De archeologie van een foto

IMAGE0001

Een foto uit 1954. Een weiland dat verandert in een bouwterrein, heipalen op de voorgrond en aan de horizon huizen die al eerder zijn gebouwd, architectuur van voor de oorlog. Het is de oprukkende bebouwing aan de rand van Amsterdam in de tijd van de wederopbouw. Het geluid van de heimachines was in die jaren even alledaags als de stem van Max van Praag op de radio: ‘Als ik tweemaal met de fietsbel bel…..‘  Bouwen was nog heel gewoon. De stad breidde zich uit met nieuwe buitenwijken die als jaarringen in een boomstam hun sporen nalieten in de architectuur. Het is een foto zoals er toen duizenden zijn gemaakt. Niets bijzonders, heel gewoon. Alleen ik kan er uren naar kijken, want het derde huis links van de verhoogde hoekgevel is mijn geboortehuis.

De tijd laat zijn sporen na in een foto. Gebouwen, die niet meer bestaan, zijn ooit voorgoed gekristalliseerd in zilverbromide en gebouwen, die nu bestaan, zijn op de foto nog niet zichtbaar. De populieren in het midden op de hoek van de Radioweg zijn nu bijna al twee keer zo hoog geworden en hebben er 55 jaarringen bij gekregen. De Martelaren van Gorkum-kerk op het Linneaushof steekt boven de daken uit. Met een vergrootglas zijn tegen de rand van de bebouwing stippen waar te nemen van toevallige passanten. Hun contouren zijn vervormd in het zwart-wit patroon van het raster. Daarbinnen wordt in een blow up van minimale stippen een gestalte zichtbaar, als bij een palimpsest van een perkamenten codex, waarin de oorspronkelijke tekst doorschemert. En misschien staat ergens in die stippen mijn eigen gestalte gefixeerd als zeven jarig jongetje dat als een spinnend elektron in een vacuüm van tijd zijn sporen heeft nagelaten.

De wereld van 1954 bestaat niet meer. De aarde heeft inmiddels 55 keer om de zon gedraaid en de zon heeft misschien een nog wonderlijker spiraal door het heelal afgelegd. Als ik met een gigantische telescoop van de aarde kon wegkijken naar de plek die op de foto staat afgebeeld, zou ik zien dat deze locatie zich met een duizelingwekkende snelheid van mij verwijdert. De coördinaten van ruimte en tijd van een dag in 1954 in de Johannes van der Waalsstraat zijn in een foto gevangen in een patroon van zwarte en witte stippen, zoals in mijn brein herinneringen staan gecodeerd van een zeven jarig jongetje. Kijkend naar deze foto ontstaat voor mij – uit interferentie van patronen – de gelijktijdigheid van het ongelijktijdige, het moiré-effect van de herinnering.

Als de tijd een uitbreiding is van de ziel, zoals Augustinus heeft beweerd, kan een foto, met minimale sluitertijd genomen, deze verwijding zichtbaar maken. Foto’s creëren een ruimte in de tijd die geen enkele archeologische vondst kan evenaren. Het zijn geen scherven uit het verleden, maar astronomische waarnemingen van niet meer bestaande hemellichamen. Archeologen spreken van prehistorie en historie, waarbij de scheidslijn wordt gemarkeerd door het voorhanden zijn van geschreven documenten. Deze scheidslijn lijkt irrelevant te worden door het voorhanden zijn van een foto die de geschiedenis zonder foto’s tot een nieuwe prehistorie maakt. Een foto uit de Middeleeuwen zou heel wat historici de mogelijkheid ontnemen om een bestseller te schrijven. De mythe van het verleden verdwijnt in foto’s, omdat zij de naakte werkelijkheid onthullen. Maar tegelijk ontstaat een nieuwe bijna even mythologische nevel, omdat de beschouwer toegang krijgt tot een moment dat niet meer bestaat en de waan kan koesteren nog in een wereld rond te lopen die zich voorgoed verwijderd heeft.

Ondanks haar bijna tastbare illusie is een foto niet meer dan een botte afkorting van de werkelijkheid. Het zichtbare is slechts een fractie van alles wat aanwezig was: ruimte en diepte, beweging en duur, wind en regen, warmte en kou, geluiden en geuren en soms zelfs kleur. Wat overblijft is een verzameling zwarte en witte punten, een oneindige reeks van de cijfers nul en één die zich in miljarden configuraties kunnen samenvoegen. De tijd is één moment stilgezet in dat patroon van zwarte en witte punten. Het zijn aan en uit flitsende lampjes, waar de tijd doorheen trekt als de voorbijschuivende tekst op een lichtkrant die opeens stilstaat. Elke foto heeft een patroon, even uniek als een vingerafdruk en even simpel als de formule van een reeks, maar totaal onbelangrijk voor degene die ernaar kijkt. Het proces van waarneming verloopt immers volgens andere formules, waardoor niet alleen de zwarte en witte punten aaneen worden gesmeed, maar ook al het andere wat afwezig is wordt ingevuld.

Op de foto van 1954 hoor ik de klokken luiden van de Emmakerk, de bomen ruisen op de Radioweg. De laatste kikker kwaakt in de sloot. Ik ruik gras op het weiland en hoor zelfs achter mijn rug dat er een doelpunt is gescoord in het Ajax-stadion. Binnen de eindige reeks van de cijfers nul en één is het 1-0 geworden. Op het scorebord, dat nog niet elektrisch was, wordt een bordje verhangen.

1 0 0 0 1 0 0 0 1 0 0 0 1 0 0  1 0 0 1 1
1 1 0 1 1 0 0 1 0 1 0 0 1 0 0  1 0 1 0 0
1 0 1 0 1 0 1 0 0 0 1 0 1 0 0  1 0 0 1 0
1 0 0 0 1 0 0 1 0 1 0 0 1 0 1  1 0 0 0 1
1 0 0 0 1 0 0 0 1 0 0 0 0 1 0  1 0 1 1 0

Hierboven staat een patroon van honderd cijfers: 39 maal 1 en 64 maal 0. Wie de nullen met elkaar verbindt ziet niets. Wie de enen verbindt leest de letters van mijn naam. De reeks kent verder geen enkele regelmaat en is op zich een toevallige uitsnede binnen een oneindige en onregelmatige reeks van de cijfers 0 en 1. Kansberekening zou wellicht uitwijzen, dat pas lichtjaren verder in deze reeks een opeenvolging van honderd cijfers in deze volgorde zou terugkeren. Een kans die zeker kleiner is dan dat ik het ben, die als klein jongetje gevangen sta in de zwart-witte punten van de foto uit 1954. Een kans ook, die misschien even groot is als de kans, dat mijn naam op dit moment voorbij flikkert op een lichtreclame in Tokio.

Een foto uit Tokio. Op een kruispunt in het centrum van de stad bewegen mensen en auto’s dwars door elkaar heen. Het is avond en aan de gevels flitsen talrijke lichtreclames aan en uit, hoewel de foto alleen laat zien dat ze aan of uit staan. Mij is niet bekend wanneer de foto is genomen, maar het bouwjaar van de auto’s doet vermoeden, dat er inmiddels meerdere decennia verstreken zijn. De gebouwen hebben misschien allang plaatsgemaakt voor wolkenkrabbers die tot in de hemel reiken. De auto’s wekken de illusie te bewegen, omdat hun contouren zijn vervaagd in de tijd dat de lens openstond.

Hoewel het een kakofonie van geluiden moet zijn en een vuurwerk van licht-flikkeringen, zie of hoor ik niets daarvan. Mijn ogen dwalen in een verstilde ruimte van een lege foto en vallen op de lichtreclame van SONY rechts bovenin. Daaronder staat in lampjes mijn naam opgelicht: MOUS TRANS . Het is een schok van herkenning, een archeologische vondst, woorden die als in een palimpsest doorschemeren in een verder onleesbare context. Maar de herkenning verdwijnt in het besef van de onwerkelijkheid die de foto laat zien. De lampjes, die branden, branden binnen het zwart-witte raster van een lichtkrant, waarin waarschijnlijk iets voorbijtrekt als FAMOUS TRANSISTORS.

Eén moment meende ik dat mijn naam elders in het heelal aanwezig was en sporen had nagelaten als een spinnend elektron. Maar hij gaat voorbij, onzichtbaar voor ieder en heeft alleen bestaan binnen de sluitertijd van een foto, als een afkorting van de werkelijkheid. Het nu, dat altijd voorbijtrekt, kan zich in een foto ontsluiten tot een duizelingwekkende ruimte van melancholie. Een foto is een monument van het vergankelijke, een bevroren rimpeling in een vijver van eeuwigheid.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)