Na de dood van De Saussure

Gisteravond ben ik begonnen al mijn logs dan de afgelopen vijf jaar een beetje te ordenen. Het zijn er 2073. Bij  elkaar zijn dat zo ongeveer 2 miljoen woorden die uitgeprint ruim 3000 pagina’s tekst zouden opleveren. Ik was benieuwd of er achteraf enige lijn in te ontdekken viel. Het valt niet mee om die lijn te vinden. Van al deze artikelen is ongeveer 1/3 achteraf beschouwd pure onzin of compleet gedateerd. 1/3 is een beetje onzin. De rest gaat ergens over. Dat betekent dus ongeveer 1000 pagina’s zinnige tekst. Als ik de verschillende onderwerpen wat nader sorteer en in de juiste volgorde leg, komt misschien het staketsel in beeld van een totaaltekst, waar je iets mee kunt. De vraag is alleen hoe ik deze ratjetoe aan teksten verder sorteren moet. De thema’s zijn heel verschillend of overlappen elkaar. Er is geen rode draad, laat staan een kop of staart te bekennen. Ik ben begonnen met een soort plattegrond te tekenen, waar de verschillende onderwerpen ‘geografisch’ op te ordenen zijn. Maar ook dat is niet makkelijk. Eigenlijk is het soort legpuzzel die als is opgelost, naar die ik opnieuw in elkaar moet zetten. Hoe doe je dat? Ik dacht ik moet terug naar af. Wat is taal? zo vroeg ik me af. Taal is communicatie. Maar wat is communicatie?

De Zwitserse taalkundige Ferdinand De Saussure heeft communicatie gedefinieerd als een al
gemeen systeem van tekens, waarbij elk teken wordt gekenmerkt door een betekenisaspect (signifié) en een vormaspect (signifiant), ofwel de manier 
waarop de betekenis van een teken door gesproken geluid of door zichtbare 
tekens, zoals letters, wordt gecommuniceerd. Wij zouden niet kunnen communiceren, als er geen algemeen gedeelde op
vatting bestond over het onderlinge verband tussen het betekenisaspect en 
het vormaspect van een teken. ‘Le signe est arbitraire’ (het teken is willekeurig). Taal laat zich van binnenuit beschrijven als een dynamisch samenstel van relaties, maar er is geen intrinsiek verband tussen de beeltenis op één enkel woord en het woord zelf. Anders gezegd, tussen één enkel puzzelstukje en de toevallige uitsnede van de totale voorstelling op de deksel van de puzzel-doos te zien is. Een legpuzzel is dus een systeem dat vergelijkbaar is met de taal. De alledaagse, vanzelfsprekende verbinding van klank en begrip – van puzzelstukje en voorstelling – ontbreekt. De relatie zit in de onderlinge samenhang van kleine verschillen. Het stansmes van de puzzel is de oermal van de taal.

Puzzelstukjes zijn dus als woorden. De 
koppeling van vorm en voorstelling (teken en 
betekenis) heeft wel degelijk een oorzaak, maar 
dit ligt buiten het voorstellingsvermogen van de 
puzzelaar. Die koppeling hangt immers direct 
samen met de puur toevallige ontmoeting 
tussen het stansmes en de totale voorstelling,
 waardoor de uitsnede van elk afzonderlijk 
puzzelstukje vooraf is bepaald. Maar die uitsnede had ook heel anders kunnen 
uitvallen, als het stansmes een andere vorm of 
uitgangspositie had gekregen. De puzzelaar 
krijgt het stansmes ook nooit te zien. We zullen het met deze puzzel moeten doen, zoals ons brein behekst is met niets anders dan taal. De vraag 
of binnen de totale verzameling puzzelstukjes 
sprake is van een periodieke vorm-herhaling is door hem pas achteraf te beantwoorden, maar 
nooit tijdens het puzzelen zelf. De puzzelaar zal het 
moeten doen met de informatie, die stukje bij 
beetje op lokaal niveau verzameld moet wor
den.

Woorden zijn dus puzzelstukjes. En de betekenis van woorden is afhankelijk van de wijze waarop de legpuzzel is uitgesneden. Die ontdekking van De Saussure was revolutionair. Eeuwenlang heeft men gedacht dat taal en teken intrinsiek met elkaar verbonden waren. In de optiek van Augustinus kon de betekenis van een woord worden opgevat als het ‘in de geest aanwezig zijn van een mentale representatie van de werkelijkheid’. Zo geredeneerd heeft elk puzzelstukje een intrinsieke correlatie met die werkelijkheid, of met iets wezenlijks wat daaraan voorafgaat. Als we weten waar een woord voor staat, begrijpen we wat een uitdrukking betekent en leren we de wereld kennen. Dat houdt in dat we beschikking hebben over een mentale matrix van de wereld. Dat is de ‘mentalese structuur van de taal’ die in het christendom heeft geleid tot de illusie dat er een God bestaat. In de ‘binnenkant’ van de taal ligt de illusie van de transcendentie verankerd. God is een fata morgana die voortkomt uit de taal, omdat we denken dat de taal een mentaal gebeuren is en een transcendente fundering heeft. Er iets dat de taal verbindt met God. In den beginne immers was het woord.

Wittgenstein daarentegen ging er van uit, dat de betekenis van een uitdrukking louter en alleen naar voren komt in het gebruik dat we van die uitdrukking maken. Betekenis moet dus altijd worden opgevat in termen van gebruik, zoals je ook een gereedschap letterlijk gebruikt. Taal is een spel met regels, een situatie en een context – wat Wittgenstein aanduidt als een ‘taalspel.’ God is dus ook een product van een taalspel. Op die manier kun je hem ook in zijn spel gevangen zetten. ‘Dit spel,’ zegt Hamlet, ‘geeft me de ban, waarin ik het geweten van de koning vangen kan’. Maar die koning God bestaat niet. Hij is een fantoom van de taal. Als je het denken van Wittgenstein loslaat op de denkhypothese ‘God’, dan blijft er niet veel van over, zo heeft Willem Frederik Hermans aangetoond in zijn boek De God denkbaar, denkbaar de God (1956). ‘Ik kan God zoeken als hij er niet is, maar hem niet ophangen 
als hij er niet is.’ Dat soort denken heeft dus geen zin. In zijn boek Filosofische onderzoekingen (1953) schrijft Wittgenstein, dat wij op moeten houden met theoretiseren.

‘En wij mogen geen theorieën opstellen. Onze beschouwingen mogen geen hypothetische elementen bevatten. Alle verklaringen moeten terzijde worden geschoven en dienen plaats te maken voor beschrijvingen en beschrijven alleen. (..) De problemen worden niet opgelost door het aandragen van nieuwe gegevens, maar door dingen die allang bekend waren met elkaar in verband te brengen.’

Soms ben ik geneigd om Wittgenstein gelijk te geven. Ik moet eens ophouden met al dat problematiseren. Ik moet de dingen gewoon nemen zoals ze zijn. Een theorie is maar een theorie. En bovendien, geen enkele theorie klopt met alle bekende feiten op haar terrein. De wereld bestaat uit een zee van anomalieën. Als ik niet eens mijn eigen boekenkast op orde kan brengen, hoe zou het dan ooit lukken om een sluitend systeem voor de wereld te bedenken?  Waarom zou ik niet gewoon gaan zitten luieren? Nadenken is het bijeengaren van een onafzienbare hoop minutieuze en nauwkeurige resultaten waar geen mens op zit te wachten. Kortom, de wereld heeft geen zin en het is onzin om nog langer naar een zin te zoeken. Als ik me dat realiseer, dan denk ik, waar ben ik in godsnaam mee bezig. De kattenbak moet verschoond en de krant ligt nog ongelezen op tafel. Ik wil rust. Ik wil alleen maar voedsel innemen en uitscheiden, en de poes zijn bak verzorgen. Weet je wat, dacht ik, ik ga puzzelen. Ik ga dingen die allang bekend zijn met elkaar in verband te brengen. Ik doe net of God dood is. Waarom ook niet. De Saussure is ook al lang dood.

8 Reacties »

  1. L.H.B.O.

    23 januari 2011 op 12:03

    ontwikkeling is het uit z’n verband halen van het in verband brengende ingewikkeld doen

  2. Huub Mous

    23 januari 2011 op 13:20

    Die houden we erin.

  3. Satiesaturatie

    23 januari 2011 op 13:34

    Andere dingen weer niet?

  4. Huub Mous

    23 januari 2011 op 17:48

    De laatsten zullen de eersten zijn.

  5. protesterende bijbelstudent

    23 januari 2011 op 17:52

    Die worden de nieuwe ‘we’.

  6. voorlopige nieuwe ontwikkeling

    23 januari 2011 op 18:10

    uit haar verband halen, bedoel ik

  7. Huub Mous

    23 januari 2011 op 18:26

    Het uit [zijn context] lichten en hergebruiken van >eigen teksten < is een variant op de situationistische methode van de détournement:

    http://www.worldlingo.com/ma/enwiki/nl/Detournement

  8. >eigen naam<

    24 januari 2011 op 19:17

    Het uit [zijn context] lichten en hergebruiken van >andermans teksten < is een variant op de variant op de situationistische methode van de détournement.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)