De droom van de ballenjongen

Voetbal in een metafoor voor het hele leven. Ik was als kind al verkocht. Toch zijn er hele volksstammen die er ongevoelig voor zijn. Het is zoiets als kunst. Als je het niet van jongs af aan hebt meegekregen, zul je het ook nooit snappen. Mijn vader had overigens niets met voetbal. Hij is nooit met mij naar een wedstrijd gaan kijken, hoewel hij een dag na mijn geboorte nog in een brief had geschreven: ‘Ik zie mezelf al in de toekomst met mijn zoon op zij naar de voetbal gaan.’ Mijn eigen zoon heeft er overigens ook niets mee. Het voetbalgen slaat bij de Mousen kennelijk steeds een generatie over.

Laatst vond ik kindertekening van mijzelf terug. Hij is gemaakt in de vierde klas van de lagere school. Het is 1958. Feyenoord speelt tegen Elinkwijk. Je ziet een stevige scrimmage voor het doel. De keeper is vreemd genoeg nergens te bekennen. De uitslag was 5-2 voor Feyenoord. Dat staat tenminste achterop de tekening met potlood geschreven. Elinkwijk bestaat al lang niet meer en is ooit met DOS en Velox gefuseerd tot FC Utrecht. Wat ook niet meer bestaat is de sigaretten-reclame achter het doel. Hier staat het nog duidelijk te lezen, al moet je wat letters aanvullen: ‘Een Roxy. Ja graag!

Wonderlijk genoeg kan ik me deze wedstrijd Feyenoord-Elinkwijk niet herinneren. Ik zag Feyenoord alleen als ze tegen Ajax speelden. Mijn eerste voetbalwedstrijd zag ik in 1957: Ajax – Sportclub Eindhoven. Ik meen dat de uitslag 3-1 was. Bij Ajax speelde toen Rinus Michels nog mee. Elinkwijk heb ik nog meerdere keren zien spelen tegen Ajax. Eén wedstrijd staat me nog helder voor de geest. Dat was op 2 februari 1958. Het was de doorbraak van Reinier Kreijermaat. De uitslag bleef op 1-1 bleef steken. Reinier Kreijermaat verving niet alleen als veldspeler de zwaar geblesseerde keeper van Elinkwijk, maar scoorde ook nog eens het enige doelpunt voor zijn club. Sindsdien was hij mijn held.

Kort daarop werd Kreijermaat bij Elinkwijk weggekocht door Feyenoord, waar hij de bijnaam ‘Beertje’ kreeg en nog een glansrijke carrière maakte, onder meer in de Europacup. Maar ik had Beertje het eerst ontdekt. In die tijd zat ik zowat elke zondag in het stadion. Alleen als Ajax speelde in De Meer natuurlijk, maar ook wel de week daarop in het Olympisch Stadion bij Blauw-Wit of FC Amsterdam. Interlandwedstrijden heb ik in die tijd niet live gezien, want bij die wedstrijden werden er geen jongenskaarten verkocht. Een jongenskaart bij Ajax – voor het legendarische vak H – kostte maar twee kwartjes. Dan moest je wel om kwart over twaalf al in de rij staan voor de kassa, want jongenskaarten waren niet in de voorverkoop verkrijgbaar.

Van mijn huis uit was het Ajax-Stadion een half kwartiertje lopen. Nadat ik mijn kaartje bemachtigd had, ging dan ook meestal nog even terug naar huis. Daarna zorgde ik dat ik bijtijds weer in het stadion zat. Dan hoorde je de stadionspeaker… ‘Goedemiddag dames en heren. Welkom in het Ajax-stadion. Hier is de opstelling van hedenmiddag zoals die vermeld staat in het programmablad Rood-Wit-Thuis.’ Daarna volgde de rugnummers, eerst van de bezoekende club en dan van Ajax, waarbij na elke naam een luid gejuich opklonk. De spelers stonden dan meestal al op het veld voor de warming up.

Ze maakten hun trainingsbewegingen en schoten van afstand de bal na elkaar toe. Door de luidsprekers klonk krakende muziek die onderbroken werd door reclame: Heerlijk Helder Heineken.. Dit is de man, dit is zijn Amstel… en natuurlijk Ay, Ay, Ay die Caballero, dat is pas een sigaret... De spelers gingen weer terug de kleedkamer in, totdat ze in het gelid het veld opkwamen. Ajax maakte altijd een rondje rond de middencirkel, behalve de keeper die naar de middenstip liep. Daarna zwaaiden ze met zijn allen naar het publiek, waarna iemand de bal in het doel schoot.

Pieters Graafland had de mooiste keeperstrui van Nederland: grijs met een zwarte horizontale baan voor en achter die doorliep bovenaan de mouwen. Ik was een fan van Pieters Graafland. Hij maakte hele mooie zweefduiken, veel mooier dat Frans de Munck, de zwarte panter, die ook al behoorlijk op zijn retour was. Ik vond het dan ook heel jammer dat Pieters Graafland in 1960 voor het toenmalige recordbedrag van honderdduizend gulden naar Feijenoord ging. Daar is hij nog tot 1970 blijven keepen, totdat hij als invaller voor Eddy Treytel afscheid nam in de finale van Feijenoord tegen Celtic in Milaan, nota bene met het winnen van de Europacup.

Voetbal was toen nog heel gewoon. Zelf speelde ik als kleine welp bij RKAVIC in die tijd, als rechtsback. Ik had moeite om met mijn kleine spillepootjes die zware, leren bal op het veld vooruit te krijgen. Nico Scheepmaker speelde in de jaren vijftig bij de junioren van Blauw-Wit. Hij was ouder dan ik, dus ik heb nooit tegen hem gespeeld. Maar hij schreef later wel over zijn ervaringen bij Blauw-Wit, waar hij ook wel eens ballenjongen mocht zijn in het stadion. Ook speelde hij wel eens tegen de junioren van RKAVIC en dan verbaasde het hem altijd dat die hun zwembroekje aanhielden als ze onder de douche gingen.

Bij Blauw-Wit keken ze wat raar aan tegen die Roomse preutsheid. De heidenen lieten gewoon hun piemel zien, maar die onbevangenheid in de kleedkamer was voor ons niet weggelegd. Roomse jongens deden dat niet. Dat mocht niet van Onze Lieve Heer. Wij waren nette jongens, maar wel aardige jongens. Trouwens, tegenwoordig gaan ze ook niet meer met hun blote piemel onder de douche. De oprukkende islam schijnt Nederland preutser te maken, zo las ik van de week. Zo wordt het voetbal weer zoals het vroeger was. Heel gewoon dus. Alleen ballenjongen in het Olympisch Stadion, dat heb ik nooit mogen zijn. Ik heb dat altijd als een gemis ervaren, meer nog dan die blote piemel. Ik droom wel eens dat ik alsnog een ballenjongen van Blauw-Wit mag zijn.

.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)