De God van cyberspace

‘After all, anyone who has studied the history of technology knows that technological change is always a Faustian bargain: Technology gives and technology takes away, and not always in equal measure. A new technology sometimes creates more than it destroys. Sometimes, it destroys more than it creates. But it is never one-sided.’

Neil Postman, Informing ourselves to death, 1990.

We vinden het heel gewoon dat de overheid alles van ons weet. Wie niets te verbergen heeft, hoeft zich ook nergens druk over te maken, zo luidt de redenering. Het zijn alleen de enkelingen, die iets in hun schild voeren, die hier last van hebben. Telecomdata worden door de overheid een jaar bewaard. Dat betekent dat e-mails, surfbewegingen, sms-berichten en gegevens over telefoongesprekken  een jaar lang ter beschikking staan van de overheid. We zijn hard op weg naar een Big Brother samenleving. Camera’s in het publieke domein zijn al heel normaal geworden. Niemand die zich daar nog over opwindt. Databestanden kunnen heel makkelijk gekoppeld worden, zodat je hele hebben en houden voor Jan en alleman toegankelijk is. De digitalisering van de communicatie heeft een enorme transparantie teweeg gebracht. Er is weinig dat nog verborgen blijft. Wie zich werkelijk aan dit soort ontwikkelingen wil onttrekken zal zich als een wereldvreemde Walter de Rochebrune in een tuinhuisje moeten verschansen zonder computer en telefoon. De techniek is stilaan de vijand van de mens aan het worden. Het is de tijd van de paranoïde angsten. Vluchten kan niet meer. Big Brother ziet alles, weet alles en onthoudt alles.

Hoe gaan mensen zich op den duur gedragen als je weet dat je overal bespied wordt? Wat betekent dit voor het normale vertrouwen dat je mensen stelt? Vertrouwen is niet meer dat  je geeft of ontvangt, maar dat je veilig wordt gesteld door de digitale methodieken van beveiliging. Vertrouwen is er alleen als het gecheckt kan worden. Uiteindelijk betekent dit dat het normale vertrouwen dat mensen altijd in hun omgeving hebben gesteld gaat verdwijnen. Je gelooft niemand meer op zijn woord. Je gelooft het pas als zijn gedrag is na te checken als dat nodig is. We beleven de overgang van een discipline-maatschappij naar een controle-maatschappij.  Dat creëert angstige en volgzame mensen en brengt een verlies aan geborgenheid en verantwoordelijkheid met zich mee. De publieke sfeer is aan het verworden tot een tot object van ultieme veiligheidszorg. Hoe kun je je nog verzetten tegen een maatschappelijk systeem dat als een alziend panopticum zijn burgers in altijddurende bewaring heeft gesteld?

Deze ontwikkelingen voltrekken zich geruisloos, stapje voor stapje. Als de maatregelen in één keer zouden worden doorgevoerd, zou er een massaal verzet volgen. Maar het is telkens een klein beetje privacy dat moet worden ingeleverd. Bange mensen hebben daar geen enkel bezwaar tegen. Ze vinden het wel prettig als er voortdurend op hun gelet wordt. Ze zouden immers toch nooit hun mond opendoen als er iets gebeurt wat hen niet zint. Laat een ander maar op de blaren zitten, dat wil zeggen: de mensen met een grote mond, de klokkenluiders, de onruststokers, degenen die Big Brother bij voorbaat niet willen vertrouwen. Fenomenen als verburgerlijking en vertrutting grijpen om zich heen naarmate de controle-maatschappij verder oprukt. Dissidente geluiden worden dan bij voorbaat verdacht. De zondebok gaat deel uit maken van een alomtegenwoordig systeem van bespieden dat ongemerkt overgaat in intimidatie. Iedereen gaat in de pas open. Big Brother is watching you. Straks vraagt hij nog of je wilt gaan marcheren.

Toch is ‘Big Brother’ wellicht niet de juiste metafoor om al deze benauwende ontwikkelingen aan te duiden. Het is immers geen dictatoriale macht die ons in zijn greep heeft gekregen, maar een reeks afspraken die we – al dan niet democratisch – gezamenlijk hebben genomen of weldra zullen gaan nemen. De zorg voor onze veiligheid wordt daarbij steeds meer uitbesteed aan de techniek. Die ontwikkeling maakt deel uit van een bredere tendens: de toenemende outsourcing van individuele verantwoordelijkheid. In feite ligt daar het fatalistische besef aan ten grondslag dat de samenleving als geheel – in casu de burgers zelf – dit soort problemen niet meer kan oplossen. De verantwoordelijkheid voor veiligheid is geen taak meer van het individu, zelfs niet van degenen die daartoe zijn aangesteld. De techniek is die verantwoordelijkheid van ons geruisloos aan het overnemen.

Dit stille proces van outsourcing van verantwoordelijkheden hangt samen met een nieuw fenomeen dat ons in de greep heeft gekregen en dat de filosoof Slavoi Zizek heeft aangeduid als ‘interpassiviteit’. In tegenstelling tot de ‘interactiviteit’ van de nieuwe media wordt het individu – mede onder invloed van diezelfde interactieve media – steeds meer ‘interpassief’. Engagement, betrokkenheid, verantwoordelijkheid en veiligheid worden in toenemende mate gedelegeerd aan de techniek van het systeem. Big Brother is niet onze vijandige grote broer, maar onze collectief ingehuurde, anonieme uitzendkracht die ons uit naam van het systeem voortdurend bespiedt. Deze groeiende interpassiviteit van de burgers gaat onvermijdelijk ten koste van de civil courage, de zo af en toe broodnodige burgerlijke ongehoorzaamheid, de impuls om het onrecht van het systeem als zodanig aan de kaak te stellen. We gaan dan ook een tijd tegemoet van toenemende burgerlijke volgzaamheid. Lafheid wordt de norm. Deze vorm van collectieve disciplinering door de techniek leidt niet tot een nieuw beschavingsoffensief, eerder tot erosie van beschaving.

Maar wat betekent dit alles voor een weblogger die zich dagelijks manifesteert op internet? Big Brother is er –  en is niet. Een weblogger is zijn eigen Big Brother. Schrijven op internet is het afstand doen van woorden die zich onomkeerbaar verwijderen in een onpeilbaar lege ruimte. De vernietiging van de tekst als tijdloos momentum is een proces dat zich voltrekt op internet. Internet is de stroom van de tijdloze tijd en tegelijk de uitgestrektheid van de ruimteloze ruimte. Internet is magisch, als een wormgat in de tijdruimte. Internet is spiritueel, omdat het woord zich immaterialiseert, dat wil zeggen: zich losmaakt van de drager (het tablet, het papier, de rol, het boek). Het woord is letterlijk stroom geworden en leeft onder ons. Het woord stroomt. De taal wordt vloeibaar. Het spreken verwijdt zich tot geschreven tekst, omgekeerd lost de tekst zich op in het gedruis van het spreken.

Daarmee keert de magisch-orale aura van het gesproken woord terug in het domein van de literatuur. Er doemen nieuwe vragen op. Wie spreekt in een tekst op internet? Wie is het subject? Is het een ‘ik’ die deze tekst geschreven heeft? Wie is dat ‘ik’? Is het mijn alter-ego? Een vermomming van mijzelf? Een pose in woorden? Wat als ik paranoïde zou zijn? Dan begeeft dit ‘pseudo-ik’ zich in een ruimte die niet bestaat en toch bestaat. Wie bepaalt dan nog dat ik het ben die hier spreekt? Stel dat ik een waanwereld simuleer op internet? Wordt de lezer dan misleid? Of misleid ik mijzelf, door te niet te geloven in wat ik anderen doe geloven?

Stel ik lijd aan paranoia. Ik creëer een waanwereld zonder dat ik daar erg in heb. Ik verbeeld mij dat er iemand is die mij mijn teksten dicteert. Een innerlijke stem die mij – als was ik in trance – teksten op dit blog laat schrijven. Wie merkt dat ik aan dit syndroom lijd? Niemand! Mijn lezers niet, want die lezen alleen een tekst. Ikzelf niet, want ik ben paranoïde en schrijf alleen wat mijn stem dicteert. En mijn stem ook niet, want die uit zich in een tekst en wordt door niets en niemand gehinderd. In dat specifieke geval ben ‘ík’ dus niemand. ‘Ik’ ben hier niet. ‘Ik’ schrijf. terwijl ik niet schrijf.

Wie ben ik eigenlijk? Datgene wat ik denk te zijn? Wat anderen daarvan denken? Wat ik zelf loslaat op internet? Hoe werken al die beelden op elkaar in? Heb ik daar zelf nog wel de regie over, of vinden er processen plaats waar ik geen weet van heb? Voor mezelf is het niet altijd duidelijk dat ik ben, zoals ik me op internet presenteer. Een weblog is fictie in de werkelijkheid zelf. Het heeft ook iets van een roman. Een auteur mag je nooit geheel met een personage identificeren, ook al schrijft hij in de ik-vorm. Zo is het ook met de weblogschrijver. Al schrijvend neem je soms ongemerkt een pose aan. Je beweert iets om te kijken hoe het valt. Je gooit elke keer een steen in de vijver. Soms geeft dat geen enkele beroering, maar soms sta je ook verbaasd over de golfslag die dat teweeg brengt.

Een wegblog is een soort schaduwwereld die ongemerkt de echte wereld binnentreedt en soms zelfs verandert. Die wisselwerking tussen de virtuele wereld van internet en de echte wereld, waar je in leeft, heeft iets fascinerends. Maar dat soort processen zijn ook niet van gevaar ontbloot. Je weet niet precies wat je doet. Je ziet je eigen lezers niet, maar zij jou wel. Je hebt je eigen communicatiemedium in handen, waarmee je dingen kunt doen, waarvan de effecten eigenlijk niet te overzien zijn. Je bent een soort God geworden in een zelf gecreëerde wereld. Ik zet alles naar mijn hand in mijn eigen universum. Ik ben mijn eigen Big Brother geworden. Ik bèn Big Brother en daarmee is er iets ongehoords gebeurd. Op internet is God immers Big Brother geworden. God is het Grote Onzichtbare, Alziend Oog dat tegelijk in mijzelf aanwezig is. Alles is er al –  en is ook in mij. Ik voel me als de oude Matisse die in zijn rolstoel alleen nog maar kan knippen en plakken en zo zijn mooiste dingen maakt.

De gedachte dat God alles ziet heeft voor veel mensen het leven leuker gemaakt. ‘God ziet alles, dus handjes boven de dekens.’ Zo werd vroeger bij menig kind het Alziend Oog van God als een boze Big Brother opgevoerd om de prille masturbatieneigingen van de ontluikende puber te beteugelen, om nog maar te zwijgen over alle nog veel grotere zonden die de duivel op het oorkussen van de ledigheid de ongerepte kinderziel kon influisteren. Dat idee van een ‘Alziend Oog’ hing nauw samen met een notie van ‘alles is al beschikt’. ‘Er is niets nieuws onder de zon’, zoals Prediker zei. Dit is een smorend godsbeeld, waar menig christen van protestantse huize nog altijd mee behept is.

Dit ‘Alziend Oog’ hoort bij de ‘God der Wrake’ die de mensen tot het bedrijven van de zonde predestineert. Om ze vervolgens voor deze zonde voor eeuwig te verdoemen. Dat ‘Alziend Oog’ van God is bij menigeen – na het afscheid van de religie – overgeplant in een fatalistisch idee over hoe de werkelijkheid in elkaar zit. Een nieuwe versie van het Alziend Oog duikt niet allen op in cyberspace, maar oom  in de donkere spelonken van het materialistisch rationalisme. Ook de natuurwetten nemen dan de rol van het Alziend Oog over. Alles is immers te herleiden tot wat in de hersenen gebeurt. Het zijn de botsingen van de atomen, de stroomstootjes in de hersenen, de kettingreactie van miljarden botsende minuscule biljartballen of interfererende golfbewegingen. Het Alziend Oog is de gigantische databank van de natuur die techniek is geworden, de kosmische zee van informatie, waarin de mens slechts een voorbijgaande rimpeling is. De wetenschap wordt zo de nieuwe hofleverancier voor het idee van Alziend Oog. Of zoals T.E. Hulme het ooit heeft geformuleerd:

‘Voor mij is wetenschap geen massa onsamenhangende informatie. Maar de zekerheid dat er in het universum geen verandering, geen beweging van een atoom en geen gewaarwording van een bewustzijn is die niet in absolute overeenstemming met de natuurwetten verschijnt en verdwijnt; de zekerheid dat niets kan bestaan buiten het gigantische mechanisme van oorzaken en gevolgen; noodzakelijkheid zet de emoties in mijn geest in beweging. ‘

Ik heb gelukkig al vrij snel afstand kunnen nemen van een benauwend godsbeeld. Ik ben ook nooit van de weeromstuit vervallen in een geloof in een alles verklarend model dat de wetenschap te bieden heeft. Het Alziende Oog van God – in welke gedaante dan ook – bestaat voor mij niet. Het heeft voor mij ook nooit bestaan. God is voor mij geen Big Brother die alles ziet, maar ook niet de verzameling van alle natuurwetten die al mijn doen en laten, denken en voelen bepaalt en predestineert. Ik ben er van overtuigd, dat – als er zoiets als een God bestaat – deze God geen statisch begrip is, geen verzameling natuurwetten, geen Big Brother in cyberspace. God moet iets zijn dat de wereld regeert, maar zonder een Alziend Oog. God dobbelt niet in enen en nullen. God is is ook niet op Google te vinden. Hij kan ook niet alles zien. Ik kan me nog het meest vinden in een definitie die Gerard Reve ooit van God heeft gegeven: ‘God is het diepst verborgene, meest weerloze, allerwezenlijkste en onvergankelijkste in onszelf.’ Kortom, God is er niet, zelfs niet in cyberspace. Dat is zijn redding. Aan de deur wordt niet gekocht.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)