De archeologie van de toekomst

Het komt niet zo vaak meer voor dat mijn brein gekweld wordt door rare dromen, maar vannacht was het weer raak. Ik droomde dat ik alles om me heen kon laten ontploffen. Een buitenaards wezen had een chip in mijn brein getransplanteerd. Daarin zat een ontstekingsmechanisme dat door mijn eigen wil kon worden aangestuurd. Als ik zei ‘Vuur!!’, dan explodeerde voor mijn ogen precies datgene waar ik mijn blijk op gericht had. Het was een fascinerende ervaring. Ik ben mijn bed uitgestapt en de straat op gegaan. De zon was net op. Lopend door de straten van Leeuwarden bedacht ik mij welk gebouw ik als eerste zou willen opblazen. Ik besloot dat dit het Paleis van Justitie op het Zaailand moest zijn. Het was een fantastische klap. Als verdoofd bleef ik staan lijken naar de vele brokstukken die – vertraagd als in een film – de lucht schoten en hoog boven de stad wegzweefden

Daarna ben ik naar de Tweebaksmarkt gelopen, waar de nieubouw van Provinciehuis eraan moest geloven. Ik kon het niet laten om verderop ook de Infirmerie eventjes mee te nemen. Als laatste ging de Oldehove met een daverende klap de lucht in. Ik heb genoten. Geheel verkwikt werd ik wakker na zoveel verdrongen vernietigingdrang die eindelijk een uitweg kon vinden. Het moest er even uit, zo dacht ik bij mijzelf. Kennelijk schuilt er diep in mijn ziel zoiets als een drang naar terreur. Explosies kunnen ook een zekere vorm van schoonheid hebben, zo heb ik ontdekt. Ze raken aan het sublieme, het genotvolle afgrijzen, waar elke terrorist aan verslaafd is.

Maar niet alleen terroristen. Ieder mens ziet deep down graag iets de lucht in vliegen, daar ben ik van overtuigd. Het vuurwerk in de oudejaarsnacht levert daar elk jaar weer het bewijs van. Voor een grote klap heeft een mens heel wat over. Het zien van en echte explosie is het summum van genot. Dat is de ultieme daad van vernietiging die nog mooier is dan de schepping zelf. Exploderen overtreft dan ook elke vorm van creativiteit. Alles valt samen. De tijd stort in. In het moment van een ontploffing onthult zich heel even de energetische uitgestrektheid van de vernietiging. Nog mooier dan een explosie is wat er op den duur van overblijft. De puinhopen van elke oorlog vormen de brokstukken voor archeologie van de toekomst. In wst voor een wereld leven wij? Moet dit een wereldbeeld verbeelden? Ik verlang naar een toekomst, waarin dit heden een ruïne zal zijn. Ik heb heimwee naar de toekomst, heimwee naar utopia.

Onlangs vond ik bij een boekenstalletje op de vrijdagmarkt een Michelingids uit 1917, een jaar midden in de eerste wereldoorlog. Deze gids maakte deel uit van een serie Les theatres de la guerre, toeristische beschrijvingen van de slagvelden, waar de rook nog niet eens was opgetrokken, gecombineerd met kunsthistorische uiteenzettingen over de architectuur die daar nog overeind stond. Foto’s van kapotgeschoten roosvensters naast die van lijken tussen de korenvelden. Beide met dezelfde exactheid beschreven en in beeld gebracht, kortom uitingen van een naïef burgerlijk cynisme, in vergelijking waarmee de provocaties van Dada achteraf onschuldig lijken. Een kwart eeuw later, bij de invasie van Normandië in 1944, had men zijn les geleerd en zaten er kunsthistorici in de militaire staf van de geallieerden, keurige kortgeknipte jongens van de universiteit van Oxford, die mee bepaalden waar de bommen en granaten wel en niet mochten vallen.

Voor kunsthistorici is er dus nog een schone taak weggelegd, als het oude Europa ooit weer eens het slagveld wordt van een totale oorlog.  Zij mogen dan mee bepalen wat overeind mag blijven staan, maar ook wat onder de grond mag verdwijnen als voer voor toekomstige archeologen. Hoe ziet die archeologie van de toekomst eruit? Dichtbij het Oostenrijkse plaatsje Paasdorf is in een verlaten landschap een gigantische opgraving te zien. Diep in een uitgegraven put worden daar de restanten zichtbaar van een twintigste-eeuwse vierbaans snelweg. Zo hebben de bedenkers van dit kunstwerk ons een fictieve kijk vanuit de toekomst op het heden willen bieden. Ze houden zich bezig met de planologie van de ruïne, of wel ‘de archeologie van de toekomst’. Niets nieuws overigens want de Nazi-architect Albert Speer had al een esthetische theorie over de ruïne-waarde bedacht. In zijn megalomane ontwerpen voor Germania, de nieuwe hoofdstad van het Derde Rijk, was rekening gehouden met hun toekomstige status als ruïne.

Met een beetje fantasie is iets dergelijks ook in Dokkum te zien. Sinds 1979 staat daar aan de zuidelijke rondweg een van de markantste kunstwerken van Friesland. Het is een gigantische beeldengroep die de passerende automobilist voor even in de waan kan brengen dat hij een prehistorische cultusplek passeert. Een soort Stonehenge op de rotonde. De kunstenaar Jaap van de Meij, die deze beeldengroep heeft vervaardigd, wilde de sporen nalaten die in een verre toekomst nog in het landschap te zien zouden zijn.‘Overlevingskunst’ zo noemde hij dat. ‘Kunst voor betere tijden, wanneer de verwondering weer terrein gaat winnen op calvinisme en supermarkt’. Maar daarmee is de verwarring natuurlijk compleet. Stel dat over een paar honderd jaar Friesland veranderd is in een verlaten steppe van radioactief vervuilde grond. Archeologen zouden gaan graven in onherbergzame gebieden en op een laat twintigste-eeuwse rotonde een beeldengroep uit de prehistorie ontdekken. De toekomstige restanten van de afvaloven in Harlingen verschillen niet zoveel van de Acropolis. Het is slechts een kwestie van tijd. De winst van vernietiging is de schoonheid van de ruïne.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)