De verbeelder van Ferré
Wim Bors was de initiatiefnemer en organisator van het eerste videofestival in Friesland, dat in 1995 in Leeuwarden van start ging en onder zijn leiding in de jaren daarop zou uitgroeien tot een internationaal podium van videokunst en nieuwe media. De belangstelling van Wim Bors voor videokunst stamde nog uit zijn academietijd aan de Vrije Academie in Den Haag, waar Livinus van de Bundt – de pionier van de videokunst in Nederland - destijds directeur was. Bors’ eerste videoproducties ‘Avec le Temps’ (1986) en ‘La Solitude’ (1990) waren beide geïnspireerd op de Franse chansonnier Leo Ferré. ‘Avec le Temps’ werd in 1988 gepresenteerd in het Coopmanshûs te Franeker, nadat twee jaar eerder een gelijknamige grafiekmap was uitgebracht. Ook deze tentoonstelling in het Coopmanshûs mocht ik destijds openen. Hieronder mijn tekst van destijds
*
Naast sigarenmakers, vlindervangers, mijnwerkers, scharenslijpers, verzamelaars van suikerzakjes en kunstenaars die in de provincie van hun werk proberen rond te komen beginnen ook francofielen allengs tot een uitstervend soort te behoren. De Franse taal is de Franse taal niet meer, althans in Nederland. Behorend tot een generatie, die op de top van de naoorlogse geboortegolf in de jaren zestig de middelbare scholen heeft overspoeld, ben ik wellicht een der laatsten der Mohikanen die nog geen pretpakket mocht kiezen, en dus Frans heeft moeten leren. Het was de tijd van Rosa, Rosa, Rosae. Van BreI, Brassens en Ferré. De coryfeeën van het Franse chanson, die in die jaren de toppunt van hun roem beleefden, hebben hun poëzie gegrift in het geheugen van menig middelbaar scholier, voor wie deze teksten hun geheimen langzaam prijsgaven als gedecodeerde hiëroglyfen van een verre hoogstaande en benijdenswaardige cultuur.
Het Franse chanson hoorde bij zwarte coltruien, Gitanes en Gauloises, in flessen gestoken druipkaarsen op schoolfeestjes, het eerste boek van Sartre of Camus, de terrassen van Saint Germain des Prés, een blik vol – ach, ja van wat eigenlijk…. van iets waar wij niet eens een woord voor hebben – spleen of Weltschmerz. Kortom, het Franse chanson hoorde bij zoiets vaags wat tegenwoordig in het Nederlands zo treffend een ‘lifestyle’ wordt genoemd. Frans bleek een taal waarin je zonder gêne sentimenteel kon zijn en tegelijk hoogstaande poëzie kon uitslaan, het perfecte alibi voor op het schoolplein ontluikende kalverliefdes.
Als Aznavour zong ‘ik hou van jou’ was het meteen literatuur. En wat te denken van die onpeilbare melancholie in de omfloerste stem van Francoise Hardy: ‘Tous les garcons et les filles de mon age se promènent dans les rues par les deux’. In het Nederlands werd het nooit wat, zelfs niet met woorden als als ‘brandend zand’ om maar te zwijgen van de regen die zachtjes zou moeten tikken tegen het zolderraam op het ritme van de eenzaamheid. Zelfs in het Engels kwam men in die dagen niet veel verder als Boe Ba Be Loe Ba I Love You Baby.
Nee, dan het Frans, dat kon je tenminste niet goed verstaan en het liet alles aan de verbeelding over in een tijd waarin de rokken steeds korter en de haren steeds langer werden, de zoete jaren vlak voor de revolutie, voordat heel eventjes de verbeelding uiteindelijk in Parijs aan de macht zou komen. Twee decennia geleden, in de meidagen van ‘68, lag de poëzie op straat. Op de boulevard Saint-Michel werden tegels gelicht. ‘Onder de straatstenen ligt het strand’, stond te lezen op de muren naast andere teksten van anonieme dichters die uit alle hoeken en gaten tevoorschijn kwamen als kinderen van de nacht. In die dagen waren het chansons van Leo Ferré die opeens actueel werden en een nieuwe betekenis kregen. Woorden bleken wapens te zijn en poëzie een provocatie. De verbeelding waar hij altijd van gezongen had werd heel eventjes werkelijkheid.
De verbeelding aan de macht is twintig jaar na dato een holle frase geworden, die zelfs wordt misbruikt als titel voor cultuurnota’s, die niet kunnen verhullen dat de restauratie allang heeft toegeslagen. Cohn Bendit en Ton Regtien zijn nu oudere jongeren, die als leiders van de revolutie na de lange gang door instituties hun memoires schrijven en omzien in verwondering. Ferré is geen oudere jongere. De verbeelding aan de macht wordt door Ferré nog steeds letterlijk in praktijk gebracht. Hij is er de belichaming van. Zijn poëzie komt voort uit een houding van verzet tegen alles wat het individu bedreigt en vooral wat hem het meest dierbaar is: vrijheid, geluk, tederheid en liefde. De liefde die – zoals hij zingt – zelfs opbloeit als de duivel ons ziet verbleken, als de machinerie uiteindelijk ontspoort, we niet meer weten waar we zijn en alleen nog wachten wat er gebeuren gaat.
De beelden die hij oproept zijn visionair en soms zelfs apocalyptisch, maar het gewapende woord kan ook een speelse wending nemen als hij zingt over het zorgeloze geluk dat er moet zijn als alle potloden die men verkoopt in Parijs chansons zouden schrijven en iedere pen in de mond zat van een dichter als Verlaine. Het is een beeldende taal die haast vraagt om een vertaling in beelden. Wat Ferré doet met woorden is het leggen van nieuwe verbindingen, hij zoekt naar wat Baudelaire ‘correspondences ‘ heeft genoemd, verborgen verbintenissen in de taal die nieuwe beelden kunnen genereren.
Het is een opvatting van poëzie die in Frankrijk een een traditie heeft die teruggaat naar de late Romantiek en van invloed is geweest niet alleen in de literatuur, maar ook in de beeldende kunst. Het visionaire , het zoeken naar verbintenissen van beelden die – ook al liggen ze buiten de werkelijkheid – van een innerlijke samenhang kunnen getuigen, heeft vooral in het surrealisme opgang gemaakt. Een Fransman lijkt minder angst te hebben voor het visioen, zoals Breton het uitdrukte: om de vlag van de verbeelding in top te hijsen, of om als Rimbaud in ernst te beweren: ‘Nous ne vivons pas a ce monde’… ‘Wij leven niet op deze wereld.’
Het verbeelden van de poëzie van Ferré is misschien niet meer dan een poging om te kruipen waar hij niet gaan kan. Het wonder van het visionaire heel eventjes aan te raken met eigen beelden, om het onvertaalbare te vertalen. Het zou een poging zijn die tot mislukken is gedoemd, ware het niet dat Wim Bors het toch probeert vanuit een houding van dienstbaarheid ingetogenheid en artistieke integriteit. De poëzie van Ferré staat voor hem centraal en niet zijn eigen verbeelding. Anderzijds zijn het geen louter illustraties die hij laat zien maar pogingen de verbeelding opnieuw tot leven te wekken, van binnenuit met nieuwe middelen in nieuwe gedaanten.

geïsoleerde kruipruimte
27 november 2010 op 13:22
De poëzie van Ferré is misschien ook niet meer dan een poging om te kruipen waar hij niet gaan kan.
Misschien, hoor.
Huub Mous
27 november 2010 op 13:32
kruip door, sluip door…
zo kruipen we maar door
zowel van achteren als van voor
en ook nog doof aan één oor
niet wetend waar vandaan
laat ik de woorden gaan
niet wetend waarnaar toe
ik ben ook al zo moe
het wordt ook tijd voor Klaas
komt staakt uw wild geraas
de maan schijnt door de bomen
laat nu die zak maar komen
peut-être un sluiproute du soleil
27 november 2010 op 13:54
dat is best wel snel, in 10 minuten zo’n gedicht, en op rijm.
enne, De poëzie van Ferré is misschien ook wel meer dan een poging om te kruipen waar hij niet gaan kan.
35 minuten later...
27 november 2010 op 14:29
Misschien, hoor.
(doof aan één oor)
wachten in artiestenruimte
28 november 2010 op 12:10
staan op een station
‘do not open door’
eenzaam schijnt een zon
ferré is iets met spoor
perception
28 november 2010 op 12:30
we gaan nog even door
verder op één oor
gravend aan de voor
gaan we voor een ‘d’Or’
Huub Mous
28 november 2010 op 12:33
Chemin de Fer
‘L’Enfer Ouvert
Le Ciel Fermé
Voilà…. Ferré !
‘Brand in trein op station Hollands Spoor’
28 november 2010 op 12:43
‘Het gaat om een kleine brand die is veroorzaakt doordat isolatiemateriaal in de locomotief vlam vatte. De oorzaak hiervan is nog niet bekend. Het is lastig de brand te bestrijden, stelt een zegsvrouw, maar er is geen risico dat de brand zich verder uitbreidt. Er zijn geen gewonden gevallen.’
woordwaarde
28 november 2010 op 13:28
nog even om niet door
als woordenomnivoor
en altijd vind je daar
weer omniverse waar
Huub Mous
28 november 2010 op 13:39
Het woord is maar een woord
en op het eeuwig slappe koord
van aan elkaar geknoopte taal
schep ik scheppingsverhaal
ontspoord met een -d
28 november 2010 op 14:59
en weder gaat het voort
de koning door de poort
(die heb ik ooit gehoord)
dit lijkt me wat ontspoord
ontspoort met een -t
28 november 2010 op 15:01
dit lijkt me wat ontspoort
Huub Mous
28 november 2010 op 15:17
Die zin loopt als een trein
Maar pas op, want het venijn
zit in de zin zijn staart
als de taal een flater baart
volledig ondspoord
28 november 2010 op 15:44
(nu moet ik iets met baard
*eerst maar ’s even staart*)
eh … ‘wat eens schoonheid was tot pijn,
was barbier tot chirurgijn’
zijspoor ...
28 november 2010 op 16:01
… het lopen van zo’n trein
vereist een logisch brein
dat een reizers’ pijn vergaard
helaas is dàt niks waard