Van Gogh op weg naar Asnières
In de zomer van 1887 werkte Van Gogh veel in Asnières, een voorstadje van Parijs niet ver van zijn huis in Montmartre. Hij schilderde er het restaurant. Ik ben er nooit geweest, maar ik heb me voorgenomen om er ooit nog eens naar toe te gaan. Het is een plek op de kaart, meer niet. En toch, alle plekken zijn gelijk, maar er zijn plekken op deze aarde die meer gelijk zijn dan alle andere, om George Orwell maar eens te parafraseren. De aarde is plat, maar is hij ook plat in Asnières? Dat soort absurde vragen spoken wel eens door mijn hoofd. Zo’n vraag kun je alleen beantwoorden door zelf ter plekke poolshoogte te gaan nemen.
Als kind bestudeerde ik vaak de plattegrond van Amsterdam. Zo ontdekte ik tussen de Ing. Lelylaan en de Sloterplas een klein rond lopend straatje, het zogeheten Colenbrandershof. Ik ben daar op een vrije woensdagmiddag nog eens naar toe gefietst om de situatie ter plekke in ogenschouw te nemen. En inderdaad, deze straat was rond, hoewel er toch meer sprake was van een reeks vrij staande bungalows, dan een echt straatje. Het was een soort hofje met wat duurdere koopwoningen dat de functionalistische stedenbouwkundige zich veroorloofd had in een stratenplan met verder alleen maar smetteloos rechte straten.
In die tijd droomde ik ook wel eens dat ik door een weids en bewolkt landschap liep. Langs de kant van de weg, die al slingerend naar de horizon leidde, stond een reeks gigantische torens achter elkaar. Eigenlijk waren het geen torens, maar hele hoge letters die tot in de hemel reikten. Alleen kon je niet zien welke letters dat waren, omdat je er van opzij tegenaan keek. Opeens schoof de zon achter de wolken vandaan. Zo werden op de grond de schaduwen zichtbaar die de zon van opzij op die gigantische letters wierp. En zie, het wonder geschiedde. Er stond een tekst te lezen. In mijn droom zag ik het volledige verhaal van de wereld, waarvan ik overdag alleen de zijkant kon zien.
Zou het zo kunnen zijn, zo dacht ik gisteren bij mezelf, dat het menselijk bewustzijn ook zo in elkaar zit? Je ziet steeds maar de helft. De ware betekenis van de dingen kun je niet gewaarworden, omdat het bewustzijn de wereld alleen van zijkant laat zien. Er zijn natuurkundigen die beweren dat het bewustzijn op het meest fundamentele niveau een quantum-proces is. Als dat zo is, dan zou het bewustzijn misschien ook aan de tijd kunnen ontsnappen, tenminste als het zich van zijn eigen quantum-processen bewust wordt. Gary Zukav formuleert deze mogelijkheid als volgt. ‘Als op quantum-niveau de tijdstroom een betekenis heeft en als bewustzijn een fundamenteel gelijksoortig proces is, en als we deze processen in onszelf bewust kunnen worden, dan is het ook voorstelbaar, dat we tijdloosheid kunnen ervaren.’
Deze redenering, die afkomstig is uit het boek De dansende Woe-Li Meesters, las ik ergens in het midden van de jaren tachtig. Ik vond dit destijds een zeer opwindende gedachte. Hierdoor zou niet alleen begrijpelijk worden hoe yogi’s hun lichaamstemperatuur en hun hartslag reguleren, maar zouden wellicht ook de mystieke ervaring en de bijna-dood-ervaring in een ander licht komen te staan. Alles wat ik tot dan toe geleerd had over de natuurkunde leek opeens op losse schroeven te staan. Bewustzijn en tijd waren in de quantumfysica intrinsiek met elkaar verbonden en dat verband was mogelijk veel complexer dan altijd was gedacht.
Ik ben in die tijd veel populair-wetenschappelijke boeken over natuurkunde gaan lezen. Later, toen Daniel Dennett met zijn reductionistische verklaringen van het bewustzijn kwam, las ik alles wat ik te pakken kon krijgen van Penrose, Calvin en Pink, maar ook nog moeilijker kost van Quine en Putnam. Maar ik merkte tot mijn verbijstering dat ik steeds dieper in een moeras verzandde, naarmate ik mij verder in de materie verdiepte. Zonder grondige bijscholing in de natuurwetenschap kun je over dit soort zaken eigenlijk niets zinnigs te weten komen. De populair-wetenschappelijke literatuur is uiteindelijk onbegrijpelijk, als je echt in de problemen door wilt dringen. En de vakliteratuur is al bij voorbaat onbegrijpelijk, omdat je bij de eerste ingewikkelde formule meteen al moet afhaken.
Ik heb het dus opgegeven om over het verband tussen bewustzijn en materie verder nog iets te weten te komen. Lezend in het boek van André Klukhuhn, De geschiedenis van het denken, verbaasde ik mij over zijn vermetele poging om het hele geest-materie debat van de jaren tachtig en negentig nog eens beknopt op een rijtje te zetten. Dat doet hij op een uiterst heldere en zelfs voor een leek begrijpelijke manier. En toch bekroop me wederom het gevoel, dat ik in deze kwestie niets wijzer word, niet alleen omdat iedere autoriteit in zijn eigen cirkelredenering verstrikt lijkt te zijn, maar ook omdat de werkelijke argumenten in het debat op een zodanig abstractieniveau geformuleerd worden, dat de essentie van het betoog voor een leek ontoegankelijk is. Wat je bij Klukhuhn leest zijn in feite begrijpelijke simplificaties en de geldigheid van zijn conclusies moet je dus maar voor zoete koek aannemen.
Zo val je uiteindelijk weer terug op je gezonde verstand met alle beperkingen waarmee dat behept is. Je bouwt jezelf een wereldbeeld met de brokstukken die op de grond blijven liggen na een dergelijke lees-exercitie in het oerwoud van de huidige stand van wetenschap. Als het om een dergelijke ingewikkelde materie gaat, zien we altijd maar de helft. Wat je te zien krijgt is steeds weer een platte wereld, waarvan de ware betekenis in al zijn volheid mogelijk nooit duidelijk wordt. Dat geldt niet alleen voor het geest-materie debat, maar ook voor de wereld zelf. Ook Vincent van Gogh, die zich zijn hele leven nooit heeft kunnen verzoenen met de consequenties van het materialistische wereldbeeld, heeft ooit een vergelijkbare gedachte gehad. In een brief van 9 augustus 1888 aan zijn broer Theo schrijft hij:
‘Vroeger dacht men dat de aarde plat was en dat is zij nog altijd, als men bijvoorbeeld van Parijs naar Asnières reist. Toch weten we nu dat zij rond is en misschien zal eenmaal het leven even zo rond blijken te zijn, in uitgestrektheid en capaciteit verre superieur aan wat ons thans bekend is. Zien wij maar de helft? De platte helft van ons leven?’
UPDATE 12.50 uur.
UPDATE 14.45 uur: INGEZONDEN DOOR SJOERD S. OSINGA





Van Gogh
11 januari 2011 op 12:30
Weer een boeiend artikel; ik kende het onderwerp niet. Ga in Asnières ook naar de Abbaye de Royaumont; middeleeuwse tuin en (kleine) boekwinkel met interessante, in Nederland onbekende boeken op het gebied van geschiedenis, kunstgeschiedenis, literatuur, architectuur, filosofie, religie. In de buurt van Asnières ligt Auvers-sur-Oise waar Van Gogh de laatste maanden van zijn leven woonde en begraven ligt. Naast zijn broer Theo, als het ware in een tweepersoonsbed onder een deken van liggende klimop. Ga eerst naar het Van Gogh museum om de magistrale zwartwit van Van der Elsken van het graf, de muur van de begraafplaats en de ploegende boer te zien. Dood en leven heb ik nooit zo vanzelfsprekend verenigd gezien.
De begraafplaats ligt tussen de velden die Van Gogh er geschilderd heeft. Aan de hand van opgestelde, achter kunstglas beschutte reproducties kun je zien welke artistieke vrijheden Van Gogh zich permitteerde in verband met de fysieke omgeving. Dit is ook het geval met de Onze-Lieve-Vrouwe-kerk in Auvers. Een daklijn, een raam, een hoek zijn net iets anders dan op het schilderij. En eind mei, begin juni bloeien langs de huizen van Auvers de blauwe irissen die op de ‘video’ van Huub te zien zijn. In het park van Auvers staat het beeld dat Ossip Zadkine van Van Gogh maakte. Neem voor alles de tijd.
Huub Mous
11 januari 2011 op 12:49
Medisch gezien was Van Gogh wat je noemt ‘een klinisch geval’. Hij leed aan het leven zelf. Hij werd gedreven door een innerlijke onrust, door de wondende kracht van het kunstenaarschap, de gekweldheid door ‘de demonie van het schilderen’. Is zijn kunst dan te herleiden tot een ziektebeeld? Het is het goed om te weten dat Van Gogh een ernstige kwaal had die niet alleen zijn geest aantastte maar ook een steeds heftiger beleving van de werkelijkheid teweeg bracht. Ziekte kan kennelijk grote kunst voortbrengen. Wie strijd moet leveren voor zijn eigen gezondheid beleeft het leven heel intens.
Bovenstaande foto van het graf van Vincent en Theo raakt niet zozeer het besef van eeuwigheid, als wel een absurde snaar in dit universum. Links staat een gemaskerde Joris Collier. Achter de grafsteen van Vincent is nog even het masker van Elmar Kuiper te zien. Zoete Hanen op bedevaart, zo lijkt het. Wij stuitten bij toeval op deze begraafplaats in Auvers-sur Oise, want we waren er niet naar op zoek. Bij de grafsteen van Vincent bloeide een klaproos. Zo’n jaar of tien geleden zag ik op een rommelmarkt het boek van Emmy Andriesse met foto’s van het Frankrijk van Vincent, gemaakt tussen 1944 en 1952. Voor 75 gulden. Prachtig. Maar ik heb het niet gekocht. Daar heb ik nog altijd spijt van.
Van Gogh
11 januari 2011 op 13:12
Ik bedoel het Van Gogh museum in Amsterdam en achter het woord zwartwit moet ‘foto’ staan.