De toekomst van de islam

In de nacht van 24 april 1944 werd een voormalig Jezuïetencollege in Berlijn gebombardeerd door de British Airforce. In dit gebouw was The Bavarian Academy of Science gevestigd, een instituut waar zich op dat moment een uniek foto-archief bevond van historische manuscripten. Dat waren historische handschriften van de Koran, die een ander licht zouden werpen op het ontstaan van dit heilige boek. Hoe de Koran precies is ontstaan is nog altijd enigszins in nevelen gehuld. Er zijn geleerden die er vanuit gaan dat christelijke hymnen en teksten van kerkvaders als Basilides als prototype voor de moedertekst van de Koran hebben gediend. Voor moslims is dit soort gedachten een gruwel.

De Koran is voor hen immers een directe openbaring van Allah. Er kunnen dus per definitie ook geen meerdere bronnen van de Koran bestaan. De Koran is letterlijk het heiligste der heilige. Wat de figuur van Christus is voor de christenen is het boek ‘de Koran’ voor de moslims. Anders dan de Bijbel is de Koran letterlijk de belichaming van de openbaring. Het woord is vlees geworden in de Koran, zo zou je kunnen zeggen. De Koran is voor de moslims zoiets als een geïncarneerde godheid, waarin Allah onmiddellijk – overal en altijd – spreekt tot de mensheid. Maar Allah spreekt natuurlijk maar met één mond. Het bestaan van een alternatieve historische bron van de Koran moet dan ook uit alle macht ontkend worden. Als er iets is wat dit tegenspreekt, dan houden we dat onder de pet of we vernietigen het, zo luidt het devies van de imams en ayatollahs’s.

In 2008 verscheen een artikel in The Wall Street Journal waarin Andrew Higgins beweerde dat het Koran–archief helemaal niet met het bombardement in 1944 verloren is gegaan, maar ruim zestig jaar lang bewaard is gebleven en inmiddels intensief bestudeerd is door Koran-geleerden. Zo wordt onder meer beweerd dat de Nazi’s destijds het bestaan van het Koran-archief in Berlijn geheim wilden houden. De Nazi’s hadden immers een pact gesloten met de moslims, omdat beiden belang hadden bij de bevordering van het antisemitisme.

In de Islamitische leer is God (Allah) absoluut transcendent en trekt zich ook niets aan van de natuurwetten. De Islam is daarom een fatalistische religie die een irrationele kern bevat. ‘In-sjallah’ (‘Als God het wil’) zeggen de moslims bij elke gelegenheid tegen elkaar. De christelijke God daarentegen is een persoonlijke God. Hij is een ‘wezen’ en een ‘persoonlijkheid’ die zich openbaart in liefde en een wereld heeft geschapen die de mens met zijn verstand kan begrijpen. Augustinus heeft zich niets voor niets afgewend van het obscurantisme van de late oudheid en een God gepredikt die niet strijdig is met de menselijke ratio.

Op 7 september 2002, verscheen een artikel van mij op de opiniepagina van De Volkskrant onder de titel ‘De Islam heeft geen Kuitert nodig’. Ik reageerde daarmee op een discussie, die was ontstaan in de Nederlandse media, naar aanleiding van een uitspraak van Ayaan Hirsi Ali dat moslims de Koran beter ‘als een sprookjesboek’ konden lezen. Dat was koren op de molen van een fundamentalistisch rationalist als Jan Blokker. Hij vergeleek de onwil van de moslims om hun heilige boek te relativeren en aan historisch onderzoek te onderwerpen met de grote veranderingen die de Bijbel als heilig boek in het westen heeft ondergaan. Niet alleen het ad fontes van de Humanisten, maar ook het historisch en filologisch onderzoek sinds de negentiende eeuw heeft de tekst van de Bijbel in een ander licht geplaatst. Sommige christenen kunnen tegenwoordig de Bijbel zelfs gewoon lezen als een vorm van literatuur. De theoloog Kuitert is uiteindelijk ook op dat punt beland in zijn jarenlange ontmythologiseringproces. Vandaar de stelling van Blokker destijds: de Islam heeft een Kuitert nodig, een stelling waar ik het niet mee eens was. Zo schreef ik destijds het volgende:

‘Kuitert loopt allerminst voorop, maar fungeert eerder als hekkensluiter. Al in 1947 pleitte Simon Vestdijk in zijn boek De toekomst der religie voor een waardig afscheid van het christendom. Wie te snel van wereldbeeld wisselt kan van een koude kermis thuiskomen. Dan ontstaat een soort religieuze caissonziekte, een overhaaste ontstijging aan de godsdienstige grondwaarden van de beschaving. Bij hedendaagse columnisten uit deze caissonziekte zich soms in misplaatst dédain voor alles wat met religie van doen heeft. Zwagerman, en vooral Blokker, geven daar blijk van.’

In tal van opzichten is Vestdijk’s De toekomst der religie een boek dat niet meer bij de tijd is. De kritiek op de metafysische projectie van het christendom doet geen recht aan de naoorlogse pogingen op de christelijke overlevering op een meer wereldse wijze te interpreteren. Anderzijds loopt het betoog van Vestdijk daar in zekere zin wel op vooruit. Zijn betoog leunt zwaar op de vooroorlogse cultuurpsychologie met al zin misvattingen over ras, type, karakter en het primaat van de man. Nog afgezien van het optimistische vooruitgangsdenken dat destijds nog eeuwen kon overspannen. Vestdijk kon ook niet voorzien dat er in 1979 een islamitische revolutie zou uitbreken in Teheran, laat staan dat islamitische extremisten op 11 september 2001 met gekaapte vliegtuigen een aanval zouden uitvoeren op Amerika.

Op mondiaal niveau bezien keerde de religie terug in de jaren tachtig en zelfs het geseculariseerde Nederland maakte God opnieuw zijn opwachting, om te beginnen in de literatuur. Al in 1979 zag W.F. Hermans in, dat Vestdijk ongelijk had gehad met zijn voorspelling dat de projecterende religies stilaan zouden verdwijnen omdat ze voor de mensheid te gevaarlijk zouden zijn. In een artikel in de NRC over Nietzsche, dat vier jaar later werd opgenomen in de bundel Klaas kwam niet (1983), wees hij opmerkelijke revival van deze goddeloze filosoof, wiens boeken in de jaren zeventig niet waren aan te slepen en vrijwel allemaal in het Nederlands werden vertaald. Deze opmerkelijke Nietzsche-revival was volgens Hermans vooral te danken aan de ‘vrij recent met het geweld van een lawine opgetreden geloofsafval onder katholieken’. Maar met een lucide gevoel voor de tijdgeest stelde hij tegelijkertijd vast dat God nog lang niet dood was:

‘‘t Christendom is helemaal niet verdwenen. En, wat nog minder verdwenen is dan het christendom, dat 
is de islam. Als er al een voorspelling gedaan kan worden, dan zijn het 
niet Nietzsche’s ‘vrije geesten’ die het eerstdaags voor het 
zeggen krijgen. Ook de Uebermensch zal niet veel meer van 
zich laten horen. ’t Ziet er nog eerder naar uit dat we een nieuwe periode van 
Kruistochten tegemoet gaan en dat iedereen die christen is, 
christen is geweest, of als christen zal worden gedoodverfd 
omdat hij minstens drie als lidmaat van enige christelijke 
kerk ingeschreven grootouders heeft, het christelijke zwaard
ter hand zal moeten nemen uit zelfbehoud.’

En toch, vervang in Vestdijks Toekomst der religie het woord ‘christendom’ door ‘islam’ en nog heel wat passages van dit half vergeten boek zijn opnieuw actueel. Wie Vestdijks gedachten naar onze tijd verplaatst kan moslims niet anders dan een traag en waardig afscheid van hun eigen ‘projecterende religie’ toewensen. Een te snel geseculariseerde samenleving kan een injectie van een premoderne religie nog best gebruiken. Als een mammoet die nog in leven is, zo moet niet alleen het traditionele christendom, maar ook de islam gekoesterd worden. Ze mogen nog lang in vrijheid voortleven, ook al zijn hun dagen geteld, met als enige beperking dat ze ook andermans vrijheid respecteren.

Een waardig afscheid kent geen verachting, ook geen uitvlucht of laatste houvast. Toch zal ‘het verlangen naar grote woorden’, dat diep in de mens verankerd ligt, zelfs na het laatste afscheid blijven bestaan. Het is zaak om voor dat oude verlangen nieuwe woorden te vinden. Woorden die toestanden willen veranderen, zonder van mensen iets anders te maken dan zij zijn. Zo niet, dan dreigt telkens weer het gevaar, dat oude woorden met grof geweld in ere worden hersteld. De religie heeft – zoals Vestdijk voorspelde – wel degelijk een toekomst, ook al is dat wellicht een toekomst zonder religie waarin God, Jaweh of Allah een geprojecteerde illusie is, laat staan een religie met een heilig boek dat zonder menselijke tussenkomst een onomstootbare waarheid verkondigt.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)