Op zoek naar het andere Friesland

‘Het Athene van het noorden’, 
zo werd Franeker ooit genoemd. Franeker een stadje met een roemrijk verleden. Professoren hebben hier eeuwenlang de gehei
men van de wereld ontraadseld. Lollius Adema bijvoorbeeld, die de leer van Aristoteles aanhing, en 
Henricus de Vena die daar dwars tegen inging. Descartes liep er zelfs een blauwe maandag rond, twij
felend aan zichzelf en het hele universum. Nog altijd doet het verhaal de ronde dat hij juist hier in 
Franeker – of all places – na een slapeloze nacht in het inmiddels verdwenen Sjaerdema-slot, de laatste 
bestaansgrond van zichzelf ontdekte: ‘ik denk, dus ik besta’.

Maar er waren meer van dat soort lieden. Eigenzinnige mensen die in deze uithoek van de wereld 
de helderheid van hun eigen verstand hoger aansloegen dan welk duister bijgeloof dan ook. Eise Eisinga – astronoom, amateur en autodidact – bestreed de voorspellingen van een onheilsprofeet door 
het universum na te bouwen aan het plafond van zijn eigen huiskamer. Ook dat gebeurde in Franeker. 
Zo’n plaats moet toch iets unieks hebben. Niet alleen toen, maar ook nu. Zo niet in de grond, dan toch 
zeker aan de nachtelijke hemel. Het licht van de sterren houdt het verleden immers in het heden in 
stand.

‘Werd er in de De bocht van Guinee in het Latijn een biertjes besteld?’ Dat vroeg Goffe Jensma zich gisteren af bij de opening van de tentoonstelling De Academia van Vrieslandt in Tresoar in Leeuwarden. Het tweede deel van deze expositie werd later op de middag geopend in het Martenahuis in Franeker. Je kon er met een bus naar toe. Maar dat trok ik niet. Na anderhalf uur had ik het wel gezien en gehoord. Die Franeker studenten, zo heb ik begrepen, wisten door de eeuwen heen de bloemetjes behoorlijk buiten te zitten en niet alleen in De bocht van Guinee.’Ik drink bier, dus ik besta’.  Misschien  heeft Descartes dat wel – in het Latijn – aan de toog geroepen, voordat hij wankelend terugmarcheerde over het bolwerk naar het Sjaerdama-slot.

Het is natuurlijk een aardige geschiedenis, die Franeker universiteit. De teruggevonden bibliotheek-catalogus uit 1601 was reden om die bibliotheek nog eens helemaal na te bouwen. Tige niisgjirrich, maar het is niet een tentoonstelling geworden die je na tien jaar nog helder voor de geest staat. Daarvoor zou je zo iemand als Peter Greenaway moeten inhuren. Ik geloof dat Bert Looper van Tresoar dat ook eens geprobeerd heeft, maar waarom het niet doorging is mij ontschoten. Hoe dan ook, er was meer mee te doen geweest. Neem nou inderdaad die rare geschiedenis van René Descartes.

Waarom niet een tentoonstelling gewijd aan Descartes in Franeker? Daarmee kun je scoren ver voorbij Appelscha. In 1985 was er al een eerder een tentoonstelling over de Franeker Universiteit, zo vertelde mij gisteren Siebold Hartkamp. Ik kan me dat inderdaad nog vaag herinneren. Men had zelfs een zo’n auditorium nagebouwd, waarin konden zien hoe een lijk werd opengesneden. De anatomische les in Franeker. In datzelfde jaar 1985 zag ik een kleine tentoonstelling in het Maison Descartes in Amsterdam: ’Descares et les Pays-Bas.’ In de catalogus, die nog ergens in mijn boekenkast rondzwerft, las ik destijds dat Descartes in het Sjaerdema-slot in Franeker een moment van verlichting heeft gehad. Zijn cogito dus, een brainwave die de wereld zou veranderen

In hun inleidende praatjes refereerden zowel Bert Looper als Goffe Jensma aan het complexe zelfbeeld van Friesland. Friezen hebben niet zoveel op met hun eigen universitaire verleden. Douwe Kalma schijnt het al eens gezegd te hebben. De Franeker universiteit was niet Fries genoeg. Anders gezegd, als universiteit was Franeker gewoon te goed, te internationaal gericht, te weinig authentiek Fries en te weinig boers en agrarisch. De Franeker universiteit concurreerde destijds met de universiteit van Leiden. De bibliotheek van Franeker was in 1601 zelfs groter dan die van Leiden en Groningen. De voertaal van de studenten en de hoogleraren was Latijn. Franeker was een soort Cambridge. De Friezen waren er apetrots op. Dat zelfbewuste, kosmopolitische zelfbeeld van de Friezen is aan het einde van de negentiende eeuw volledig in het slop geraakt.

In de tijd van de landbouwcrisis ontstond ‘het verdriet van Friesland’, het verdriet van de achterblijvers die hun zelfbeeld gingen koesteren in een  romantische uitvergroting van een verleden dat eigenlijk nooit heeft bestaan. Het Oera Linda-boek als ‘the invention of tradition’ bij uitstek. Het Friesland van het ancien regime en de tijd van De Republiek der Zeven Provinciën raakte toen geheel uit zicht. Dat kosmopolitisch beeld van Friesland is nodig aan een historische herwaardering toe. Het beleidsplan van Tresoar is daar ook op gericht: ‘Op zoek naar het andere Friesland’. Goffe Jensma’s studie Het rode tasje van Salverda (1998) heeft destijds de doorbraak gegeven tot deze nieuwe kijk op het verleden van Friesland. Friesland is sindsdien op zoek naar een vergeten – of misschien wel verdrongen – identiteit. Jammer genoeg is dit in de cultuurpolitiek van het provinciaal bestuur nog niet zo doorgedrongen. Anders had het concept van Fryslân Kulturele Haedstêd wel een minder provinciaals, en een meer kosmopolitisch karakter gekregen.

Na afloop vroeg ik aan Goffe Jensma waarom er toch niet meer aandacht wordt besteed aan de wonderlijke geschiedenis van Descartes in Franeker. Descartes verbleef vanaf de zomer van 1629 negen maanden in Franeker, waar hij sliep in het Sjaardema-slot, dat ooit stond op de plaats van het huidige Sjûkelân. Ik schreef er ooit een verhaaltje over: Ik denk dus ik ben in Franeker. Goffe Jensma wees me op, dat Descartes vooral geïnteresseerd was in de optica van Jacob Metius, en van eerste ontwerpers van de telescoop. Dat klopt. Ik heb het gisteren nog eens nagelezen in de Descartes’ biografie, die in 1995 verscheen van de hand van Geneviève Rodis-Levis. Ik heb dat boek al jaren in mijn boekenkast staan, om ooit als een sneeuwwitje eens wakker gekust te worden. Over Descartes in Franeker schrijft Rodis-Levis onder meer het volgende:

‘De keuze voor de universiteit van Franeker kon zijn ingegeven, of tenminste versterkt, door het feit dat daar (in het voetspoor van hun vader) Adiaan Metius les gaf, de broer van Jacob Metius van wie sprake in het begin van (Descartes’) Dioptique. Deze “man die niet had gestudeerd, hoewel hij een vader en een broer had die van wiskunde hun beroep hadden gemaakt (..) schiep vooral genoegen in het maken van spiegels en brandglazen”. Toen hij twee lenzen vond, waarvan ‘de ene in het midden wat dikker was dan aan de randen’ (convex)  en de ander tegenovergesteld  (concaaf).“ bevestigde hij ze met zoveel handigheid aan de twee uiteinden van een buis, dat de eerste telescoop ontstond.”’

Jacob Metius moet dus de eerst Friese autodidact zijn geweest, die nog voor Eise Eisinga zijn Planetarium bouwde, het  Franeker hemelgewelf aftastte op zoek naar verre sterren en planeten. Descartes wilde de Parijse glasslijper Guillaume Ferrrier naar Franeker laten komen, om daar onder zijn leiding lenzen te kunnen slijpen. Maar dat ging niet door. Descartes was geïnteresseerd in optica. Zo bestudeerde hij de werking van de regenboog, net als Spinoza dat deed, maar ook het fenomeen van de dubbele zon, zoals die op 20 maart 1629 in Frascati, vlak bij Rome, was waargenomen. Descartes  bestudeerde in die tijd niet alleen de optica , maar werkte ook aan zijn Metafysica. Zo ligt het in de rede te veronderstellen dat hij juist in het geïsoleerd gelegen Sjaerdema-slot voor het eerst op de gedachte kwam van zijn beroemde cogito ergo sum.

In een brief van 18 maart 1630 aan Giboeuf in Parijs, schreef Descartes over   dit kasteeltje  (..) door een gracht gescheiden van de rest van de stad.’ Dat kasteeltje vormde het beeld bij uitstek ‘het gepantserde subject‘, het subject dat in eigen denken de grondslag zag van zijn bestaan. Descartes had op dit punt van zijn denken ook halt kunnen houden en solipsist kunnen worden, opgesloten in zijn eigen brein. Of pantheïst, waar Spinoza toe neigde. Maar Descartes ging door met het creëren van zijn cartesiaanse methode, dat de basis werd van een nieuw dualistisch wereldbeeld.

Dat hadden de scholastici met hun brug tussen Plato en Aristoteles nooit kunnen bedenken. Alle kennis kwam volgens hen immers via de zintuigen de geest binnen. Descartes trok de brug over de slotgracht op, de brug tussen het brein en de buitenwereld, de brug  tussen speculatie en empirie.  Zo vond hij de burcht van de geest zelf de basis voor alle zekerheid, het fundament van de natuurwetenschap. In negen maanden tijd was het kunstje geklaard en dat in Franeker. Inderdaad:  of all places. In deze eerste negen maanden, zo schreef hij een brief aan Mesenne op 15 april 1630. ‘ aan niets ander te hebben gewerkt  dan aan deze metafysica die de kennis aangaande God en zichzelf vaststelde, en die de voorwaarde was om ‘via deze weg’ de grondslagen van de fysica te vinden.’

Ziedaar het concept voor een prachtige roman. Wie neemt de handschoen op om Franeker voorgoed op de kaart te zetten?  Sterker nog, laat Franeker in 2018 Kulturele Haadstêd worden van Europa!  Hier liggen de Europese wortels van het moderne, cartesiaanse wereldbeeld.  Hoezo Fryske mienskip? Franeker, c’est L’Europe! Ik denk dat dan niet alleen veel Fransen naar Friesland zullen komen, maar ook veel échte Europeanen, kosmopolieten, wereldburgers! Franeker is immers de bakermat van het hedendaagse Europa. Kom daar eens om, mijnheer Keizer. Wat een pracht idee, en helemaal gratis en voor niks, noppes nada! Weg met al die miezerige muizennissen!  Ga eens op zoek naar dat andere Friesland!

6 Reacties »

  1. Manon Borst

    19 september 2011 op 10:19

    Beste Huub,

    Op vrijdag 7 oktober wordt in Museum Martena het boek van Kees ‘t Hart gepresenteerd dat in opdracht van de Franeker Kunststichting is geschreven. Descartes, Franeker en de Verlichting zullen in dit boek een belangrijke rol spelen.

    Met vriendelijke groet, Manon Borst

  2. Huub Mous

    19 september 2011 op 11:45

    Gelukkig maar, dat het al is bedacht, anders had ik het idee moeten claimen. Dat is altijd een beetje een treurige bedoening. Zo heb ik eens gesproken met Lieuwe Wynia die beweert, dat hij degene is die het idee van de Slachte-maraton heeft bedacht, en niet Peter Karstkarel. Ook heb je mensen die beweren dat ze iets bedacht hebben, dat ze in feite helemaal niet hebben bedacht. Neem nou Hylke Speerstra die ooit claimde dat hij de bedenker was van Simmer 2000, en niet Gryt van Duinen. Complete onzin, wat hij later ook moest toegeven. Ik bedenk ook wel eens iets waar een ander mee wegloopt. Drie jaar geleden bijvoorbeeld stelde ik voor om een opera te schrijven over Foekje Dillema. Dat is inmiddels gebeurd, met – op mijn advies – Bouke Oldenhof als librettoschrijver. De organisatoren vergaten echter mij een vrijkaartje te sturen voor de première. Niet zo netjes dus. Kees ’t Hart lijkt me overigens een prima keus als auteur van deze historische roman over Franeker. Eerder bedacht hij het Rousseau-project (samen met Hein de Graaf, dat vergeet Kees wel eens): ‘Ik verlang naar de achttiende eeuw.’ Ik ben benieuwd of Kees zich evengoed thuis voelt in de zeventiende eeuw. Hoe dan ook, ik kom op 8 oktober zeker even kijken als het boek gepresenteerd wordt. Dan kan ik meteen de tweede helft van de tentoonstelling in het Martenahuis zien.

    PS:

    Overigens is het idee voor het BoekWurk-project Freezing Mickey, waar ook de prachtige film Sykje nei Muridee Sorix van Patrick Gofre en Marten Winters uit voortkwam, destijds bedacht door Pierre Mansire. Hij las in de Donald Duck dat de voorouders van Ub Iwerks, de bedenker van Mickey Mouse, uit Friesland afkomstig waren. Later bleek dat Ost-Friesland te zijn.

  3. Zuidstrand Stavoren

    19 september 2011 op 12:10

    Op het Zuidstrand van Stavoren vliegen dezer dagen op de voorstellingen van Redbad van Sult de ´Friese normen en waarden´ van de éne kant naar de andere kant door de lucht. Wat daarmee bedoeld wordt komt de toeschouwer helaas niet te weten. Het schijnt voor zichzelf te spreken, wat daarmee bedoeld wordt. Ook schijnen Redbad, Zoon en diens Zoon allen duidelijk te weten wat Onfries is, al gaan ze daar de één na de ander, anders mee om. Zo te horen is dat Onfries niet bepaald nastrevenswaardig en schijnt Koninkrijk Friesland daar voor behoed te moeten worden. Kortom zeer luide, óverduidelijke en harde stellingnamen, maar een onderbouwing van al dat moois ontbreekt. Een tekst zo diep als het water vlak voor de kust. Een nationalist kan daar, boven het Rode Klif, zijn hart gratis laten oppompen.
    Maar voorts, mooie muziek, mooi koor, interessant decor, mooie doorzichten en heerlijk subtiel kabbelend water.

  4. statenellende

    19 september 2011 op 20:43

    LC: ´LEEUWARDEN – Statenlid Anja Haga (CU) stopt met Fries spreken in de statenzaal. Ze vindt dat ze het Fries goed beheerst, maar niet goed genoeg voor het spreekgestoelte.

    Haga heeft geen zin meer in opmerkingen van andere statenleden hierover. Bovendien wil ze niet dat het ten koste gaat van de inhoud van haar verhaal.´

  5. Huub Mous

    19 september 2011 op 20:49

    Het is inderdaad een hoogst onhebbelijke eigenschap van Friestalige Friezen, dat àls je het een keer waagt om Fries te spreken, ze daar dan altijd wel wat op aan te merken hebben. Dit is wat je noemt Friese lompheid. Zulke Friezen zou je dan wel een knietje in het kruis willen geven.

  6. Jelle Breuker

    19 september 2011 op 21:40

    Bijna vijftig jaar geleden ontmoette ik in militaire dienst ook randstedelingen, ook Amsterdammers. Aanvankelijk was ik als Friese plattelander wat schuchter tegenover hen. Hun grote bekken begreep ik niet en al helemaal niet hun collectief optreden als er een vervelende zaak aan de orde was. Altijd weer het collectief en de stoet van meelopers. Zelden dat één iemand de moed had iets te doen dat weerstand zou oproepen. Ze hadden alleen verstand van voetbal em teerden de hele week op de wedstrijd van hun club. Onbegrensde clubliefde, ik begrijp nog niet de verslaving. Jouw kennis van veel wezenlijker zaken, zoals van dieren en planten – en het respect daarvoor-, van weer en stevige beroepen deed er nooit toe. Van vanzelfsprekend respect jegens de ander hadden ze nog nooit gehoord. Om zélf, of als eerste, de hand uit de mouw te steken voelden ze zich van de Baarsjes, Amsterdam-Oost en Amsterdam-Zuid te goed. Mijn schuchterheid verdween toen Rob eindelijk de moed had om de armoede thuis te laten zien. Ik mocht een woensdagavond mee naar Amsterdam. En later, toen ik Rob geen lastige vragen had gesteld, ook met Hans en Kees. Ik zag de kleine behuizingen, de fietsen in de gang of op de overloop en voelde en hoorde het aftandse meubilair. De verveling op de gezichten van de ouders vertelde nog meer en begreep dat daar hun gezeur en betweterigheid mee samenhing. . Wat moesten ze ook op die paar vierkante meter? Tja, dan bood de voetbalclub ontsnapping. Al vijftig jaar moeten Amsterdammers van goede huize komen om mij te imponeren. Hún miserabele vorming raken ze nooit meer kwijt, en ik heb er geen boodschap aan.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)