Van je Amen en je Gloria joechee

Heel af toe heb ik er moeite mee dat ik rechtop loop. Dan zie ik de wereld alsof hij een kwart slag is gedraaid. Ik loop niet over een horizontaal vlak, maar omhoog, zoals je op een muur naar boven zou lopen. Het vreemde is dat ik die ervaring om sommige plekken in de stad sterker heb dan elders. Als ik bijvoorbeeld door de Bagijnestraat in Leeuwarden loop, kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat ik horizontaal in de ruimte hang. Als ik dan naar mijn voeten kijk, dan zie ik ze vóór me, niet onder me. Eigenlijk kan niemand mij ervan overtuigen, dat het anders in elkaar zit. Het gegeven dat de grond beneden zit en niet van voren, berust op een onderlinge afspraak die in de taal is vastgelegd, niet op een harde bewijsvoering op grond van de logica.

Het is kennelijk ook wat makkelijker om net te doen of de grond onder je voeten zit en niet vóór je voeten. Zodra je ervan uitgaat dat de grond vóór je voeten zit, dan wordt alles een beetje verwarrend. Ons hele denken is op dit talige coördinatenstelsel van ‘boven’ en ‘onder’ gebaseerd. Onder is slecht. Boven is goed. Als de grond vóór mijn voeten zou zitten, dan loop ik altijd naar boven. Het zou dan steeds beter met mij gaan. Totdat ik misschien zou gaan vliegen. Dat is waarschijnlijk iets teveel van het goede. Ik zou overvallen worden door een diep verlangen om gewoon weer met mijn voeten op de grond te komen. Dat wil zeggen: op de grond onder mijn voeten.

En toch, dit alles is maar betrekkelijk. Er bestaan brillen die de wereld letterlijk op zijn kop zetten. Als je een paar dagen zo’n bril ophoudt, dan corrigeren je hersenen de omkering. Op een gegeven moment staat alles weer normaal op de grond. Dan moet je die bril natuurlijk wel ophouden, anders begint alles weer van voren af aan. Eigenlijk is de taal ook zo’n bril. De taal kun je niet ‘afzetten’. Stel dat je de taal als een bril kon afzetten. De wereld zou compleet op zijn kop staan.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)