De opstand van de vierde wereld

Vahine no te tiare

Als ik haar zie, rechtop gezeten,
zwart voor een roode achtergrond
vrouw met het rustige gelaat,
lijkt ieder ander mij verbeten,
onzeker en te snel verwond.

Haar voorhoofd is een kooperen plaat,
een schild waarachter haar gedachten
naakt en gehurkt liggen te wachten;
boven de wallen van haar wangen
de bruine oogen, onbevangen,
zonder glimlach, zonder woede
stil en helder op hun hoede.
Van reserve en geduld
is haar dichte mond gevuld.

Nog weet zij niet wat haar verraadt:

Zij beseft niet, dat haar hand
sluimrend op haar schoot – zoo smal
met een bloem tusschen de vingren –
in extase en in haat
onverwacht een dolk zal slingren
naar wien zij beminnen zal.

M. Vasalis, Uit: Parken en woestijnen (1940)

Dit gedicht van Vasalis is geïnspireerd op het gelijknamige schilderij van Gauguin, de schilder die naar in 1891 naar Tahiti vertrok omdat  hij de moderne westerse beschaving niet meer zag zitten. Geïnspireerd door Jean-Jacques Rousseau en het idee van ‘de nobele wilde’ was Gauguin was op zoek naar de mythe van de paradijselijkheid, de woeste en onbedorven seksualiteit. Hij verbleef op Frans-Polynesië, eerst Tahiti en later de Marquesaseilanden (Les Marquises). Velen zouden hem nadien volgen. Zelfs Jacques Brel reisde op het eind van zijn leven naar Les Marquises, het eiland van Gauguin, waar hij ook begraven ligt. Les Marquises was ook de titel van het laatste chanson van Brel. Hij zong het met nog maar één long, in 1976, een jaar voor zijn dood aan longkanker in een ziekenhuis in Parijs.

Over het gedicht Vahine no te tiare van Vasalis is veel geschreven en gespeculeerd. Wat betekent die dolk die de vrouw slingert naar wie zij beminnen zal? Welke strijd tussen de seksen wordt hier uitgevochten? Welk ‘onbehagen in de cultuur’ word hier geprojecteerd op het duistere continent van de ongerepte vrouw, met haar ogen ‘zonder glimlach en zonder woede’. Het is een gedicht dat geschreven is met de observerende blik van een etnoloog en de analyserende blik van een psychiater. Wij leven niet in balans met de natuur. Er is geen harmonie meer tussen mens en aarde, dat is wat de primitieve mens ons leert. Het westen is ziek, overspannen, neurotisch, psychotisch, schizofreen… De moderne mens is geestesziek, maar waarheen kan hij nog vluchten?

Toen ik zelf in  1966 – na een zich plotseling aandienende psychose – bij een psychiater terecht kwam, was een van de problemen waar ik voor stond mijn studiekeuze. Omdat ik het examenjaar niet had afgemaakt, kwam ik opnieuw in de zesde klas van het gymnasium terecht. Aanvankelijk op het Nicolaascollege, maar dat beviel me niet, zodat ik het laatste jaar uiteindelijk toch weer op het St. Ignatiuscollege heb voltooid. Maar wat moest ik gaan studeren na mijn eindexamen? Het liefst had ik filosofie gekozen, maar ik was bang dat daar geen droog brood mee te verdienen was. Dus koos ik uiteindelijk voor de veilige weg: bouwkunde in Delft, waar ik het nog geen halfjaar zou uithouden.

Met mijn psychiater sprak ik wel eens over mijn studiekeuze. Hij wilde mij daarover geen raad geven. Dit soort problemen, daar hield hij zich niet mee bezig. Toch liet hij tussen neus en lippen wel eens iets blijken over hoe hij over mijn toekomst dacht. Filosofie vond hij maar niets. Je kunt wel alle boekjes van de wereld lezen, zei hij dan badinerend, maar daar word je zelf niet wijzer van. Als je dan toch wilt weten over hoe de mens in elkaar zit, ga dan zoiets als etnologie studeren, de culturen van vreemde volken en beschavingen. Ik heb zijn raad niet opgevolgd. Maar als als psychiater had hij daar zelf veel belangstelling voor. De edele wilde, het duistere continent, de mens die nog niet ziek was, zoals wij ziek zijn van onze moderne cultuur.

Het verband tussen etnologie (later: culturele antropologie) en psychiatrie was vóór de oorlog heel gewoon. Veel psychiaters zochten de oorzaken van geestelijke storingen, door primitieve culturen te gaan bestuderen. Het boek Coming of age in Samoa (1928) van Margaret Mead bevestigde een mythe. Dat haar bevindingen grotendeels op falsificaties berustten, was destijds nog niet bekend. Ook de dichter Vasalis heeft tijdens haar studie medicijnen een tijd lang etnologie gestudeerd. Zij wilde als arts uitgezonden worden om in andere culturen iets meer te weten te komen over de verhouding tussen de seksen.

Misschien droomde ze heimelijk van het zwervend bestaan van Slauerhoff, die ze overigens zelf tijdens haar studietijd ooit heeft ontmoet na een lezing van Slauerhoff in Amsterdam, zoals Wim Hazeu in zijn biografie laat weten. De antropoloog Gerrit Jan Zier schreef over deze ontmoeting in zijn artikel Het leven is onmetelijk triest in de NRC van 6 juni 1986. Vasalis vertelde aan Slauerhoff dat zij zijn gedichten zo bewonderde. Op de vraag van Slauerhoff welke dichtregel dan zo’n indruk op haar had gemaakt, antwoordde Vasalis:

‘Ik heb al sinds verleden week geen zin in de omhelzing van een negerin.’

Deze regel van Slauerhoff komt uit zijn gedicht Afrikaanse elegie, dat zo treffend de lome, landerige sfeer beschrijf die Claude Lévi-Strauss heeft gekenschetst in zijn boek Het trieste der tropen (1955). Vasalis heeft haar tweede studie etnologie overigens niet afgemaakt, omdat het daarvoor haar ouders aan geld ontbrak. In een interview met Gerrit Jan Zwier op 19 december 1984 (dat onlangs werd uitgezonden in het programma De Avonden van de VPRO), liet Vasalis weten dat zij er daarna voor gekozen had om de psychiatrie als specialisatie te kiezen. Nu zij als arts niet uitgezonden kon worden naar vreemde volken, wilde zij ‘de vierde wereld’ van de mens gaan bestuderen. ‘De vierde wereld’ betekende voor haar ‘de wereld van de psychose’, de ziekte van de tijd, de moderne tijd, de tijd die leegloopt als een badkuip.

Waar komt die term ‘de vierde wereld’ vandaan? De term ‘de derde wereld kwam pas in het begin van de jaren vijftig in zwang. Tegenwoordig wordt met’ de vierde wereld’ een heel ander domein aangeduid. De Spaanse socioloog Manuel Castells bedoelt met ‘de vierde wereld’ op de zwarte gaten van sociale uitsluiting, de plekken op de wereldkaart waar mensen ‘total disconnected’ zijn. Hij gebruikte de term als doelbewuste oppositie met ‘de eerste wereld’ en ‘de derde wereld’. Voorbeelden van ‘de vierde wereld’ zijn volgens Castells de sub-Sahara in Afrika, ruraal Latijns Amerika, de getto’s in grote wereldsteden en de kansloze buitenwijken (banlieues) van West Europa. De recente rellen in Engeland zou je dan ook als een opstand van ‘de vierde wereld’ kunnen beschouwen. Maar die opstand heeft niets met de wereld van de psychose van doen. Of misschien toch wel?

Toen Gerrit Jan Zwier met de bus op weg was van zijn woning in Zuidhorn naar Roden, waar Vasalis woonde, was hij getuige van een gruwelijk ongeluk. Bij de spoorwegovergang bij Peizermade, waar destijds de trein tussen Groningen en Drachten passeerde (het zogeheten ‘Philipstreintje’) werd een auto door de trein geschept en ongeveer 25 meter meegesleept. Een 35-jarige vrouw raakte zwaar gewond  en zou later overlijden in het Academisch Ziekenhuis in Groningen. Haar zesjarig dochtertje, dat op de achterbank zat, mankeerde niet veel. Een wat oudere man stapte uit en verleende eerste hulp. Diezelfde man trof Gerrit Jan Zwier aan in het huis van Vasalis. Hij was haar echtgenoot Jan Dooglever Fortuyn, hoogleraar neurologie. Hij vertelde dat de vrouw stervende was en was zo ontdaan dat hij eerst even naar bed moest om van zijn schokkende ervaring te bekomen. Misschien is ‘de vierde wereld’ wel de waanzin zelf die als een sluimerend inferno verscholen ligt onder de huid van de alledaagse werkelijkheid.

Het is te zien, te voelen en te hooren.
Ik weet, dat het er is, zooals ik weet hoe in mijn bloed
krioelt door donkre gangen. Dek het toe met huid.
Dek het heelal met stilte toe, met ongevoeligheid,
met tijd.

M. Vasalis. Uit: Overgevoelig (Vergezichten en gezichten, 1954)

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)