Internet en transcendentie
‘Iedereen is een betere versie van zichzelf op Facebook. Megan 2.0 is altijd grappig, staat goed op foto’s, is boter-geil, succesvol en vriendelijk. Digitale intimiteit is ‘echt’ voor zover we fysieke reacties ervaren die ook bij real life-intimiteit horen. Het probleem is dat het echte leven steeds bleker afsteekt bij de ideale voorstellingen die we in ons hoofd hebben. Catfish is een tragische film die dat pijnlijk duidelijk maakt. Dat roept ook de vraag op: hoe goed ken je je ‘echte vrienden’ eigenlijk? Van wie weet je dat ze online dubbellevens leiden, dat ze fantasieën koesteren waar hun echtgeno(o)t(e) niets van weet, dat ze het net afstruinen op zoek naar digitale intimiteit en bevestiging? Facebook biedt dagelijks bevestiging dat je bestaat en erkenning dat je er mag zijn. Maar hoe meer online, hoe meer te voor je omgeving een antisociaal persoon wordt. Terwijl je met anderen op stap bent, zit je stiekem op Facebook te koekeloeren. Thuis nog even achter de computer. Tijdens een bijeenkomst alvast foto’s maken voor straks op Facebook. Mensen kunnen een week zonder seks. Een week zonder televisie. Maar zonder internet? Zonder Facebook?’
Aldus Stine Jensen in haar essay Echte vrienden. Ze verwijst hierbij naar de film Catfish die vorig jaar in première ging. De film gaat over het maken van een documentaire, maar is in feite een verhaal over een identiteitsverwisseling op Facebook. Echt en onecht lopen in deze film voortdurend door elkaar heen. Op het einde wordt je zelfs in het ongewisse gelaten of de documentaire die in de maak was nu echt was of ook fake. Hoe dan ook, de film roept vragen over met wie je te maken hebt op internet. Als je een nieuw profiel aanmaakt op Facebook kun je ook voorwenden een ander te zijn. Een gefotoshopte foto is genoeg. Niemand controleert wie je werkelijk bent. Je weet dus nooit wie er achter dat masker schuilgaat. Zoals u ook niet zeker weet of ik het ben die deze tekst geschreven heeft.
De foto van mijzelf boven dit weblog kan een montage zijn. Misschien bestaat Huub Mous helemaal niet. De sociale media worden steeds belangrijker, maar we weren niet met wie we communiceren. De virtuele wereld van internet is in feite een schijnwereld. Het is een virtuele ruimte die mogelijk even imaginair als onze eigen fantasiewereld. Door internet rijgen een infuus van informatie. Tegelijk verkommert ons gevoel voor de werkelijkheid. We verdwalen in een ruimte waarvan we de coördinaten niet eens kennen. Het internet is de ruimte van een eindeloos universum die ons achter zou moeten laten in een staat van verbijstering, maar het tegendeel is het geval. De wereld is allang niet meer ‘alles wat het geval is’, maar we vinden het heel gewoon.
‘Groot is het vermogen dat mijn geheugen is, geweldig groot, mijn God. Een weidse onbegrensde ruimte is het. Wie is tot op zijn grond gekomen? En dit vermogen is een vermogen van mijn geest en behoort tot mijn natuur, en ikzelf vat niet alles wat ik ben. Dl! geest is dus te beperkt om zich zelf te vatten. Maar wat zou het dan zijn datgene wat hij van zich zelf niet vat? Zou het soms buiten hem zijn en niet in hem? Hoe komt het dan, dat hij het niet vat? Verbazing bevangt mij daarover. Diepe verbazing. Verbijstering vat mij aan!’
Deze woorden zijn niet van mij, maar van Augustinus. Ze werden zestien eeuwen geleden door hem op papier gezet. Gisteravond zweefden ze ergens rond tussen mijn grijze cellen en staken heel eventjes de kop op in de vage gedaante van een herinnering die zomaar opkwam in mijn brein. Bij de opening van de Documenta in KasseI in 1977 liet de oervader van de videokunst, Nam June Paik, de genodigden een hele avond in het ongewisse liet over zijn komst, terwijl van alle kanten drank en spijzen in overvloed werden aangedragen. Het pandemonium dat zo ontstond, vol felle debatten en dronkenmanspraat van kunstkenners, kunstenaars en ieder die daarbij wilde horen, bleek bij nader inzien onderdeel te vormen van het kunstwerk zelf.
Pas in de kleine uurtjes, toen de meeste gasten vertrokken waren, verscheen de kunstenaar op het toneel vergezeld van zijn onafscheidelijke assistente, die vrijwel naakt en alleen getooid met een BH van videomonitor een sonate van Bach speelde op de rug van de kunstenaar. Beiden waren die avond aanwezig en afwezig tegelijk. Ze waren er maar tegelijk ook niet. Je kon ze aanraken, maar ook op de BH’s:’ beeldschermen zien. Videokunst, zo leek Paik te willen aantonen, roept diepgaande vragen op over de esthetica van de unieke aanwezigheid.
De aura van kunstwerk met zijn onvervreemdbare presentie in het hier en nu is met de uitvinding van de videocamera in een klap om zeep geholpen. Videokunst markeert een onomkeerbare stap in de ontwikkeling van de kunst. Alles is kunst, als een kunstenaar maar zegt dat het zo is, dat had Duchamp al beweerd. Nam June Paik echter liet zien dat zodra een kunstenaar een videocamera laat draaien, kunst fundamenteel van gedaante verandert. De kunstenaar is dan niet langer meer de verzender van een boodschap. Het medium zelf is de boodschap geworden, en niet datgene wat we op het scherm als een boodschap van de kunstenaar te zien krijgen. Nieuwe media veranderen niet alleen de kunst, ze veranderen ook de werkelijkheid. Ze doen de grenzen tussen binnen en buiten vervagen. Ze doen ook de grenzen vervagen tussen lichaam en techniek. Hoe meer je nadenkt over media, hoe onontkoombaarder de conclusie wordt, dat in feite alles altijd al een medium was of zo niet nu is geworden.
Niet alleen elk kunstwerk, maar ook elke tentoonstelling van een kunstwerk. Niet alleen alle geschreven woorden op papier, maar ook het gedruis uit een mond dat je hoort als die woorden worden uitgesproken. Niet alleen een videocamera die een stukje werkelijkheid registreert, maar ook onze ogen die voortdurend beelden projecteren op het netvlies. Niet alleen een elektronisch netwerk van een computer, maar ook onze hersenen die zich middels de mediale beperkingen van zintuigen, zenuwbedrading en elektrochemische sluizen voorstellingen maken van de werke1ijkheid. Ons lichaam is in feite een gemediatiseerd apparaat om te kunnen overleven in iets wat wij werkelijkheid zijn gaan noemen. Die werkelijkheid is per definitie bemiddeld door media. Buiten media bestaat er niets. Het medium is echt, niet de illusie van reproductie die het oproept. Tussen netvlies en cortex is elk mens een mediakunstenaar.
Vanuit dit soort gedachten rondom de mediale openingsperformance van Paik, die tegelijk ook zijn kunstwerk was, kom je in bespiegelingen terecht over wat de werkelijkheid, die wi werkelijkheid noemen, nu in feite voorstelt. De woorden, die u nu leest heb ik gisteren al geschreven. Toen ik al schrijvend achter mijn computer zat, zag ik u in mijn verbeelding voor mij, zoals u nu deze tekst leest. Ik verbeeldde mij, dat u iets zou lezen wat nog niet eens op mijn scherm stond. En terwijl ik die gedachte tot mij door liet dringen, werd ik bevangen door een gevoel van verwondering over iets dat je misschien ‘de gelijktijdigheid van het ongelijktijdige’ kunt noemen. Ik zag de cursor op mijn beeldscherm vooruitspringen, letter voor letter, woord voor woord, zin voor zin, en zo iets ontstaan wat er nog niet was: een toekomstige tegenwoordigheid van iets wat in het hier en nu nog niet eens op mijn beeldscherm was verschenen.
En hoe meer ik mij een beeld probeerde te vormen van de wonderlijke ruimte die zich tussen die twee momenten van tegenwoordigheid moet uitstrekken, een uitgestrektheid die er nog niet is, als ik de woorden bedenk, en er niet meer is, als ik de woorden opschrijf, des te meer ik mij voelde aangetrokken tot de gedachte, dat die uitgestrektheid in feite niet bestaat. In een eindeloze spiegeling zag ik een beeld van mijzelf weg waaieren naar een denkbeeldig punt aan de horizon. Die ruimte tussen straks en nu – of tussen toen en nu – zo dacht ik bij mezelf is nu en straks misschien wel hetzelfde, dat wil zeggen: een fictie. Wie denkt u nu eigenlijk die ‘ik’ u voor u heeft op dit moment dat u dit leest? Ben ik het wel die achter deze woorden schuil gaat? Ben ik niet heel iemand anders? Wat is het verschil tussen ‘ik’ die ik deze woorden schrijf en het beeld van mijzelf dat ik gisteren voor mijn geestesoog zag verschijnen, als de ‘ik’ die u voor u zou zien als degene die deze tekst schreef.
Anders gezegd, was de Nam June Paik, die laat op de avond bij de Documenta in 1977 zowel in levende lijve als op de monitor van een videocircuit verscheen, niet het levende bewijs dat het onderscheid tussen presentatie en representatie in feite een fictie is? Maakt het voor u wat uit of dat beeld van de performance, zoals dat in mijn geheugen is blijven hangen, klopt met wat ik hier neerschrijf? Ben ik daar eigenlijk wel geweest bij die avond op de Documenta in 1977? Ben ‘ik’ het wel die zich dat herinnert? Hoe dan ook, die beelden blijven hetzelfde, zoals u ze voor ogen krijgt. Alleen het medium verandert. Wat ik gisteren bedacht wordt nu pas werkelijkheid en omgekeerd. Zodra die twee dingen gaan samenvallen, datgene wat je bedenkt en datgene wat je representeert, gaat er iets tollen in de werkelijkheid zelf. Je ziet dan een eindeloze verdubbeling van twee spiegels, zoals een beeld op de monitor in een tunnel-vormige spiegeling weg waaiert, als je de camera richt op het beeld van de monitor.
Misschien biedt internet wel het ideale surrogaat voor ons verlangen naar transcendentie. Dat begrip ‘transcendentie’ lijkt voor de hedendaagse filosofen niet meer te bestaan. De filosofie is immers opnieuw begonnen bij Nietzsche, bij de dood van God. Ons verlangen naar transcendentie, als het nog zou bestaan, is voor de hedendaagse filosoof een in-authentiek verlangen. Transcendentie is onecht, het is fake. Het ‘echte leven’ is immers hier en nu. Het speelt zich af binnen deze wereld, binnen dit lichaam, binnen dit brein, binnen de tijd die mij in dit leven gegeven is. Levenskunst is de kunst van het leven in het hier en nu. Maar internet herinnert ons aan de aloude gewaarwording dat het hier en nu een fictie is. In zijn boek Filosofie van de levenskunst wijdt Wilhelm Schmid welgeteld één alinea aan het verlangen naar transcendentie. Eén alinea! Alsof het gaat om het een vergeten kwestie die misschien toch nog van belang zou kunnen zijn. Zo stelt hij:
‘Eén aspect van de gezondheid als levenskunst dat daar nog bovenuit gaat en een aparte bespreking zou verdienen, is de kwestie van in de relatie tot een dimensie van transcendentie. Misschien is het immers nutteloos om gezondheid te verkrijgen in de uitgebreide betekenis, die ook ziekte omvat, als zo’n relatie daar niet de basis voor vormt. Maar hoe je die relatie zou kunnen krijgen zonder je toevlucht te nemen tot duistere traditionele heilsvoorstellingen, dat is de vraag. De grondgedachte van de optativiteit zou behouden moeten blijven om niet terug te vallen op een normativiteit die haar eisen zou stellen vanuit het postulaat van een twijfelachtige ‘waarheid’. Waarschijnlijk is er een onvoorwaardelijk, nuchter herstel van de religiositeit voor nodig om beter te kunnen begrijpen wat de relatie tot een transcendentie nog kan zijn: een opgave voor de 21ste eeuw, die ons misschien opnieuw met het probleem confronteert van de fundamentele, niet op te heffen tragiek, die ons in de armen van de vraag naar het ‘metafysische heil’ zou kunnen drijven.’

zhuang zi
5 april 2011 op 08:48
Zeg zz, waar zijn de maskers?
De Lachende Theoloog
6 april 2011 op 18:30
” Wij mensen zien wat we aankunnen. De wereld is ingewikkelder dan onze hersenen snappen, maar ons verstand is zo in elkaar gezet, dat wij het allemaal lijken te begrijpen: dat de werkelijkheid is zoals deze zich aan ons voordoet. De wereld is echter vele malen complexer en daar moeten we het mee doen. Dat kan ook, dankzij onze hersenen. ‘De werkelijkheid lijkt geordend, maar is het niet.’”
Dat laatste schrijft De Lachende Theoloog op zijn Zesde Briefkaart aan Nand.
Is via Trouw of Google op te sporen.