Elke taal een eigen werkelijkheid?

 

Er wordt wel eens beweerd dat het Frans een heldere en logische taal is. Ik heb dat nooit zo goed begrepen. Komt dat omdat Descartes zo helder dacht en daardoor de Franse taal door zijn taalgebruik helder is geworden, of is het zo dat het Frans van zich zelf helder is, omdat het relatief dichter bij het Latijn staat? Het Latijn is een van de meest heldere talen, omdat de grammatica een strakke, bijna logische structuur heeft. Het Duits geldt als duister, maar komt dat door die duistere Duitse filosofen of door de taal zelf? Was Heidegger een andere filosoof geworden als hij Frans als moedertaal had gehad?

En hoe zit het met het Nederlands? Is dat een heldere taal? Ik heb wel eens gelezen dat het Nederlands veel eigenaardigheden heeft die heel moeilijk te vertalen zijn. Zo is het boek van de wiskundige Over de grondslagen der wiskunde van L.E. Brouwer niet in al zijn nuances in het Engels te vertalen. Dat is wonderlijk omdat het boek over logica gaat en niet over gevoel. Sommige nuances blijven steken in het Nederlands. Lost in translation, zoals dat heet. Sein und Zeit van Heidegger is ook niet echt goed te vertalen, omdat veel van zijn woorden in het Duits homoniemen of homofonen hebben die niet in een andere taal zijn om te zetten. Er bestaat zoiets als ‘cultuurrelativisme’. Dat wil zeggen: waarheid is afhankelijk van de culturele context, waarin de waarheid als ‘waarheid’ wordt ervaren. Maar bestaat er ook zoets als ‘taalrelativisme’. Elke taal creëert een eigen werkelijkheid. Om niet te zeggen: een eigen waarheid.

Als het waar is, wat wel eens wordt beweerd, dat Fries een gevoelstaal is, dan geldt dit probleem in het kwadraat. Gevoelens hebben immers niet zo zeer een semantische basis, maar eerder een fonetische. De specifieke klanken van het Fries zijn onvertaalbaar en zijn cruciaal voor de gevoelsoverdracht. Het rare is dat een Hollander altijd denkt dat hij het Fries nog tot op zekere hoogte kan volgen. Daarom klinkt Fries voor Hollandstaligen als een verbasterde taal, zoals ook het Zuid-Afrikaans klinkt. Het Fries klinkt in de oren van de Hollanders vaak primitief en boers, zoals ook een Duitser vindt dat het Nederlands klinkt als een primitieve taal met allerlei boerse klanken. J.B. Charles schreef over het Fries ooit het volgende :

In Friesland kan men de schoonste geluiden der aarde horen, de conversatie van miljoenen vogels en het klappen van duizend zeilen, maar vlucht zodra er twee Friezen in het panorama stappen, dan stoot daar een staccato van harde en zelfverzekerde klanken alles kapot van wat er zo even nog was. Nu goed, men denkt, deze ene man is door die ander onrecht gedaan, zo luid en verbitterd klonk zijn taal. ‘

Voor een Fransman moet het Fries wellicht veel exotischer klinken. Een soort Noord-Europees Arabisch met al die zangerige dubbelklanken.  Ikzelf heb het Fries altijd al als een gevoelstaal ervaren. Er gebeurt iets in het Fries dat moeilijk te omschrijven is. Spreker en ontvanger zitten meteen in eenzelfde gevoelsregister met elkaar. Het Fries transformeert de communicatie. Het Nederlands is veel afstandelijker. Nederlanders spreken meer in geobjectiveerde bewoordingen. Het Fries is ook meer een fysieke taal. Je wordt meteen aangesproken op een bepaalde mate van geïnvolveerdheid in … ja in wat eigenlijk?

Wat het ‘Fries als gevoelstaal’ betreft. Ik zou daar graag wat meer over willen weten, want het fenomeen interesseert mij. Het gaat mij niet eens om de taal op zich, maar om de taal als communicatie-PROCES. Linguïsten zien taal vaak als een statisch corpus en veronachtzamen wat er gebeurt TIJDENS en spreken en luisteren. Het valt mij op dat veel taalkundigen slecht op de hoogte zijn met de nieuwe ontwikkelingen binnen de mediatheorie. Taal is meer dan het traditionele, statische schema ‘zender- boodschap-ontvanger’. Je moet een dynamisch schema als uitgangspunt nemen, waarbij de boodschap als de zender en ontvangen voortdurend transformeren. In het spreken gebeurt er iets dat niet meetbaar is in de reguliere taalkundige categorieën en fenomenen. In de communicatie veranderen zender en ontvanger en dat veranderingsproces is per taal verschillend. Daar ligt volgens mij het verschil tussen een gevoelstaal als het Fries  en een rationele taal als Frans of Latijn.

Als  je twee Friezen met elkaar hoort spreken dan zijn zij anders op elkaar betrokken dan twee Nederlanders of Engelsen.  Het kan zijn dat ik me daarin vergis, maar ik heb stellig die indruk, dart er sprake is van een substantieel verschil. Misschien heeft dit verschil  ook iets te maken met het verschil tussen een taal die meer volkstaal is en een taal die meer gestandaardiseerd of geformaliseerd is. Maar dat is het niet alleen. Het heeft ook met klanken van woorden te maken. Met de wijze waarop de uitspraak in klanken wordt gemoduleerd. Of uitspraak in combinatie met mimiek, de onderkoelde emotie ook van een omkering, ‘It koe minder’ bijvoorbeeld.

Volgens de Sapir-Whorfhypothese zijn de waarneming en de voorstelling van de werkelijkheid sterk afhankelijk van de taal die men spreekt. In wezen is dat een antropologische theorie en niet een taaltheorie. In die gedachte zit natuurlijk wel een kern van waarheid. De taal geeft de werkelijkheid weer volgens de specifieke omstandigheden van het gebied waarin de betreffende taal gesproken wordt. Dat verklaart de bekende veertig woorden die een Eskimo voor ‘wit’ ter beschikking heeft en de woestijnbewoner voor ‘bruin’. Elke taal heeft een geografische dimensie. Wie weet zit in de taal wel iets van een ziel, een volksziel, wie zal het zeggen. ‘De taal is het huis van de ziel,’ schreef Heidegger. Daarmee verwoordde hij een oude opvatting over taal die ooit in de tijd van de Duitse Romantiek is ontstaan. De tijd waarin het hemels baldakijn werd ingeruild voor het verlangen naar de verte, het heimwee naar de geschiedenis en de diepte van de volksziel.

De Duitse filosoof Johan Gottfried Herder (1744-1803) heeft er als eerste op gewezen dat ieder volk en eigen ziel heeft die het meest zuiver tot uiting komt in zijn taal. In de taal ligt het wezen van de mens, zo bewerde hij. In de taal ligt de essentie besloten van ons bestaan. Voor het woord volksziel hebben we tegenwoordig andere woorden. Correcte woorden, woorden die ontdaan zijn van foute connotaties. Toch spreekt men nog altijd over ‘het eigene van de Friese literatuur’. Het zou iets vaags zijn dat moeilijk te omschrijven zou zijn. Er zou sprake zijn van patronen die zich aandienen in Friese teksten door de eeuwen heen. In die zin is nog altijd sprake van het Romantisch begrip van ‘taal als huis voor de (volks)ziel’, maar men noemt dat tegenwoordig anders. ‘Taalwerkelijkheid’ bijvoorbeeld. Dat is een modieus woord, waarbij je oude, romantische metaforen voor ogen krijgt.  De ‘taalwerkelijkheid’ als huis van de volksziel, maar het is natuurlijk not done om dat openlijk zo te zeggen.

Zo spreekt men ook wel over ‘de muzikaliteit van de Friese taal’ die een Fries dichter moet uitbuiten. Een Friese literator zou zich bewust moeten zijn van de bijzondere kwaliteiten die de Friese taal te bieden heeft en juist die kwaliteiten tot uiting moeten brengen. Met andere woorden: het medium is de boodschap. In feite voegt deze opvatting zich in een romantische traditie, waarbij taal de ziel is van een volk. Anders gezegd, de ‘taalwerkelijkheid’ van de Friese literatuur is het Fries eigene dat bewaard en voortgezet moet worden in toekomst. Een toekomst die bedreigend op ons afkomt. Een toekomst die de Friese taal en literatuur naar het leven staat. Een toekomst in tijden van ondergang. Nog een stap verder en men ziet de taal als drager van de Friese waarheid, van de Friese bestemming, van het Friese lot, van de Friese lotsverbondenheid. Het idee, dat taal een eigen werkelijkheid creëert, heeft menigeen op een dwaalspoor gebracht.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)