God en de wrede natuur

‘Zou de wetenschap ooit kunnen bewijzen dat de wereld, waar we in leven, de beste van alle mogelijke werelden is?’ Dat was mijn vraag die ik donderdagavond stelde in het programma Hoe?Zo Radio. De vraag werd vrijdagavond voorgelegd aan Gerard ’t Hooft, theoretisch natuurkundige en Nobelprijswinnaar. Hij vatte de vraag op als een puur natuurwetenschappelijke kwestie, waar de wetenschap in feite nog geen antwoord op heeft, of überhaupt antwoord op kan geven. Daarna kwam een kort exposé over kosmologie, de oerknal en de snaartheorie, maar ook over de varianten van natuurwetten die van begin af aan mogelijk waren. Waarschijnlijk doelde hij hiermee op de arbitraire waarden van de natuurconstanten (zoals bijvoorbeeld de zwaartekrachtconstante).

Hij meende zelf, dat dit scala van mogelijkheden bij het ontstaan van het heelal weliswaar variabel was, maar waarschijnlijk noodwendig beperkt is geweest en niet oneindig variabel. Al met al impliceerde zijn antwoord, dat er meerdere werelden (universa) mogelijk zijn geweest, waarbij hij in het midden liet of er ook ‘betere’ werelden (universa) mogelijk waren, een wereld zonder het kwaad bijvoorbeeld. Nu is ‘het kwaad’ natuurlijk een categorie die in de natuur zelf niet voorkomt. Toch zou het denkbaar zijn dat er een universum was ontstaan (c.q door God bedacht of geschapen), waarin het allemaal wat vredelievender of vriendelijker toe zou gaan.

Waarom ontstond er geen wereld zonder catastrofes, stervende sterren, botsende planeten, inslaande meteorieten, uitstervende diersoorten en voortwoekerende kankergezwellen die een mens een ondraaglijk lijden kunnen bezorgen? Was er ook een wereld denkbaar geweest zonder de mogelijkheid van een Nero, Hitler, Saddam Hussein, Bin Laden of Mladic? Dat is natuurlijk geen vraag waar een theoretisch natuurkundige wakker van ligt. Ik had overigens niet de indruk dat Gerard ‘t Hooft zich bewust was van de filosofische en theologische implicaties van mijn vraag (de theodicee van Leibniz), maar in vijf minuten kon je ook niet veel meer verwachten.

De natuur is amoreel. Sterker nog, er gebeuren de meest verschrikkelijke dingen alsof dat allemaal heel gewoon is. De bioloog Stephen Jay Gould heeft eens een verhaal geschreven over de sluipwespen, de zogeheten ‘ichneumon‘. Het is niet één bepaald dier, maar een familie van enkele honderden soorten, waar ook Darwin over geschreven heeft. Sluipwespen hebben de gruwelijke gewoonte om een rups eerst totaal te verlammen 
en vervolgens hun eitjes in het levende vlees van de rups te leggen, zodat er voldoende voorraad proviand is voor het hun jonge nageslacht. Als de larven van de sluipwesp 
uitkomen eten zij de levende rups van binnen uit langzaam op. Hoe bedenk je zoiets?

Gould verwijst ook naar een andere horrorstory van Darwin, die op plastische wijze beschrijft hoe een krekel wreed wordt opgevreten door een larve: ‘Men kan zien dat de krekel, diep gestoken, tevergeefs zijn voelsprie
ten beweegt, zijn lege kaken opent en sluit, en zelfs een poot beweegt, maar de larve is veilig en doorzoekt straffeloos zijn vitale delen. Wat een afschuwelijke nachtmerrie voor de verlamde krekel! ‘ Tja, zo is de natuur. Is het niet wonderbaar? Kom, we gaan er op uit! We hebben de geiten wollen sokken al aan, Jo met de banjo en Mien met de bandolien.

Je kunt de natuur dus moeilijk als een ethische basis nemen voor het menselijk handelen. Het omgekeerde is ook lastig. Je zou kunnen beweren dat de moraal van de mens een natuurlijke intuïtie is waarmee hij zich verzet tegen de wrede natuur. De moraal zou dan een soort humaan correctiemechanisme zijn op de onverschillige evolutie die maar zijn gang gaat en de meest verschrikkelijke dingen laat gebeuren. Maar kun je dit soort uiteenlopende zaken zomaar met elkaar verbinden? In zijn boek God en Darwin (1999) pleit Gould om voortaan te spreken over twee magisteria die elkaar niet overlappen. Dat is de wet van NOMA, dat wil zeggen: Niet Overlappende MAgisteria.

Het ene is het magisterium van de natuurwetenschap, het andere dat van de religie en de moraal. Het valt me op, dat veel wetenschappers klakkeloos uitgaan van het reductionistische paradigma als fundament van ons wereldbeeld. Maar de wetenschap heeft volgens Gould een eigen en beperkt magisterium, d.w.z.: een eigen terrein, waar een eigen leergezag geldt. Het idee dat er sprake zou zijn van twee elkaar niet overlappende magisteria wordt door veel wetenschappers niet in acht genomen of bij voorbaat als onwetenschappelijk terzijde geschoven. De evolutieleer van Darwin wordt dan als bewijs gezien voor de onmogelijkheid van een Schepper, laat staan van een goede God. Alles draait vanzelf in de natuur, op goed geluk, en bovendien vaak op een gruwelijke manier. Sterker nog, de evolutieleer is het prototype voor de meest verschrikkelijke theorieën: de rassenleer, de eugenetica, het antisemitisme, het fascisme en het nationaal-socialisme. De natuur leert ons het recht van de sterkste, of op zijn minst het recht van van de meest geschikte: the survival of the fittest.

Maar ook Darwin ging volgens Gould uit van NOMA: twee gescheiden magisteria dus, hoewel dat vaak verkeerd is begrepen. Sinds Darwin zou het idee van een God op zijn retour zijn. Nog altijd wordt Darwin door veel atheïsten beschouwd als degene die heeft aangetoond dat de evolutietheorie niet met de christelijke religie te rijmen valt. Dat is een groot misverstand, volgens Gould. Ook het omgekeerde is niet waar, als zou het christendom de evolutietheorie altijd hebben ontkend. Paus Pius XII was in zijn encycliek Humani generis (1950) weliswaar niet erg enthousiast voor het basisidee van de evolutie, maar als hypothese kon het ermee door, als de goddelijke inplanting van de ziel maar intact bleef.

Paus Johannes Paulus II daarentegen heeft in 1996 ruiterlijk erkend, dat de bewijzen voor de evolutieleer eigenlijk niet te weerleggen zijn. Ook bij deze pauselijke redenering werd uitgegaan van NOMA. Volgens Gould is het de grondgedachte van NOMA dat de natuur is wat zij is. De natuur kan per 
definitie geen antwoord geven op religieuze vragen over God en moraal. De natuur is voor de mens als een koud bad. Maar liever een koud dan een verstikkende warme omhelzing, aldus Gould. Het is niet de taak van de wetenschap om de basis van de moraal in de natuur op te zoeken. Dat is de taak van alle mensen, maar de wetenschap kan ons daarbij niet helpen.

Er zijn redenen te bedenken waarom de mens toch een moreel wezen is, terwijl te natuur niet het goede voorbeeld geeft. Ten eerste een praktische reden. Anders zouden we elkaar uitmoorden en dat gebeurt al vaak genoeg in de wereld. Bovendien biedt de moraal een win-win-situatie. Als je een ander niet aan doet, wat je ook niet wilt dat een ander jou aandoet, dan heb je daar beiden baat bij. Gould neigt ertoe om alles wat de natuur oplevert te beschouwen als voortgekomen uit wetten met een 
vooropgezette bedoeling, waarbij de details in de uitwerking –  goed of slecht – worden 
overgelaten aan de werking van wat wij toeval mogen noemen. De natuur conformeert zich niet aan onze wensen van warmte en behaaglijkheid, maar ook niet aan het andere uiterste: de natuur is niet één en al kommer en kwel.

Al met al kun je concluderen dat de God – als hij bestaat – het ook anders had kunnen doen, toen hij de wereld schiep. Er waren meerdere mogelijkheden die binnen de beperkingen van de natuurwetten voorhanden waren. Sterker nog, er lag een hele set van natuurwetten klaar. Niet oneindig veel, maar een beperkt aantal. Dat is wat ik begreep uit het antwoord van Gerard van ‘t Hooft. Het had dus ook anders gekund. Misschien minder wreed. Misschien zelfs zonder alles wat wij als ‘het kwaad’ aanduiden. Een betere wereld dan deze was  wellicht mogelijk geweest, zo lijkt het . Het kan natuurlijk ook zo zijn, dat het allemaal nog veel erger had gekund. Misschien zijn er parallelle universa, waar wij geen weet van hebben, werelden die een waar inferno zijn en die zelfs door Dante met geen pen te beschrijven zouden zijn. Maar zeker weten doen we dat niet. Er is in ieder geval geen aanleiding om te veronderstellen dat dit de best mogelijke van alle mogelijke werelden is.

Daarmee is – lijkt mij – de theodicee van Leibniz van tafel. We kunnen niet bewijzen dat dit de beste van alle mogelijke werelden is. De wetenschap kan dus geen nieuwe rechtvaardiging leveren voor de almachtige God – als hij al bestaat – die de wereld schiep waarin wij leven. Er is geen excuus voor God voor de rotzooi die hij heeft achtergelaten. ‘Ook het kwaad komt uit God’, zou Gerard Reve zeggen. Maar misschien is het wel zo – zoals Reve in zijn roman Bezorgde ouders (1988) liet blijken – dat God op het punt staat om voorgoed uit de wereld te verdwijnen of zich al uit de wereld heeft teruggetrokken. Misschien vindt God zelf achteraf ook wel, dat het beter had gekund. Dit is niks.

Kop op God! Je kunt toch opnieuw beginnen. Moedig voorwaarts!

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)