Knipsels uit een leven
Toen ik op school zat was de wereld nog helder en overzichtelijk. Vier jaren van middelbaar onderwijs leidden onontkoombaar naar een tweesprong. Op je zestiende moest je kiezen tussen alfa en bèta, twee werelden die door een astronomische afstand van elkaar gescheiden waren. Aan de ene kant had je de wereld van kunst en literatuur, van woorden en beelden, waar je boeken vond van Tacitus en Wolkers, en waar het echte leven te vinden was. En aan de andere kant de wereld van wis- en natuurkunde, van lijnen en getallen, waar je boeken vond over differentiëren en integreren, kortom, waar het echte leven afwezig was. Ten minste, zo voelde ik het.
Mijn wiskundeleraar was mijnheer Sweerts. Hij was een wat oudere man met een haviksneus en een bloempotkapsel. Hij sliste een beetje en rook altijd wat eigenaardig. Ongemerkt zat hij altijd met zijn krijtje of aanwijsstok te spelen. Die gebaren intrigeerden mij, want ze dienden nergens toe. Hij had de eigenaardige eigenschap om een boek, dat een leerling op de voorste rij voor zich had liggen, ondersteboven te kunnen lezen. Soms kreeg hij opeens een wrede grijns om de mond, helemaal als ik voor het bord moest komen, om ten overstaan van een klas vol aanzwellend leedvermaak het bewijs te leveren van de stelling, dat de logaritme van een quotiënt gelijk is aan de logaritme van het deeltal verminderd met die van de delen. ‘Ga jij maar thuis met de rode bal spelen!’, zei hij dan, als mijn poging om tot een sluitend bewijs te komen weer eens op niets was uitgelopen.
Mijnheer Sweerts
Ik had het niet zo op wiskunde en zeker niet op mijnheer Sweerts. Waarom moest zo nodig het bewijs geleverd worden dat de drie hoogtelijnen van een driehoek door één punt gaan. Dat kon je immers zoo ook wel zien. Toch koos ik uiteindelijk voor bèta, met tegenzin en tegen beter weten in, al was het maar omdat mijn tante Siene, die al jaren weduwe was en op zondagmiddag, onder het genot van een kopje thee met een gebakje, altijd sprak over neef Anton die ingenieur zou worden en in Delft studeerde. Een echte man kiest voor bèta, zo luidde haar advies. Alfa is meer iets voor vrouwen. Met kunst en literatuur is ook geen droog brood te verdienen. Zoiets doe je voor je plezier, maar niet om vooruit te komen in de wereld. Techniek dat is de toekomst. Zeg nou zelf, wat er van ons zijn terechtgekomen zonder stoommachine. Computers die gaan de wereld veranderen, niet kunst en literatuur.
Jarenlang heb ik sindsdien in tweestrijd verkeerd. Ik worstelde met een verkeerde keus, heen en weer geslingerd tussen de onweerlegbare vrouwelijke logica van tante Siene en de wrede grijns van mijnheer Sweerts. Ik heb mij zelfs, met neef Anton in gedachten, nog een half jaar lang vergeefs laten scholen in Delft, door echte ingenieurs, die me de eerste beginselen van de bouwkunde probeerden bij te brengen en van wie een enkeling mij pijnlijk aan mijnheer Sweerts deed denken. Pijnlijk omdat ik mij op een goede dag definitief bekeerde tot de wereld van de kunst. Ik voelde het als een capitulatie, maar ook als een ‘coming out. Het bloed van de muze kruipt immers waar het niet gaan kan.
Dagblad De Tijd, 30 september 1969
En terwijl dit dilemma van destijds mij opnieuw voor de geest kwam, herinnerde ik mij een boek dat ik jaren geleden las. Het is de autobiografie van de wiskundige Hans Freudenthal met de fraaie titel Schrijf dat op Hans, knipsels uit een leven (1987). Terugkijkend op een lang en vruchtbaar leven had hij de behoefte gevoeld enige ordening aan te brengen in alles wat hij had meegemaakt. Hij woonde alleen in een groot huis. Zijn vrouw was overleden, de kinderen al jaren de deur de deur uit en in de stilte, die hem steeds meer omringde, werd hij overspoeld door herinneringen die van alle kanten zijn gemoedsrust belaagden, op onbewaakte momenten zijn bewustzijn binnendrongen en bij hem het beeld opriepen van een voortdurende chaos in zijn hoofd. Zijn eigen geest kwam op hem over als een openstaande vogelkooi, waar herinneringen plotseling komen binnenvliegen en dan weer verdwijnen, ogenschijnlijk zonder enig verband of innerlijke logica. En op logica was deze wiskundige juist zeer gesteld.
Zo stuitte hij op de vraag hoe je ooit een ordening aan kunt brengen in die wanordelijke stroom van herinneringen die een mensenleven blijkt te zijn als men terugkijkt naar het verleden. Maandenlang piekerde hij zonder een woord op papier te krijgen. Om uit deze patstelling te komen besloot hij om eerst maar eens zijn huis op te gaan ruimen, en wel grondig en systematisch, van boven naar beneden. Zo belandde hij op de zolder waar hij wederom een enorme chaos aantrof. Dit keer van opgestapelde kisten, dozen en volgestouwde ladekasten, vol met knipsels uit zijn leven. Geduldig begon hij te ordenen en waar mogelijk ook weg te gooien.
Maar al doende, terwijl hij moest beslissen of een krantenknipsel of een brief bewaard moest worden en zo ja in welke map, dwaalde zijn blik af naar wat daar nu precies te lezen stond. En zo kon het gebeuren dat in een oogwenk een heel ander verhaal uit het verleden zich opnieuw in zijn geest afspeelde om even later weer voor een ander verhaal plaats te maken. Zo begon het verleden in hem te leven in een proces dat hij beschrijft als een reeks dia’s die telkens verspringt, maar op onvoorspelbare wijze. Een carrousel met dia’s leek op de grond gevallen en reddeloos in de war geraakt. Dat proces beschrijft hij heel precies, stap voor stap in zijn boek.
Op deze wijze komt zijn levensverhaal op een ogenschijnlijk chaotische manier alsnog op gang. Gaandeweg blijkt dat het warrige toeval, dat hem als leidraad dient, wel degelijk een ordening oplevert. Het toeval mengt zich immers met de structuur van zijn eigen emoties, en zo ontstaat een verband dat een heel ander verband heeft dan dat rationele stramien, waar hij als wiskundige in zijn leven altijd naar op zoek was geweest. Het is een structuur die verborgen lijkt te leggen in de dingen die voor je neus gebeuren. Dit mysterieuze verschijnsel, dat gedachten zomaar op hun plaats kunnen vallen, alsof je ze van het toeval cadeau krijgt is een fenomeen waar veel kunstenaars mee vertrouwd zijn, maar dat ook bij ook bij creatieve wetenschappers niet onbekend is.
‘Ik zoek niet, maar ik vind’, zei Picasso. Die ontdekking heeft misschien wel aan de basis gelegen van de kunst van de twintigste eeuw. Het was de ontdekking dat je niet gebonden bent aan strakke patronen van het verstand om de werkelijkheid te begrijpen of te verbeelden, maar dat je die werkelijkheid misschien wel veel beter begrijpt door die patronen juist los te laten en je eigen intuïtieve spoor te volgen. Als kunstenaar hoef je de wereld niet één op één weer te geven, zoals je haar in een spiegel kunt zien, maar je kunt ook een andere leidraad volgen: het toeval, je eigen emotie, de deconstructie, de montage, de collage – beelden die je uit elkaar laat vallen, opraapt en weer in elkaar zet. Het is de ontdekking dat je door gewoon op weg te gaan als vanzelf bij een doel uit kunt komen. Juist door je doelstelling los te laten wordt juist het doel bereikt. Het is de ontdekking die Freud deed door zijn patiënten op de divan vrijuit te laten praten over alles wat in hun kop opkwam en hen zo tot zich zelf te laten komen.
Het is een vergelijkbare ontdekking die in allerlei varianten ook in de exacte wetenschap naar voren komt. Je zoekt dit, en je vindt dat. ‘Serendipiteit’ noemen ze dat. Dat is een ongrijpbaar fenomeen dat door de Nederlandse onderzoeker Pek van Andel ooit eens als volgt is omschreven: ‘Je zoekt naar een speld in een hooiberg, en je rolt eruit met een boerenmeid.’ De werkelijkheid zit niet zo overzichtelijk in elkaar als eeuwenlang was gedacht. Wij zijn het zelf die de ordening aanbrengen. En soms ordenen we de wereld om ons heen op een onvermoede wijze, zelfs zonder dat we daar erg in hebben. De wetmatigheden die we menen te ontdekken zijn in feite onze eigen voetsporen in de maagdelijke sneeuw. Niet alleen de taal van de woorden, maar ook de taal van de wiskunde zit in onze hersencellen ingebakken. De chaos, waar je zo bang voor was, smelt weg als sneeuw voor de zon, als je beseft dat de structuur, die je altijd hebt gezocht, nooit iets anders is geweest dan het spoor dat je al dwalend achter je laat.
Mevrouw Klap
En opnieuw zie ik dat schoolbord voor me, maar nu volgeschreven met al die wonderlijke formules van DNA, RNA, aminozuren en ribosomen, een wereld van doormidden gescheurde wenteltrappetjes, die weer pasten op andere wenteltrappetjes en door boodschappers met geheime codes precies op de plek werden gebracht waar zij thuishoren in die moleculaire bouwdoos die wij angstvallig ’mens’ blijven noemen. Ik zie mevrouw Klap weer voor me, die biologie gaf in klas 6B, in de herfst van 1965 – 12 jaar na de eerste ontdekking van de DNA dubbelhelix door Watson en Crick. Zij was de lieftallige gids die ons door het mausoleum van de moleculaire formules leidde en die altijd als eerste – als zij de naam oplas van degene die voor het bord moest komen – de naam noemde van iemand die precies op die dag afwezig bleek te zijn, elke keer weer, alsof zij het wist en toch niet kon weten, want ze had niet eens in het rond gekeken in de klas. Ze prikte zomaar een naam. Mevrouw Klap dus, die zei eens op een dag: ’Jullie zullen het beleven, ze zullen mensen gaan maken uit moleculen. Maar wat er ook gebeurt, onthoudt wat ik nu zeg, een mens is geen machine. We hebben een ziel. Wat ze ook doen, we hebben een ziel.’




Bal is zoek
2 december 2010 op 10:07
Je hebt je in je leven wel heel erg door vrouwen in de war laten brengen Huub.
Eerst door je tante Siene, die vond dat je als echte man naar Delft moest. Met daarna alle ellende van dien.
En zelfs nu word je nog gehersenspoeld door mevrouw Klap zaliger, die zegt dat ieder mens, hoe hij dan ook gemaakt is, een ziel heeft.
Het zou mij niet verbazen als meneer Sweerts zich in zijn graf onrustig blijft omdraaien met de gedachte: ‘Mous ga jij maar thuis met de rode bal spelen!’
Rode bal: Dan niet in zee!
2 december 2010 op 16:18
Wubbo Ockels komt met sensationeel zeilschip dat zelf water maakt.
Zwarte bal: eeuwig voor anker
2 december 2010 op 16:25
Het is fenomenaal wat de Nederlandse scheepsbouwers tegenwoordig allemaal kunnen. Maakt het schip ook badwater en zout water?
Mono Leek
2 december 2010 op 16:32
Alle soorten water, geloof ik.
Behalve vruchtwater, dan.
Uitknijpen, uitwringen en ophangen
2 december 2010 op 16:43
Fries centrum voor droogtechniek in Lienward.
Ja zo’n centrum is in Friesland helemaal op zijn plaats.
Die Gruenigers toch
2 december 2010 op 16:54
Dus ook zwaar water, vuurwater en sterk water?
Lijkt mij sterk.
Maar die Groningers laten je altijd weer versteld staan.
stukje kunsthistorie
2 december 2010 op 21:21
De Gruenica, een van de weinige schilderijen die Picasso in 1905 tijdens zijn verblijf in Nederland heeft gemaakt. Met dat aangrijpende beeld van een stervend peerd, beschenen door een schamel peertje. Die gloeilamp nu blijkt, volgens zeer recent onderzoek, via het latijnse ‘Lux’, te verwijzen naar een zekere Loeks (?).