Slauerhoff en de sixties

‘As ik opdroegen wurd sil der net – as by Slauerhoff – in jong/ feintsje fan fieren to gûlen stean.’ Zo dichtte Obe Postma in zijn gedicht As ik opdroegen wurd. Slauerhoff was in zijn ogen kennelijk de dichter die vooral jongens wist te ontroeren. Poëzie voor de puberteit dus. Overigens was Obe Postma zelf ook behoorlijk ontroerd, toen Slauerhoff  – nog maar 38 jaar oud – in 1936 overleed. Hij was nog gecommitteerde geweest toen Slauerhoff in 1916 eindexamen deed aan de Rijks-HBS in Leeuwarden. Obe Postma was toentertijd wiskundeleraar in Groningen. Het bericht van Slauerhoffs vroege dood bracht destijds een schok teweeg bij volk en vaderland.  Obe Postma was zelf toen al 68 jaar, beslist geen puber meer dus. Toch zag hij in zijn gedicht By de dea fan de dichter Slauerhoff de jonge  Slauerhoff nog altijd als een puber voor zich staan, met schooltas en zijn schoolwijsheid, tussen het tassenvolk op de Leeuwarder Nieuwestad: …’In fryske feint, mar mei fermogens mear as Fryslân.’

Het puberale karakter van Slauerhoff, het beeld van de halfvolwassen dichter die weigert volwassen te worden, vormt misschien wel het geheim van de mythe die nog altijd zweeft boven zijn werk en persoon. Veel mensen lazen zijn gedichten en verhalen in de nadagen van hun eigen puberteit. Wim Hazeu schrijft in de inleiding van zijn Slauerhoff-biografie, dat deze dichter – evenals Gerrit Achterberg – hem tussen zijn  vijftiende en twintigste jaar mateloos heeft geboeid. Wim Hazeu is van 1940, dus de periode waar hij op doelt viel tussen 1955 en 1960. Misschien waren dat ook wel de hoogtijdagen van de Slauerhoff-mythe, de periode die direct aan de jaren zestig vooraf ging, prima della rivoluzione. In 1959 verscheen de Slauerhoff-biografie van C.J. Kelk, die ik zelf als middelbare scholier las in 1964. Misschien was de periode 1955 tot 1965 wel het decennium, waarin Slauerhoff bij veel jongeren een schok van herkenning teweeg bracht, vanuit een gedeeld gevoel van onbestemde romantiek dat aan de ware revolutie vooraf gaat.

Veel mensen blijven hun leven lang van de boeken houden die zelf lazen in die kwetsbare leeftijdsfase tussen hun vijftiende en twintigste jaar. In die onzekere periode van hun bestaan werden ze gefascineerd door de gevaarlijke geheimzinnigheid die vooral pubers boeit. De drang om te gaan zwerven is eigen aan de puberteit, op reis gaan zonder doel, een onmogelijke liefde achterna, weg van het vertrouwde achterland dat als onleefbaar wordt ervaren, op weg naar een verre kust, vol heimwee naar een onbereikbaar verleden en voortgedreven door een verlangens naar een ongenaakbaar eiland aan de horizon. Wie wil dat niet, als hij jong is en op de drempel staat van een leven dat hij eigenlijk niet leven wil.

Slauerhoff  bood een vluchtweg voor de Weltsmerz  der Jungling, precies in de tijd dat voor het eerst verzet werd aangetekend door een generatie van halfvolwassen rebellen, Halbstarken, zoals de Duitsers dat zo treffend noemden. Vetkuiven, Dijkers en Pleiners, kortom, de voorlopers van de Provo’s. Het waren verlate pubers die niet wilden indalen in de wereld van het klootjesvolk. Slauerhoff was de ideale dichter voor de rebelse jeugd die zelf nog net geen nozem durfde te worden. Hij was de poëet ‘voor de overlevenden‘, die – zoals Boudewijn de Groot later zong – Tacitus en Wolkers kenden, maar de poes niet meer konden verstaan. Slauerhoff was de ware romanticus, die je als een oudere vriend of misschien wel als een oudere broer zou willen hebben. Geen Big Brother, maar het tegendeel daarvan, een romantisch baken voor de laatste restanten van het kinderlijk gevoel. Toen Willem Bruno van Albada in december 1963 zijn toevlucht nam tot Gerard Kornelis van het Reve, schreef hij als verklaring: ‘Als Slauerhoff nog leefde zou ik ongetwijfeld ook naar hem toe zijn gegaan. ‘

Er is nog iets wat de puberteit op een wonderlijke manier met Slauerhoff verbindt: het tijdperk van de jaren zestig. Die roerige jaren waren misschien wel bij uitstek de tijd van de verlate pubertijd, de uitgestelde volwassenheid, de tijd van de jongeling die opeens radicaal weigert om de wereld van de volwassenen te aanvaarden. In die zin slaat Slauerhoff een brug tussen het interbellum en de jaren zestig. Het onvermogen om in je eigen tijd te leven, dat knagend gevoel van onbehagen in je eigen cultuur, dat Slauerhoff zo helder heeft verwoord, werd in de jaren zestig herkend en opnieuw beleefd, nu niet als fictieve ervaring in een verhaal of gedicht, maar daadwerkelijk door de daad bij het woord te voegen. In de jaren zestig transformeerde de in wezen puberale mentaliteit van Slauerhoff zich opeens tot de romantische revolte van een jonge generatie.

De link tussen de jaren dertig en jaren zestig, is een halfvolwassen verzet tegen de gevolgen het moderniteit, waarvan vóór de oorlog al werd gedroomd, maar dat pas in de jaren zestig daadwerkelijk tot actie leidde. Ik heb al enige tijd het vage vermoeden dat er een wonderlijk verband ligt tussen wat in de tijd van het Interbellum door enkelingen werd gevoeld en gedacht en de revolte in de cultuur die in de jaren zestig plotseling bij een nieuwe generatie – mijn generatie – naar buiten brak. Sterker nog, sinds ik mij begin dit jaar ging bezig houden met cultuur van de de jaren zestig, kwam ik telkens weer in de jaren dertig terecht. Alsof de Tweede Wereldoorlog slechts een cesuur is geweest met een lange staart tot laat in de jaren vijftig. Het is een ondergronds verband, dat ik moeilijk kon verklaren, totdat ik van de week onderstaande passage las in het boek Cosmopolis, the hidden agenda of modernity van de filosoof Stephen Toulmin:

‘No one who lived through te 1960s and early 1970s in New York or California, Brittain or West Germany, could doubt the scale of the social and cultural changes they then saw. Many people of fifty or more hated all aspects of it. Some of them misunderstood that was was happening, and blamed the young generations as ‘out of hand’ and ‘losing thaire values’: hence, the famous generation gap. But that question-begging phrase hid the real issue. Cultural change always takes generational differences as a vehicle. The distinctive thing about this one was the profundity of the changes involved. The highly visible counter-culture of the 1960s was not essentialy a youth culture: the intellectual, psychological and artistical material for the new movement had been there for fifty years, waiting for the generation to see the point and seize the day.’

Dat zijn zinnen waar ik jaloers op ben. Ik zou willen, dat ik ze zelf geschreven had, want ik voel aan mijn klompen dat ze op waarheid berusten. Stephen Toulmin schreef zijn boek Cosmopolis al in 1990. Hij wordt wel eens tot de eerste postmoderne filosofen gerekend. Ten onrechte, want het gaat bij hem om een kritiek op de moderniteit die dieper grijpt dan veel betogen van modieuze postmodernisten. Stephen Toulmin onderscheidt een tweede traject van de moderniteit, waarvan hij de wortels niet zo zeer in de Romantiek situeert, maar al veel eerder, in het begin van de zeventiende eeuw. Het was een aanhoudend verzet tegen het idee dat de wereld door toedoen van de Ratio volledig kenbaar en maakbaar zou worden.

In 1993 nam Stephen Toulmin deel aan de befaamde reeks televisiedebatten van Wim Kayser: Een schitterend ongeluk. Ook toen al was hij een van mijn favorieten, vooral omdat hij een diepgaande kennis van exacte wetenschap wist te combineren met een historische visie op de ontwikkeling van de cultuur. Zo pleite hij ervoor om de theologie serieus te nemen als een historische vorm van wetenschap, die iets te zeggen heeft over de wijze waarop de mens zich in het verleden een beeld heeft gevormd van de werkelijkheid. Bij zo’n uitspraak zag je Daniel Dennett zijn wenkbrauwen fronsen. Hoe dan ook, Stephen Toulmin, die in 2009 overleed, was zelf ook gefascineerd door de roerige jaren zestig. Dat was immers de tijd geweest, waarin het verzet tegen de volledige kenbaarheid en maakbaarheid van de wereld opnieuw oplaaide bij een jonge generatie, die de Tweede Wereldoorlog niet had meegemaakt, laat staan de diepgaande crisis, die Europa al direct na de Eerste Wereldoorlog in zijn greep had gekregen. In een interview in het dagblad Trouw verklaarde hij in 1992 het volgende:

‘De sixties maakten een einde aan de onderwaardering van gevoelens. Sindsdien is de moderniteit eindelijk volwassen geworden. Momenteel heerst nog een conservatief beeld over de jaren zestig. Het fundamentele belang van een cliché als ‘relax’ kunnen we daarom nog niet helder waarnemen. Pas over veertig jaar zal de grote betekenis van de sixties begrepen worden. ‘

Inmiddels zijn we zowat twee decennia verder. Het wonderlijke is dat we nog steeds niet weten wat die jaren zestig in wezen betekend hebben. Om over Slauerhoff maar te zwijgen. Hoe dan ook, het op een halfvolwassen wijze niet willen aanvaarden van de moderniteit is een gevoel dat nog altijd door velen wordt herkend. Evenals het onbestemde verlangen naar dat ongenaakbare eiland aan de horizon, het eldorado op aarde, het Utopia dat aan het eind van de reis voorhanden ligt. Dat eiland – ook al zou het niet echt bestaan – kan nog nog altijd als een mogelijkheid worden opgevat, door elke generatie opnieuw die de wereld, zoals hij wordt aangetroffen, weigert te aanvaarden.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)