Mother and child reunion

Is het vandaag of gistren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt – het is een s.o.s.-
haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar franse les
herhaalt zij van haar achtste jaar:
‘bijou, chou, croup, trou, clou, pou, où,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.’

Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent

M. Vasalis. Uit: De oude kustlijn (2002)

De moeder van Vasalis overleed in 1969, 93 jaar oud. Bovenstaand gedicht moet dus ergens in de jaren zestig zijn geschreven toen haar moeder in Roden verbleef.  De eerste astronauten zijn de lucht in geweest en hebben gewichtloos gezweefd in de ruimte. De gedichten van Vasalis gaan vaak over huiselijke taferelen, over het familieleven, de relatie tussen moeder en dochter, dochter en moeder. Ze was ‘de dichteres van het kleine geluk’. ‘Damespoëzie’, zeiden haar critici, ‘larmoyante kitsch geliefd voor rouwadvertenties’. ‘Nel Benschop, maar dan in een ander universum.’ Hoe kun je ook een een sentimenteler thema bedenken dan de vereniging van moeder en kind? Bovendien had Vasalis zelf ooit een kind verloren. Haar zoontje Dicky stierf in 1943, anderhalf jaar oud, tijdens de polio-epidemie in Amsterdam. Uit diep persoonlijk leed kan nooit waarachtige poëzie ontstaan. Of toch wel? In 1966 schreef Neeltje Maria Min het volgende gedicht.

mijn moeder is mijn naam vergeten,
mijn kind weet nog niet hoe ik heet.
Hoe moet ik mij geborgen weten?

Noem mij, bevestig mijn bestaan,
laat mijn naam zijn als een keten.
Noem mij, noem mij, spreek mij aan,
o, noem mij bij mijn diepste naam.

Voor wie ik liefheb, wil ik heten.

Ook in dit gedicht is de moeder kennelijk aan het dementeren. Ze is de naam van de ik-figuur vergeten. Maar er is ook een nieuw kind op komst. In het gedicht van Vasalis wordt de dementerende moeder het kind van haar eigen dochter, terwijl de dochter verzucht dat zij haar moeder graag als kind had gekend. De afzonderlijke identiteiten van moeder, kind en grootmoeder zijn aan het vervagen. Er is sprake van een osmose tussen ego, embryo en dementie. Zo keren zowel moeder als kind terug naar hun eigen vroegste jeugd, zonder dat een ontmoeting meer mogelijk is, of ooit mogelijk was geweest. Léon Janssen maakt in zijn boek Een misverstand om in te geloven een vergelijking tussen dit gedicht met Bob Dylans’ song Like a rolling stone. De regel …   ’zonder bestek en het en der’… van Vasalis doet hem denken aan de laatste regels van Dylan:

How does it feel
How does it feel
To be on your own
With no direction home
Like a complete unknown
Like a rolling stone ?

Gaat het goed
Gaat het je goed
Geheel en al onterfd
Als een planeet die sterft
Aks een kei die zwerft.

Het lijkt me wat vergezocht. Wel is het wonderlijk dat in popsongs allerlei thema’s geoorloofd zijn die sinds de jaren zestig in de poëzie door menigeen als kitsch worden bestempeld. Popmuziek is één en al sentiment. Is popmuziek soms het verzonken cultuurgoed van de poëzie? Hoe dan ook, de ‘I love you’s’ zijn niet van de lucht. Kitsch bestaat kennelijk niet meer als je het zingt. Het valt me op dat veel thema’s in de songteksten van Paul Simon verwant zijn  aan de poëzie van Vasalis: . …‘de eerbied voor de gewoonste dingen’ (the sounds of silence)….. mijmerend in een bus zitten (America)….  je bedroefd en goed voelen (The only living boy in New York)…. Thuiskomst van de kinderen (My little town)…. Zelfs bovenstaand gedicht van Vasalis heeft een parallel bij Paul Simon in de tekst van…. Mother and child reunion (1972).

Maar is dat wel zo? Mother and child reunion, zo las ik ergens op internet, had  een heel andere aanleiding. Paul Simon schreef deze tekst als antwoord op Vietnam van Jimmy Cliff, een song over een moeder die een brief ontvangt over de dood van haar zoon in de oorlog. De intertekstualiteit die kan bestaan tussen tussen poëzie en popsongs is een redelijk onontgonnen gebied. Léon Hanssen heeft daar kennelijk maling. Eerder, in zijn biografie van Johan Huizinga, maakte hij een vergelijking tussen de problematiek van een biograaf en  de tekst van de popsong Winter in America (zie mijn log: Huizinga en de popmuziek), terwijl  Huizinga toch de laatste was die popmuziek gewaardeerd zou hebben. Pueriel geneuzel, vals sentiment.  En toch, als je het hoort zingen wordt het opeens mooi.

In de jaren zeventig begon mijn moeder de eerste symptomen van Altzheimer te vertonen. Ze was wat vaak de sleutel kwijt van het huis. Toen ze een keer op reis was en wij de parkietjes water zouden geven, had ze de kooi naast het zand gezet, zodat de parkietjes dood in de bodemloze kooi lagen. Ze kreeg op haar verjaardag een bandrecorder, maar die kon ze niet bedienen. Toen heb ik pleisters met daarop nummers en pijlen op het cassettedeck geplakt, zodat ze altijd een gebruiksaanwijzing bij de hand had. Op een keer had ze haar eigen stem opgenomen:‘ Hier spreekt jullie moeder,’ sprak ze op gedragen toon. Het was kennelijk een opname voor later, als ze er zelf niet meer zou zijn. Die stem heb ik nooit meer teruggehoord. Ik zou ook niet weten waar dat cassettebandje gebleven is. Ze zong Lorelei in het Duits, waarschijnlijk omdat dit liedje haar herinnerde aan haar eigen jeugd: een reisje lange de Rijn, Rijn, Rijn….

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)