Tao en cyberkatholicisme

‘Ook de cyberspace is een afspiegeling van de gemeenschap waaruit hij is ontstaan, namelijk die van de twintigste-eeuwse westerse samenleving. Zoals we hebben opgemerkt, is deze ruimte ontstaan op een moment dat velen in de westerse wereld genoeg hebben van het zuiver fysicalistische wereldbeeld. Is het toevallig dat we juist nu een nieuwe immateriële ruimte hebben bedacht? Op een moment dat veel mensen op zoek zijn naar een spirituele ruimte?’

Margaret Wertheim. De hemelpoort van cyberspace, 1999

Alles waartoe we besluiten is in feite al binnen het brein besloten op een lager niveau van complexiteit. De bewustwording van dit besluit komt altijd achteraf, waarna de voorgeschiedenis van dit signaal meteen wordt gewist zodat de illusie van autonoom gestuurd gedrag ontstaat. Met dit besef kan een mens echter niet leven, vandaar dat deze wetenschap – eenmaal bewust geworden – ook meteen weer in het onbewuste wordt weggestopt. Als dit alles waar is komt de vraag; wat betekent dit voor de kunst? Heeft de kunst van het individu nog wel bestaansrecht nu de autonomie van het individu steeds meer door de cognitieve wetenschap en de nieuwe netwerkmedia op losse schroeven komt te staan.

Is het fenomeen kunst niet bij uitstek de bekroning geweest van ‘de mythe van de individuele mens’ die in de Renaissance als ‘homo universalis’ werd verheerlijkt. De mens, die in zichzelf de spiegel van het gehele universum ontdekte. Het artistieke genie werd zo de spiegel van God en het kunstwerk een goddelijke scheppingsdaad in miniatuur. Hoe meer het besef doordringt dat God dood is, hoe meer het creatieve proces van de kunstenaar vergoddelijkt lijkt te worden. Maar deze overcompensatie spat een keer uit elkaar. Het mythysche onderpand van de kunst is bij het faillissement van de hemel verbeurd verklaard. De kleren van de keizer komen pijnlijk in beeld. Of beter gezegd: de kunst staat in zijn hemd. Kunst is een creatieve activiteit van de mens. Niets meer en niets minder.

De mythische zone van de esthetica wordt in de hedendaagse kunstkritiek doorgaans niet alleen ontweken, maar ook zorgvuldig in tact gehouden. Zo wordt kunstkritiek een ritueel dat zich onttrekt aan de verbeelding en daarmee verzandt in steriliteit of zich onttrekt aan het verstand en daarmee ontaardt in getolereerde mystificaties die naadloos aansluiten op ontwikkelingen die zich in de kunst zelf aandienen. Kunst is een naar zich zelf verwijzend systeem dat zich zelf ook in standhoudt door de biologisch verankerde persistentie ven de mythe. We houden krampachtig de illusie in stand dat er in het kunstwerk sprake is van een hogere – spirituele – ordening van de materie. Maar de materie kent geen hiërarchie van – al dan niet – spirituele ordeningen, alleen een hiërarchie van complexiteiten. Sterker nog, de laatste mythe van de hiërarchie is de hiërarchie zelf.

Het wordt hoog tijd om de mythe van het goddelijk individu van de kunstenaar definitief achter ons te laten. Een kunstwerk is een menselijk artefact en geen spirituele ordening van materie. Die geestelijke dimensie is op zich zelf een illusie. Dat is hij ook altijd geweest. De mens zelf word uiteindelijk een klein, maar uiterst complex neuraal netwerkje, dat zo af en toe ‘in kan loggen’ in allerlei tijdelijke stamverbanden, hetzij in de fysieke ruimte, hetzij in cyberspace. In het tijdperk van cyberspace begint de mensheid – of we dit nu leuk vinden of niet – steeds meer de trekken van een gigantische mierenhoop te vertonen.

Tegelijk brengt het summum aan individuele versplintering op macroniveau ook de meest wonderbaarlijke communicatie- en organisatiepatronen voort. ‘De wereld versplintert en wordt één’ – dat is de ultieme paradox, niet alleen van een steeds verder uitwaaierende globalisering, maar ook van alles wat met nieuwe media van doen heeft. Misschien is met de kunst iets vergelijkbaars aan de hand: de kunst de-materialiseert in de materie, ontmythologiseert in de mythe, versplintert in de ordening en vervloeit uiteindelijk tot iets nieuws waar niemand nog weet van heeft.

Maar nu wat anders. Stel dat opeens in de hele wereld de stroom uitvalt, bijvoorbeeld door een stralingsbombardement dat wordt uitgevoerd door een stel buitenaardse wezens. Dat zou een giga-ramp betekenen. De ultieme terroristische aanslag. Mondiale chaos is het gevolg: overal plunderingen roof, moord en doodslag. De aardse beschaving zou in één klap naar het stenen tijdperk worden gebombardeerd. Zo kwetsbaar zijn we dus geworden met al onze technologie. Ik hoop niet dat Al Qaida mijn weblog leest. Dat is trouwens helemaal niet zo onwaarschijnlijk. Volgens Google Analytics heb ik dagelijks twee lezers in Iran en drie in Pakistan. Who are those guys? zo vraag  ik mij wel eens af. Zijn het potentiële terroristen of wordt ik paranoïde omdat ik teveel op internet ziet. Internet heeft veel met paranoia van doen. Wie volgt mij allemaal? Big Brother is watching me.

Wie regelmatig schrijft op internet meet zichzelf een nieuwe identiteit aan. Het ‘ik’ dat ik ben op het net is een soort gedroomd ‘ik’, dat een vreemde dubbele werkelijkheidsstatus heeft. Dit ‘ík’ is reëel en virtueel tegelijk, zoals ook een ‘ík’ in een lucide droom ‘reëel’ en ‘virtueel’ tegelijk is. In die zin heeft de alternatieve ‘ik-ruimte’, die internet te bieden heeft, iets taoïstisch. Toch is de internet-ruimte geen gedroomde werkelijkheid, maar een aparte werkelijkheid binnen de werkelijkheid zelf, een nieuw domein dat tot een andere dimensie behoort en tegelijk interfereert met de driemensionale, ‘normale’ werkelijkheid.

Deze psychologische ‘psycho-ruimte’ van internet is wat anders dan de pure virtualiteit, zoals de internet-ruimte doorgaans wordt benoemd. Het is in feite een hybride ruimte die tegelijk virtueel en psychologisch is, en in die zin zich elders ‘bevindt’, voorbij alle reële dimensies. Het is een hybride psychologische dubbelruimte die zich enerzijds in de normale realiteit bevindt en anderzijds niet onderworpen is aan de ‘normale’ fysische ruimte-beperkingen. Wat de complicaties zijn van deze nieuwe psycho-ruimte, die internet te bieden heeft, is nog lang niet duidelijk. Het zou een aardig idee zijn om vanuit de taoïstische filosofie de psychologische virtualiteit van internet eens nader onder de loep te nemen. Dan blijkt dat internet niet alleen taoïstisch van aard is, maar ook katholiek.

De reguliere internet-filosofie oriënteert zich doorgaans op het historisch arsenaal van fysische ruimte-opvattingen. Zo zou de middeleeuwse ruimte-opvatting, waarin de fysische ruimte overkoepeld wordt door een spiritueel universum, enige gelijkenis vertonen met de nieuwe virtuele ruimte-opvatting van internet. Dit soort beschouwingen gaat echter voorbij aan de intrinsieke verwevenheid van de psyche en de internet-virtualiteit. Er is altijd iets ‘met mij” iets wat het ‘ik’ in diepste wezen omgeeft, een soort restant-ruimte van de baarmoeder, een virtueel embryo dat als een gebroken eierschaal achter blijft bij de – tot een ‘ik’ geboren – psyche. Die embryonale eierschaal – of kosmische achtergrondstraling van de psyche – keert vreemd genoeg in een andere gedaante terug als je jezelf een nieuwe identiteit aanneemt op internet.

Dit nieuwe ‘ik’ blijft dan met een vreemde navelstreng met het oude ‘ík’ verbonden. Zo leef je tegelijk binnen en buiten het oude embryo, dat wil zeggen: in de echte wereld en tegelijk ook niet. Terwijl ik dit schrijf, zweef ik in een oneindig universum, terwijl ik tegelijk met beide benen op de grond sta. Toch blijf ik zitten met de gedachte dat ik u niet ken en u niet mij. Wie zegt dat ik niet uit mijn nek klets en hier op dit weblog een fake-wereld creëer. Achter het scherm van je computer kun je heel iemand anders worden. Een monster. Een goeroe. Een priester. Een klootzak. Internet is een nieuwe psychologische ruimte, daar helpt geen lieve moeder aan. Wie bent u eigenlijk ? Een kantoorklerk? Een captain of industry? De hoofdredacteur van het Friesch Dagblad? Een gefrustreerde Fransoos die in Friesland een doorstart zoekt voor zijn gestrande carrière? Een dichter die niet dichten kan? Een mens zoals ik? A stanger in the night?

Laatst sprak ik iemand die zich verdiept heeft in het taoïsme en zenboeddhisme. Hij vertelde me dat veel Japanners tegenwoordig gefascineerd zijn door het katholicisme  Ze zien het als iets exotisch, als een diepe wijsheid die het westen heeft voortgebracht en die in veel opzichten superieur is aan oosterse religies en denkwijzen. Omgekeerd schieten heel wat Europeanen door in een ademloze bewondering als ze een paar taoïstische teksten lezen. Ze lijken iets te herkennen dat heel vertrouwde voorkomt, bijna oer-christelijk. Kortom, de Tao herinnert aan iets wat verdrongen is in het recente verleden. Het is een vorm van geheugenverlies dat alleen via een omweg te herstellen is.. Juist  in de Tao herkent men de erfenis van het katholicisme.

Als een groot leed op je levensweg komt, negeer het dan. Vroeg of laat zal dit leed vanzelf in een zegen veranderen.

Deze taoïstische wijsheid staat haaks op onze hedendaagse opvattingen over het verwerken van traumatische gebeurtenissen. Leed moet je niet negeren, je moet er over praten en nog eens praten. Professionele zielenknijpers laten je de pijn het liefst eindeloos herbeleven. Alleen door je verdriet te cultiveren tot een therapeutisch vertoog, zul je er ooit weer vanaf kunnen komen. Niet dus, volgens de Tao. In die zin komt de Tao overeen met het katholicisme. Je moet het lijden accepteren. Sterker nog, je moet het ondergaan en daarmee negeren. Het kruis van Christus staat in het hart van ieder mens. Maar tegelijk is alles al gebeurd. Alles is er al. Alles staat immers op internet. De Verlossing heeft al plaatsgevonden. Dit leven is slechts een tussentijd, een overnachting in een slechte herberg, een levenslange herhaling van een oergebeuren tussen Verlossing en Wederkomst. Vluchten hoeft niet meer. Alleen gelatenheid leidt tot een draaglijke lichtheid van het bestaan. Dat is de brug tussen Tao en Christus, een brug die loopt via internet, het mystieke lichaam van de geïncarneerde God in cyberspace.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)