De tijd is vloeibaar en stroomt

Ouder worden is het opeenstapelen van tijd. Mijn geheugen loop steeds meer vol met geleefde tijd en in elk ogenblik lijkt mijn hele verleden mee te bewegen in het hier en nu. Soms denk dat de geleefde tijd uit mijn verleden niet in mijn brein ligt opgeslagen, maar ergens ver daarbuiten. Elk woord over de tijd bedient zich van ruimtelijke metaforen, terwijl de tijd zelf geen plaats heeft in welke ‘ruimte’ dan ook. Mijn brein is geen computer of iets dat daar op lijkt. Het is eerder zoiets als een korenveld waar de wind voortdurend doorheen waait. Sommige vlagen van de wind zijn spontane herinneringen die zomaar opduiken uit het niets. Heimwee is tijd die stilstaat en alle poëzie is heimwee. Soms lukt het een dichter om iets in de tijd aan te roeren dat ons met de dood verzoent. Als een windstilte, midden in de wind.

Dit jaar word ik 64. Dat is maar een raar idee. Iets in mezelf vertikt het om ouder te worden. Op een gegeven moment is de klok voorgoed stil blijven staan. Elk jaar kwam er een jaar bij, maar diep van binnen ben ik gestopt met tellen. Ik weet niet precies wanneer dat gebeurd is. Ik weet ook niet wat mijn ‘absolute leeftijd’ is, zoals Harry Mulisch dat ooit noemde. Feit is dat ik vaak droom dat ik nog pas elf jaar oud ben, een kleine jongen met een grote bal aan de voet. Nog een leven voor me en nog een wereld te winnen. Mijn vader werd 68. Nog vier jaar en dan heb ik hem overleefd. Maar ik weiger om te tellen. Wie telt capituleert voor de eindigheid. Ik wil niet stilstaan. Ik wil leven in de wind. Midden in de wind.

Tijd, zo wordt wel beweerd, creëert de benodigde ruimte, zodat niet alles tegelijk gebeurt. We beleven de dingen achter elkaar en dat is maar goed ook, anders zouden we knettergek worden. De techniek echter dwingt ons om in toenemende mate dingen juist simultaan te laten beleven. De nieuwe media bevorderen het multi-task denken en handelen.  Ruimte en tijd schuiven in elkaar zodat er nieuwe vormen van procedureel denken ontstaan. Ik merk dat ik daar zelf langzaamaan ook door wordt besmet. Als ik een artikel moet schrijven of een lezing moet voorbereiden, dan begin ik tegenwoordig vaak achteraan en niet van voren. Ik zet eerst allerlei zinnen achter elkaar zonder het verband dat ik pas later opeens zie ontstaan. Bij een powerpoint-presentatie maak ik eerst tientallen vensters zonder enige chronologie. Pas als alle vensters klaar zijn, zet ik ze in de juiste volgorde. Kortom, ik begin te denken in netwerkstructuren.

Eigenlijk heb ik dat altijd al gedaan, maar de nieuwe media dwingen je er toe om niet meer van A tot Z te werk te gaan, maar de problematiek integraal, van alle kanten tegelijk te benaderen. Ook dat is een in elkaar schuiven van tijd en ruimte. Onlangs ontdekte ik dat je Google maps in heel wat steden een virtuele wandeling maken, door op streetview te klikken. Zo ben ik gisteren een uur lang bezig geweest met een stadswandeling door  De Watergraafsmeer, de oude polder aan de rand van Amsterdam, waar ik geboren ben.  Binnen afzienbare tijd, zo voorspel ik, is streetview van Google maps voorzien van bewegende beelden die live op je computerscherm verschijnen. Dat zal een crisis in de toeristische sector teweeg brengen. Je hoeft dan immers niet meer op reis en kan achter je computer elke plek op de wereld live meebeleven. Onze vaste woon- en verblijfplaats zal dan definitief tot het verleden behoren. Ooit worden we allemaal nowhere men, dromend in een nieuwe droomtijd.

Het was in 1958. Ik was een jongetje van elf. De wereld, die aan mijn voeten lag, zou teloorgaan in een zonsverduistering. In Stockholm werd de finale gespeeld van het wereldkampioenschap en Ajax speelde thuis tegen GVAV. Op straat hadden we een voetbalclub en ik had maar één schijnbeweging in huis. Ik had hem van Pele. Garincha, Didi en Vava deden voor mij niet mee. En opeens wàs ik Pele op weg naar het Ajaxstadion. N.O.A.D had de mooiste naam: ‘Nooit Ophouden Altijd Doorspelen’ betekenden de letters. Als je maar door blijft lopen kom je altijd weer thuis. De aarde is rond nietwaar. ‘Op de stoep blijven en niet oversteken’, hoorde ik nog zeggen. Ik kende het trottoir als de blauwe plekken op mijn knieën. David deed het met een slinger en Klein Duimpje met steentjes. Gekke Kees was de enige die me bang kon maken.

Witte pijlen volgden het spoor terug toen ik over de Kruislaan en de Middenweg naar Betondorp liep. De tijd liep met me mee, de aarde stond stil en de woorden hadden kleuren. In de verte klonk een stem uit de luidspreker: ‘Goedenmiddag dames en heren en welkom in het Ajaxstadion. Hier volgen de opstellingen zoals vermeld staan in het programmablad Rood-Wit Thuis.’ Bij het eindpunt van lijn negen klom ik de Ringdijk op. Het Ajaxstadion verwijderde zich en voor ik de tunnel onder het spoor inging hoorde ik het eerste gejuich overgaan in gejoel. De bal was naast. Ik gooide een steentje vanaf de Ringdijk. Drie keer ketste het op het water tot ik de rimpels zag verwijdden in cirkels. Thuisgekomen zette ik de laatste pijl op de stoep. De cirkel was gesloten. De tijd liep door. Aankomst en vertrek vielen altijd samen op weg naar Betondorp. Er valt een gat in de dag.

Een ober rekent af op het Campo Santo in Siena. Op het Piazza Navona wordt een foto genomen. Er staat een bankje op het Place des Vosges. Op het Vrijthof klinkt muziek van Tina Turner. Het huis van Josephine Baker, ontworpen door Adolf Loos, is te koop op een bouwplaat. In Venetië valt een toren om op een schilderij. Het gaat regenen boven Angoulême en er valt een porseleinen stilte. Tussen Gent en Brugge hoor ik de noordenwind in een chanson van Brel. Het is Indian Summer in Manhattan. In de Dokkumer Ee drijft bij wijlen een kurk voorbij.

De woorden gaan vanzelf. Er klopt iets niet. Wat betekenen deze zinnen? Ze zijn niet ongrammaticaal en ook niet zinloos. Wat is er toch aan de hand met de klanken van een plaatsnaam? De in het duister hangende betekenis verwijst ergens naar, nergens naar of beide? Is het soms aangeslibd land dat nog niet is ingepolderd? Of zijn het wat schelpen en restanten van een wrak? Telkens weer verschijnen er beelden op het scherm van mijn computer. Droom ik? Ik kijk in de spiegel. Twee starende ogen zie ik. Ik kijk om me heen en sla de handen voor mijn ogen. Overal en nergens ben ik. Ik val in een stroom. De tijd is vloeibaar en stroomt.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)