projectie aantonen als je eigen geest de projector is? Het zwakke punt in de projectie-theorie is de aanname dat er een onderscheid bestaat tussen mijn geest (het subject) en de wereld (het object). Tussen de lamp en het object waar het licht op valt. Het is de grote kloof die Descartes meende te zien tussen binnen en buiten, tussen de res cogitans en de res extansa. Door die kloof open te houden kon de westerse wetenschap opbloeien. God werd tussen haakjes geplaatst.

Zodra we hem niet meer nodig hadden om de wereld te verklaren, verdween God door de achterdeur. Onhoorbaar, op kousen voeten, maar wel onomkeerbaar, met alle gevolgen van dien. God was een voorbarige aanname, een soort hulplijn voor het denken in een onvolledig bewijs van de wereld. Maar we hebben die hulplijn niet nodig om de wereld de verklaren. Logica is immers de kortste verbinding tussen ik en de wereld, tussen nul en oneindig. Alles staat op een rij. De wereld is af. De wereld mag dan nog niet geheel begrepen en verklaard zijn, hij is wel volledig begrijpbaar en verklaarbaar. Ooit zullen we alles begrijpen. En alles begrijpen is alles vergeven.

God is niet nodig, maar is dat wel zo? De splitsing tussen subject en object is ‘das Krebsübel’ van de psychologie. Dat beweerde de Zwitserse psychiater Ludwig Binswanger (1881-1966). ‘Krebsübel’ is in deze context misschien nog het best te vertalen als ‘kankergezwel’. Als je die scheiding tussen subject en object eenmaal maakt, sterft alles uiteindelijk onder je handen. De geest verdwijnt in de wetenschap van de geest. Eerst gaat de ziel ter ziele, daarna geeft de geest de geest. En tenslotte zal ook het bewustzijn het veld moeten ruimen. Bewustzijn is immers louter het effect van een elektrochemisch proces in het brein, dat wil zeggen: een neveneffect dat voor de hedendaagse psycholoog van secundair belang is. Met de komst van de psycholgie is het met God langzaam bergafwaarts gegaan.

Meten is weten. Het zijn is niet zijn. Maar het menselijk zijn is altijd ook een zijn-in-de-wereld. Elk bewustzijn is een ‘zijn bij de dingen’. Elke radicale splitsing tussen innerlijk en uiterlijk dient dan ook te worden vermeden. Zijn is niet alleen een zorgend bezig zijn voor de ander, maar ook het geborgen zijn in de wereld. De psychologie moet het wezen van de persoon aanwezig stellen en diens innerlijkheid als beeld laten verschijnen. Beïnvloed door Husserl en Heidegger ontwierp Ludwig Binswanger het grondpatroon voor een existentiële psychologie, die na de oorlog veel invloed heeft gehad op de menswetenschappen, ook – en misschien wel vooral – in Nederland.

Binswanger was een goede vriend van Freud, met wie hij jarenlang correspondeerde, al was hij het totaal niet met hem eens. Beroemde patiënten had hij ooit onder zijn hoede, zoals de kunsthistoricus Aby Warbug die hij in het begin van de jaren twintig behandelde in zijn kliniek Bellevue in het Zwitserse Kreuzlingen. Zijn belangrijkste werk Grundformen und Erkenntnis menschlichen Daseins verscheen in 1942. Maar al ver voor de oorlog raakten zijn theorieën in Europa bekend.

Mijn leraar klassieke talen op het Ignatiuscollege was Gerard Wijdeveld, die in de jaren dertig een bekend katholiek dichter was, in de oorlog op het foute paard gokte en daarna bekendheid kreeg als vertaler van Augustinus. In 1969 ben ik nog eens bij hem langs geweest om te vragen of hij het misschien ook met mij eens was, dat Augustinus schizofreen moet zijn geweest. Anders was zijn wonderlijke bekering niet te verklaren, zo dacht ik destijds. ‘Ach’, zei mijnheer Wijdeveld, ‘die psychologie is nog zo’n jonge wetenschap. De Kerk bestaat al heel wat eeuwen langer.’ Tja, geef daar maar eens antwoord op. Wijdeveld wist donders goed dat de psychologie op zichzelf een kankergezwel was. Het Rooms-katholicisme staat haaks op de psychologie. Als je eenmaal in het spoor van Freud gaat denken, dan is God uiteindelijk niet meer dan een drogbeeld tussen je oren.

Binswanger was voor de oorlog een baken in bange tijden voor wie God niet in wilde inwisselen voor de projectietheorie van Freud. De godsdienstpsycholoog Van der Leeuw raakte in de jaren dertig geboeid door de ideeën van Binswanger. Maar ook Buytendijk heeft veel aan hem te danken. De fenomenologische school van Utrecht leunt zwaar op de Daseins-psychologie van Binswanger. ‘Das Spiel des Daseins mit sich selbst in der Objektivität der Liebe’ – een geliefde uitspraak van Binswanger – lag voor Buytendijk aan de basis van zijn ‘psychologie van de ontmoeting’, van de deemoedige overgave aan de ander en de wereld, van de mens in de wereld, van het schouwen en vooruitschuiven van het oordeel.

De ontwikkeling van de naoorlogse psychologie kent twee richtingen, de zachte en de harde. Fenomenologie  en existentialisme versus objectivisme en functionalisme. De tweede richting heeft uiteindelijk glansrijk gewonnen. Niet alleen de harde wetenschap maar ook de geesteswetenschap is tegenwoordig in wezen monistisch-materialistisch. De moderne wetenschap heeft het objectieve, materiële deel van de werkelijkheid zodanig benadrukt dat het subjectieve deel geheel is geëlimineerd.

‘Vier emmers water en een zak vol zout, meer zijn we niet. We zijn niets anders dan wat chemicaliën, zonder geest of ziel. Niets is zo bizar als de mens. Alles waar we het meeste bang voor zijn, is waar. Niets heeft het eeuwig leven, zelfs niets wat een mens achter zich laat.’
.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)