De kunstenaar van het dubbele kruis

Om koart te kriemen: dêr’t de Grinzers yn it ynterbellum de swetten útleinen en ynternasjonaal oriëntearre wienen, dêr wie de byldzjende 
keunst yn Fryslân in isolearre, yn himsels kearde oangelegenheid. De 
Dada-barrens yn Drachten en de eksperiminten fan de bruorren Rinsema 
hienen in hege graad fan tafallichheid, se krigen yn de jierren tweintich 
en tritich eins gjin ferfolch. Wol wienen der yndividuen, dy’t mei oare en 
nije ideeën oankamen, mar it modernisme sels, dat gie struktureel oan Fryslân foarby. It wie pas nei de Twadde Wraldoarloch dat ék Fryslân 
syn modernistyske bewegings krije soe, in ûntjouwing, dêr’t skilders as 
Siep van den Berg, Gerrit Benner, Bauke Weistra, Jaap Rusticus, Klaas Koopmans en Fryske skriuwers en dichters as Anne Wadman, Fokke 
Sierksma en Hessel Miedema net swak yn by spylje soenen.

Aldus Eelstje Hettinga in zijn onlangs verschenen boek Gerben Rypma, de keunstner fan it dûbele krús. Het is meer een biografische schets dan een biografie, maar daarom niet minder boeiend, omdat het boek een goed inzicht geeft in het culturele klimaat in het Friesland van voor de oorlog. Wat de schilderkunst betreft stelde dat niet veel voor. De mensen die echt wat betekenden trokken hier weg. In het spoor van Pier Pander op weg naar het zuiden, Italië of Parijs. Zo maakten schilders als Tjerk Bottema, Piet van der Hem en later Tames Oud elders carrière. Het was de angst voor de abstractie en een diep ingedaald verlangen naar de herkenbare werkelijkheid, die in een agrarische regio als Friesland de dienst uitmaakten, een land waar topografische schilders als Ids Wiersma, Ype Wenning, Egnatius Ydema, Andries van der Sloot en Johan Elsinga jarenlang de dienst uitmaakten. Friesland was in die tijd vooral een land van boeren en buitenlui. Van een echte kunstwereld kon je nauwelijks spreken. De Hjerremyt fan de brekswâl, zoals Gerben Rypma ooit door Tsjitte Piebenga werd genoemd, was dan ook allesbehalve een modernist. Integendeel, hij was een romanticus in hart en nieren, zowel in zijn poëzie als in zijn schilderkunst.

Eigenlijk zijn alleen zijn tekeningen nog te pruimen. Die zijn fris en raak, maar zijn schilderijen laten vooral braaf geschilderde en met ‘meesterlijk vee’ gestoffeerde Friese weiden zien, en dat alles  in de streek rondom de Roomse enclave van Blauwhuis. Je kunt je dan ook afvragen of Gerben Rypma dit fraai geïllustreerde boek wel waard is. Als dubbeltalent is hij vooral een local hero. Ik heb het nog eens nagekeken, maar in de collectie kunst uit de twintigste eeuw, die het Fries Museum heeft verzameld, komt hij in het geheel niet voor, terwijl die collectie toch bijna 2000 kunstwerken omvat, voornamelijk van kunstenaars uit Friesland. Dat je die werken vrijwel nooit ziet, en waarschijnlijk straks in het nieuwe Fries Museum ook niet zult zien, dat is een ander verhaal.

De schilderijen van Gerben Rypma doen me nog het meest denken aan die van Bouke van der Sloot, ook zo’n romantisch naturalist, die tot ver na de oorlog net zo benauwd bleef schilderen, same as it ever was. Toen ik drie jaar geleden bezig was met de voorbereiding van de tentoonstelling De kleur van Friesland liet ik een gigantisch schilderij  van Bouke van der Sloot – Boerderij met koeien (1952) – ophalen uit het depot in Paasloo. Ik had het tevoren niet gezien, maar het leek me wel een mooi pronkstuk in een zaal die ik tot De Friese salon had omgedoopt. Toen het monster werd binnengedragen, heb ik het meteen weer laten inpakken. Het was gewoon niet om aan te zien. Zo is het met de schilderijen van Gerben Rypma vaak ook.

Gezicht op Greonterp

Nogmaals, Friesland stelde in kunstzinnig opzicht ook niet veel voor in die tijd. In Leeuwarder had je schilderschool van Johanness Mammen, zoals Hettinga laat weten. En verder natuurlijk de plaatselijke kunstenaarsvereniging De Horizon. Ook Gerrit Benner had zich daar in 1939 als lid laten inschrijven om na enkele weken al weer op te stappen ‘omdat hij geen man was voor een club’. Dat soort artistiekelingen gingen wel eens een kijkje nemen in Amsterdam, maar daar bleef het dan ook bij. Ook Slauerhoff die in die rond 1930 nog wel eens even terugkeerde in zijn geboortestad Leeuwarden vond het hier maar een benauwde boel. ‘Leeuwarden heeft voor mij geen attracties, evenmin als vroeger,’ schreef hij aan ooit aan zijn oude vriendin uit Jorwerd, Helleen Ris Lambers. Over Friesland was dat oordeel niet anders.

In de stad Groningen van de vroege jaren twintig daarentegen kwamen kunstenaars en architecten elkaar veelvuldig tegen. Er waren lezingen, discussieavonden, tentoonstellingen en vooral de kunstenaarsvereniging De Ploeg was in dit opzicht van groot belang. Mensen als Job Hansen, Hendrik Werkman, Wobbe Alkema, Jan van der Zee, Jan Altink en de dichter schilder Hendrik de Vries hadden al hun antennes uitstaan. Kortom, Groningen was in die jaren voor de oorlog beslist geen ingeslapen provinciestad. Leeuwarden daarentegen des te meer. Na het oprichten van de Mercuriusfontein in 1923 en het inrichten van een tempel voor Pier Pander in 1924 werd het angstwekkend stil in de Friese hoofdstad.

Ook als het gaat om bekendheid met ontwikkelingen van de moderne kunst, was er in de Friesland  duidelijk sprake van een isolement, maar dat gold in de jaren dertig belangrijke mate ook voor het land als geheel. Depressie en oorlogsjaren hadden ertoe geleid dat Nederland de aansluiting met de moderniteit had verloren. De revolutionaire ontwikkelingen van de moderne avant-garde waren al voor de oorlog enigszins weggezakt. In het begin van de jaren twintig was de Dada-beweging uitgeblust, nota bene met een laatste oprisping in Drachten waar de veldtocht van Theo van Doesburg en Kurt Schwitters op 13 april 1923 zijn Waterloo vond in het plaatselijke café De Phoenix en Thijs Rinsema uiteindelijk weer braaf realistisch was gaan schilderen. Hettinga laat in zijn boek dat Friese isolement goed zien, vooral omdat hij een breed perspectief schetst. Het is  een armoedige periode, die hij beschrijft, een tijd waar je niet vrolijk van wordt. Een tijd ook waarin de landbouwcrisis, die in feite van 1880 tot 1920 heeft geduurd, in Friesland diepe sporen had nagelaten. Wie talent had en een beetje ondernemingszin was allang naar elders vertrokken.

Vooral het hoofdstuk ‘De Roomsken en it Frysk’ is boeiend. Hierin wordt een beeld schets het conservatieve klimaat dat ook binnen het Katholieke Friesland – destijds 7% van de Friese bevolking – aanwezig was. De katholieke emancipatiebeweging die na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 op gang was gekomen, ging ook aan Friesland niet voorbij. De grote Cuyperskerk van Blauwhuis, die rond 1870 werd gebouwd, is daar nog altijd het trotse bewijs van. De toren torst hoog boven het landschap uit. Eigenlijk is die kerk veel te groot voor de schaal van zijn omgeving. Zelfs Gerard Reve vond het een draak van een kerk, toen hij nog in Greonterp woonde. Maar deze toren is wel een teken des tijds, dat wil zeggen, van het Rijke Roomse leven dat in deze contreien zelfs Roomser was dan de paus.

Men richtte zich op de ultramontanisme en moest niets hebben van de moderniseringsbeweging die alom gaande was, zelfs binnen het katholicisme zelf. Het rabiate anti-modernisme van paus Pius X vond bij de Roomse Friezen een goed gehoor, vooral bij de zogeheten ‘wereldheren’ die – in tegenstelling tot de kloosterorden – direct onder de bisschoppelijke hiërarchie vielen en zich dus primair oriënteerden op Rome. In deze zin misten de Roomse Friezen van voor de oorlog in dubbel opzicht de boot. Niet alleen de moderne wereld van de grote metropolen ging aan hen voorbij, maar om de modernisering binnen het katholicisme zelf. Anderzijds heeft de deze roomse zijtak van Friese beweging een eigen bijdrage geleverd aan de emancipatie van  de Friese taal. Het Roomsk Frysk Boun, dat in 1917 was opgericht door Titus Brandsma, bracht in 1941 Sneinsmissael uit in het Fries. Ik heb zelf nog altijd het exemplaar van mijn beppe uit Bakhuizen. Het Roomsk Frysk Boun pleite in de jaren zestig zelfs voor een eigen liturgie in het Fries. Maar na het eeuwfeest in 1967 ging het snel bergafwaarts met deze dubbel verzuilde, Friese zuil.

Het is opmerkelijke dat deze Friese katholieke beweging geen aansluiting heeft gevonden met progressieve katholieke bewegingen die zich in Nederland vanaf de jaren twintig lieten gelden. Gerben Rypma las kennelijk niet een tijdschrift als De Gemeenschap. Mensen als Pieter van der Meer de Walcheren, Jan Engelman, de geboeders Bruning, en Anton van Duinkerken kwamen uit het zuiden. Friesland was zelfs voor het moderne katholicisme in menig opzicht een brug te ver. Elders in de Europa was juist het katholicisme zeer in trek in die tijd, omdat een eigen weg insloeg niet alleen tegen de modernisering, maar daar ook een adequaat antwoord op zocht.

Zo wist de Frans filosoof Jacques Maritain een scholastische wijze van filosoferen te combineren met modernistische ideeën. Hij beweerde  dat een beeldend of literair werk zich niet in het domein van de moraal bewoog. De mens die het maakte echter wel. ‘Esthetiek en ethiek waren voor hem hooguit van elkaar te onderscheiden, maar niet te scheiden’, schrijft Jaap Goedegebuure in zijn onlangs verschenen studie over religie en literatuur. Zo schiep Maritain zich al in de jaren twintig enige speelruimte voor een gematigd Rooms modernisme, of beter gezegd: een ‘antimodern modernisme’ dat in feite ultramodern wilde zijn. Daarnaast voelde heel wat vooruitstrevende geesten voelden zich in die tijd juist aangetrokken tot dit oeroude geloof dat de strijd aanbond met de moderne tijd. De dichter Marsman dichtte over zijn heimwee naar de tijd van kruistochten en kathedralen.

Dat alles was voor de keunstner fan it dûbbele krús niet weggelegd. Hij trok zich terug in zijn stulpje aan de Oudegaaster Brekken, niet ver van de plek waar Gerard Reve later vaak lag te lezen in de zon. Reve heeft Gerben Rypma niet gekend, want hij kwam pas in 1964 in Greonterp, een jaar na het overlijden van Rypma. Vorig jaar ben ik er nog langs gefietst op dat prachtige fietspad dat tegenwoordig langs de Brekken loopt. Op de plek van de stulp staat nu een bord, als een lieu de memoire. Hettinga’s boek begint met een dramatische scene in 1939 als Gerben Rypma doodziek van een longontsteking uit dat stulpje werd weggedragen, dat kort daarop uit voorzorg tot de grond toe werd afgebroken. Zijn laatste jaren sleet hij in het verzorgingstehuis in Blauwhuis, waar hij tot het eind toe bleef schilderen. In 1963 overleed hij, zo arm als een luis. Om de begrafenis te betalen werden zijn schilderijen bij opbod verkocht in Café De Freonskip. Meinte Walta vervaardigde een opmerkelijk modern, geometrisch vormgegeven grafmonument, dat nog altijd te vinden is op de begraafplaats van Blauwhuis. Een graf voor de kunstenaar van het dubbele kruis, één voor de dichter en één voor de schilder.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)