Levenskunst na de dood van God

‘O mon âme, n’aspire pas à la vie immortelle, mais épuise le champ du possible!’ (‘O mijn ziel, streef niet naar onsterfelijkheid, maar put het veld der mogelijkheden uit.’) Met deze uitspraak van Pindarus opent Albert Camus zijn boek De mythe van Sisyphus (1942). De laatste zin van dit boek is iets korter: ‘Il faut imaginer Sisyphe heureux.’ Vrij vertaald”: Het is de opdracht voor de moderne mens om uit te vinden wat het betekent een gelukkige Sisyphus te zijn. Die opdracht had Camus zichzelf gesteld. Hoe kun je gelukkig leven, als je weet dat het leven geen zin heeft, dat het absurd is? Het bestaan is een absurditeit, en toch zul je er het beste van moeten maken. Levenskunst heet dat. Het is de kunst te leven in tijden van zinloosheid. Er is geen doel meer of een bestemming waar je het leven op kunt richten. Er is geen hiernamaals meer. Geen hemel of hel. Er is geen God die ons nog kan redden. We zullen het zelf moeten doen. De kunst van het leven zal al levend geleerd moeten worden. De les van het leven ligt in het leven zelf besloten. C’est la vie.

Dat is de condition humaine sinds de dood van God. Of zoals Arnon Grunberg het van de week op de voorpagina van de Volkskrant fijntjes wist uit te drukken: ‘In vroeger tijden werd na een tragedie als die in Alphen aan de Rijn gewezen op de ondoorgrondelijke bedoelingen van God. Nu God in onze contreien geen rol van betekenis meer spelt moeten andere schuldigen worden aangewezen.’ Levenskunst na de dood van God, dat is waar het om gaat. Hoe ga je om met een ramp, met het kwaad in de wereld? Maar belangrijker nog, hoe ga je om met het leven, als er geen God meer is? Waarom zou je dan nog kiezen voor het goede? Kun je dan niet veel beter kiezen voor jezelf? Ieder voor zich en God voor niemand, want die is er niet meer. Dat is de verleiding van het neoliberalisme, waar de filosofie van de levenskunst krampachtig een antwoord op wil vinden, nu er geen hemels baldakijn meer is, geen boven- of achterwereld, waar de waarheid voor de eeuwigheid vast ligt.

Plato had de wijsheid en de waarheid gefundeerd in de liefde. De liefde streeft ernaar om zichzelf in het denken zichtbaar te maken. Dat was het fundament van de filosofie. Letterlijk: de liefde tot de waarheid. De liefde was volgens Plato het verlangen om door de schijn van de wereld heen te breken en zo een verhouding tot de waarheid te vinden, de waarheid die daar achter ligt.  Kom daar vandaag nog eens om. We hebben alleen nog het het leven zelf. Levenskunst is een tautologie geworden. Het is de kunst om het leven te destilleren uit het leven zelf, alsof ‘het leven zelf’ een kunst op zichzelf is. Het leven is geen kunst, en levenskunst al helemaal niet. Levenskunst, die de kunst afkijkt van het leven zelf, eindigt vroeg of laat in een vicieuze cirkel. Het is een alibi voor narcisme, dat overigens wel de basis vormt van elke vorm van liefde. Liefde begint bij eigenliefde, daar helpt geen lieve moeder aan. Maar liefde ontstaat pas echt, als liefde aan de eigenliefde weet te ontsnappen.

Het christendom kon het primaire narcisme tot op zekere hoogte nog legitimeren. De liefhebbende God garandeerde in feite de ruimte voor de amor sui, de liefde voor zichzelf. Bernardus van Clairvaux onderscheidde vier lagen van de liefde. De eerste was de zelf-liefde, daarna kwam de liefde tot God en de medemens omwille van zichzelf, als derde: de liefde tot God omwille van God, en tenslotte: de zelf-liefde omwille van God. Dankzij God kreeg de liefde dus het recht om zich terug te buigen tot zichzelf. Het primaire narcisme was niet alleen de bestaansvoorwaarde voor de liefde als zodanig, maar ook haar eindbestemming vanuit het perspectief van God. Dat goddelijke perspectief kon de mens zich toe-eigenen in de staat van liefde die onvoorwaardelijk en grenzeloos wordt.

Zo werd de onvoorwaardelijke liefde een perpetuum mobile in het oneindige grensverkeer tussen God en mens. Of in de woorden van Bernardus: ‘De reden om God lief te hebben, is God. De juiste mate, is hem mateloos lief te hebben.’ Zo bood het christendom de mens in feite de mogelijkheid om een ‘gelukkige Narcissus’ te worden in de paulinische ruimte van de tijd. De liefde werd circulair in zijn oriëntatie op God. Met het vervluchtigen van het mythische christendom in de tijd van de secularisatie is de polaire oerstructuur van de psychische ruimte opnieuw bloot komen te liggen. De gelukkige Narcissus is na de dood van God op drift geraakt. Hij werd een tragische held, een Sisyphus die alles in het werk stelt om zich in zijn lot te schikken, maar zijn bestemming nooit zal bereiken. ‘

‘Jij gaat pas leven als de camera loopt.’ “Why would you say something, when it is off-camera?‘ Die dodelijke opmerking plaatste Warren Beatty tegenover Madonna, nota bene terwijl de camera liep. De scène is te zien in de documentaire In bed with Madonna (1991), waarin zij een kijkje geeft achter de schermen van een tournee. Voor Madonna biedt de camera de toegang tot ‘het echte leven’. Het echte leven is voor haar de tijd dat je in beeld bent, gezien wordt. Het leven zelf is ‘gezien worden’: ‘esse est percipi.’ Er is geen ander doel. Het enige doel in het leven is de alomtegenwoordige zichtbaarheid die de media te bieden hebben. Dat is het doel waar de levenskunst in uitmondt, als het leven zelf als leerschool van de levenskunst wordt opgevat. Zo ontstaat een levenskunst zonder een focus buiten het leven zelf. Zo ontstaat het leven dat de transcendentie is kwijtgeraakt en het doel alleen nog kan vinden in de stroom van de tijd die eindig is, maar oneindig voor wie de kunst verstaat om er volledig in op te gaan. Anders gezegd: de kunst om de optimale zichtbaarheid te bereiken in de tragedie van de eindigheid. De moderne levenskunst is een kunstvorm zonder doel. Het is een kunst die niet alleen is los gezongen van de theologie, maar vooral ook van de teleologie.

Levenskunst na de dood van God richt zich op de tijd, toen het christendom er nog niet was. Dat was de tijd die nog in cirkels rondliep, een tijd die nog niet vooruitwees naar een geluk in een verre toekomst buiten dit leven. Ook het christendom zocht de waarheid, maar die waarheid kon je alleen vinden door het denken te zuiveren van de lust. Een gelukkig leven op deze wereld was voor een christen alleen weggelegd voor wie in het licht van de Heilige Geest de ware wijsheid leerde kennen en door Hem de de hoogste maat, dat wil zeggen: God. Dat was het doel van de christelijke levenskunst. Maar was dat zoveel anders? Ook de klassieke levenskunst kende een doel buiten zichzelf. Dat was een doel dat het unieke karakter van het leven zelf oversteeg. Het doel van de klassieke levenskunst lag niet alleen in de stroom van de tijd, maar ook in iets dat aan de tijd wist te ontsnappen. Het was een levenskunst, die de waarheid niet alleen zuivert uit het denken zelf, maar ook voortbrengt door sober te leven. Of zoals Michel Foucault het formuleert in in zijn boek Het gebruik van de lust (1984):

‘Andere verschillen ten slotte hebben betrekking op wat de teleologie van het morele subject genoemd zou kunnen worden; moreel is 
een handeling immers niet alleen als ze op zichzelf staat en uniek is, 
ze is dat ook door haar invoeging en de plaats die ze bezet in een 
geheel van gedragingen; ze vormt een element en een aspect van dit 
gedrag en duidt een fase en eventuele vooruitgang in de continuïteit 
ervan aan. Een morele handeling beoogt haar eigen vervulling en 
door middel daarvan bovendien de vorming van een moreel gedrag 
dat het individu niet gewoon tot handelingen brengt die steeds met 
waarden en regels in overeenstemming zijn, maar ook met een bepaalde, voor het morele subject kenmerkende zijnswijze.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)