Katholiek verzet en retro-modernisme
Wat ik al heel lang zag bedreigen – en meer dan bedreigen: dat je bezig bent – waarschijnlijk onder invloed van de journalistiek etc. – je talent zoo hopeloos te verknoeien als maar enigszins mogelijk is. Na een bladzij of dertig van je boek gelezen te hebben, heb ik het weggelegd met het vaste voornemen, het niet meer open te doen. Het is geen prettige aanblik te zien, hoe je vrienden zichzelf weggooien. En: Als je zoo doorgaat, ben je binnen afzienbare tijd de mindere van de eerste de beste “Roomsche” vergaderredenaar, die tenminste nog een soort geestdrift vóór heeft.’
Aldus Gerard Wijdeveld in een brief aan Anton van Duinkerken van 20 mei 1932. Michel van der Plas verwijst ernaar in zijn biografie Daarom mijnheer, noem ik mij katholiek (2000). Deze felle reactie van Gerard Wijdeveld betrof het boek Katholiek verzet van Anton Van Duinkerken dat in 1932 verscheen bij uitgeverij Paul Brand in Hilversum. Onlangs heb ik een eerste druk van dit boek op de kop kunnen tikken, gebonden in een fraaie band met prachtige opdruk. In die tijd was een boek nog een boek en een katholiek nog katholiek. Wat heet, de jonge katholieken die zich verenigd hadden in het tijdschrift De Gemeenschap hadden scherpe kritiek op het verworden kapitalisme en liberalisme. Zij kwamen met revolutionaire ideeën voor een andere maatschappij-ordening en voelden zich gesterkt door de paus in Rome die met zijn encycliek Quadragesimo Anno (1931) , veertig jaar na Rerum Novarum, het liberale kapitalisme andermaal de wacht had aangezegd. Het was een grimmige tijd, zo vroeg in de jaren dertig. De mensheid leefde ‘in het najaar van de wereld’, zoals de dichter Roland Holst het had verwoord. Dit katholiek verzet was niet geen product van het Rijke Roomse Leven, maar eerder een interne opstand daartegen. Het was een verzet tegen de roomse zelfgenoegzaamheid, de klerikale woekering van processies en wierook, verzet ook tegen het isolement van het katholicisme dat wegkroop voor de moderne tijd.
Niet dat die maatschappijkritiek van de Jonge katholieken altijd in dank werd aanvaard. Twee jaar eerder had Gerard Wijdeveld een hekeldicht gepubliceerd op Wiel Nolens – de priester en fractievoorzitter van de RKSP - waarin hij deze politicus van opportunisme betichtte. De belangen van de missie in Nederlands Indië zouden zijn verkwanseld door katholiek geschipper in het parlement. Dit gedicht ‘De droom van Nolens’ bracht de katholieke autoriteiten in opspraak. Uiteindelijk werd Wijdeveld van hogerhand gedwongen om zijn excuses aan te bieden, wat Menno ter Braak aanleiding gaf tot een honende reactie. Wijdeveld was een van de meest rabiate jonge dichters in het katholieke kamp. In de loop van de jaren dertig zou hij allengs naar rechts opschuiven en zelfs naar uiterst rechts. In de oorlogsjaren sloot hij zich aan bij de NSB. Na de oorlog was zijn literaire carrière gebroken. Hij maakte nog enige naam als vertaler van Augustinus en eindigde als leraar klassieke talen op het Ignatiuscollege in Amsterdam, waar ik hem in de jaren zestig nog heb meegemaakt als een uitstekend en zeer erudiet leraar. In 1997 overleed hij op 92-jarige leeftijd.
Maar hoe zat het met dat Katholiek verzet van Anton van Duinkerken? Ik heb het boek onlangs gelezen en niet zoals Wijdeveld al na dertig bladzijden aan de kant gelegd. Het is een hoogst merkwaardig boek, geschreven in een triomfalistisch proza dat je tegenwoordig niet meer tegenkomt. Alles wat antikatholiek was in die dagen wordt in een vernietigende kritiek tot de grond toe afgebroken. Het vitalisme, het estheticisme, het modernisme, het cultuurpessimisme, de psychologische roman, de persoonlijkheidscultus, de blinde vlek voor het tijdloze, het ‘stroomdenken’ van Menno ter Braak, Freuds onbehagen in de cultuur….kortom, je kunt het zo gek niet bedenken of Van Duinkerken heeft er en oer-katholiek antwoord op.
Telkens weer wordt de middeleeuwse mens met zijn syllogismen en mystiek geconfronteerd met de moderne mens met zijn drang naar goddeloosheid en eindeloos problematiseren. ‘De moderne mens vernietigt systemen en stelt er problemen voor in de plaats’, zo sneerde Van Duinkerken. Maar de waarheid is er al eeuwenlang, waarom dan die moderne cultus van het zoeken? Twee opvattingen botsen voortdurend op elkaar: het eeuwige kruis en de vluchtigheid der tijden. Stat crux, dum volvitur orbis. ‘Het kruis staat vast, terwijl de wereldbol beweegt’. Maar de moderne mens wil dat niet aanvaarden.. Hij erkent alleen de veranderlijkheid van het historisch oordeel. Tempora mutantur et nos in illis. ‘De tijden veranderen en wij met de tijd’.
Het katholicisme was hot in die tijd. Vooruitstrevende geesten voelden zich aangetrokken tot dit oeroude geloof dat de strijd aanbond met de moderne tijd. De dichter Marman dichtte over zijn heimwee naar de tijd van kruistochten en kathedralen, Maar meer modernisten zoals hij voelden zich aangetrokken tot Rome. De schilder Seuphor, de kubist Severini, de componist Strawinsky, de filosoof Berdjajew, de dadaïsten Hugo Ball en Paul Joosten, schrijvers als Léon Bloy, Paul Claudel, Julien Green en Graham Green, de beeldhouwer Hans Arp…. Katholiek zijn betekende in die dagen strijdbaar zijn tegen de geest van de tijd, maar ook zijn tijd vooruit willen zijn. Het boek Katholiek verzet van Van Duinkerken was in feite een manifest tegen het modernisme, maar tegelijk ook een verzet dat hypermodern wilde zijn. Daarmee schaarde hij zich in een wonderlijke tegenbeweging die na de Eerste Wereldoorlog binnen het katholicisme had vlamgevat. De eigen tijd werd de oorlog verklaard in een vlucht vooruit naar de Middeleeuwen. In dit katholieke retro-modernisme kwamen het antimoderne en het ultramoderne opeens op één lijn te liggen. Of zoals de Franse katholieke filosoof Jacques Maritain het al in 1922 had verwoord:
‘Als wij antimodern zijn, dan komt dat zeker niet door onze persoonlijke voorkeur, maar doordat het moderne resultaat van de antichristelijke revolutie ons daartoe verplicht, omdat het zich verzet tegen het menselijk erfgoed, omdat het het verleden haat en minacht en omdat het zichzelf aanbidt, en omdat wij op onze beurt deze haat en minachting, deze geestelijke onzuiverheid, haten en minachten; maar als het erom gaat alle rijkdommen die zich in de moderne tijd hebben opgehoopt te redden en te benutten en te houden van hen die zoekende zijn en te verlangen naar vernieuwingen, dan willen wij niets liever dan ultramodern zijn. ‘
Dat ideaal stond Van Duinkerken voor ogen in zijn Katholiek verzet dat tien kaar later verscheen. Drie jaar na de beurskrach in New York en een jaar voordat Hitler in Duitsland aan de macht kwam. Deze strijdbare apologie van het katholicisme is helder en krachtig geformuleerd en getuigt van een voorliefde voor het debat op het scherp van de snede. Het betoog is zelfs zodanig bevlogen dat je je afvraagt wat Wijdeveld destijds bezield heeft met zijn kritiek op dit manifest. Een gebrek aan geestdrift kon je Van Duinkerken moeilijk ontzeggen, of het moet zijn dat Wijdeveld zelf niet zo zeer begeesterd was, maar verblind door een katholiek vuur dat door roeien en ruiten ging.
Gerard Wijdeveld, eind jaren zestig
Het meest opmerkelijk vond ik het hoofdstuk Wij lijden aan de psychologie. Hierin komt een kritiek op de moderniteit aan het licht die inmiddels ver achter de horizon is weggezakt en tegenwoordig ook haast niet meer voorstelbaar is. Van Duinkerken legt alle schuld voor de verwording van de moderniteit bij de opkomst van de psychologie. Het was immers de psychologie die van de mystieke extase een zielkundig verschijnsel heeft gemaakt. Het was de psychologie, die de genade, die de natuur niet wegneemt, maar opheft, vereenzelvigd heeft met geëxalteerde natuur. De psychologie hoort in zijn optiek bij een mensbeeld, waarin een mens niet meer een beeltenis is van God. Dat wil zeggen: Een mens met een vrije wil die zich zelf in de macht heeft. Ergens in het verleden is het idee ontstaan dat de mens niet langer heer en meedter is over zijn eigen driften en begeerten.
Dat idee staat haaks op de vrijheid van de wil zoals die voor de middeleeuwse mens nog bestond. De vrije wil – de voluntas van Thomas van Aquino – was van oudsher de bekroning van de menselijke natuur. De voluntas van de mens was gelijkvormig aan de wil van God. Begeertes waren er om door de wil bedwongen en bestuurd te worden, maar niet om als onbeheersbaar te worden bestempeld. Dat fatale idee is in de tijd van de Romantiek het denken van de mens gaan bepalen en zo het fundament kunnen gaan vormen voor de moderne psychologie. De moderne mens is gaan geloven in de almacht van de psychologie die nu als constaterende wetenschap wordt aangewend om alles te verontschuldigen wat hoe dan ook kan worden verklaard.
Toch legt Van Duinkeren de schuld van dit alles niet zoals je verwachten zou bij Freud met zijn primaat van het libido, of bij Nietzsche zijn verheerlijking van de eeuwige lust, maar bij de zwartgallige Luther, die van katholieke leer was afgedwaald. Het was immers Luther die als eerste de mogelijkheid van een vrije wil had uitgesloten door de menselijke begeerte als onbeheersbaar te bestempelen. Daarmee had hij de dierlijkheid van de mens ten volle aanvaard. ‘Zondig hevig, zo gij maar heviger gelooft,’ had Luther beweerd. Zo was de ‘moderne onweerstaanbaarheidleer’ ontstaan. De gedachte kwam de wereld in dat men een volwaardiger mens is naarmate men heviger begeert. Daarmee werd het sacrament van het huwelijk een vorm van burgerlijke huichelarij en het klooster een oord van verborgen ontucht. De behoeften van de natuur werden na de Reformatie heilig verklaard.
Zo kon het gebeuren dat de moraal door Rousseau uiteindelijk in de natuur zelf werd gezocht. Maar als de natuur door lust wordt overstroomd, dan is die natuur ook de slechtst denkbare dam tegen de onweerstaanbaarheid van de lust. De heiligheid van het natuurlijke liefdesverlangen en veronderstelde goedheid van de menselijke gemoedsbewegingen schreeuwden, zoals Diderot had beweerd, om het categorisch imperatief van Kant, wat in feite het einde van het christendom betekende. En zo komt Van Duinkerken tot zijn meest gewaagde conclusie: het vitalistische paganisme van de moderne tijd, dat schijnbaar zo tegengesteld is aan de calvinistische levenschuwte, is in wezen de laatste ontwikkelingsfase daarvan. Luther stond aan de basis van de moderne psychologie die gebaseerd is op een onbeheersbaar complex van driften.
Het vitalisme leert de mens, dat het zo hevig mogelijk moet leven, zonder dat het deze vurigheid verantwoorden kan. De middeleeuwse mens daarentegen had de eindeloosheid ervaren aan het einde van het verstand. Mystiek was geen ontkenning van het verstand geweest, maar een bekroning daarvan. De moderne mens echter schuift zijn verstand opzij om plaats te maken voor een oeverloze begeerte naar de begeerte zelf. Hij verafgoodt de intensiteit van zijn ervaringen, maar is als de dood voor de finaliteit van zijn handelen. Want zodra de moderne mens de hartstocht zou zoeken, niet om de ervaring zelf, maar om het object, dan zou hij een middeleeuwer zijn. ‘Dan gelooft hij aan een eindpunt, waar rust is en deze rust moet eeuwig zijn, of het vitalisme wordt een onhoudbare dwaasheid. Men kan niet het leven belijden en daarbij gelooven aan de volstrektheid van den dood.’
Zo sloot de cirkel zich telkens weer in het denken van Van Duinkerken. Het was het vernietigende gelijk van het middeleeuwse syllogisme. De middeleeuwse mens was een goed katholiek. De moderne mens moet een goed katholiek zijn. Ergo: de moderne mens moet in de leer gaan bij Middeleeuwen. ‘De moderne mens’, zo beweerde hij, ‘wil het syllogisme vervangen door de intuïtie, die hem onmiddellijk en helder doet inzien, wat hij vroeger moeizaam moest begrijpen.’ Er was geen speld tussen te krijgen, zelfs niet door Menno ter Braak, wat niet wil zeggen dat deze scholastieke vorm van redeneren de moderniteit ook daadwerkelijk voorbijstreefde. Zijn heidense opponenten had Van Duinkerken vooral geïrriteerd en niet overtuigd, laat staan dat ook maar één van al die zinnen, die hij in zijn roomse bevlogenheid op papier had gezet, één tegenstander zelfs moeizaam tot begrijpen had gebracht.
Hoe dan ook, radicaal katholiek en retro-modern gingen heel goed samen in het interbellum, niet alleen in Nederland, maar ook elders in Europa. De Vlaamse historicus Rajesh Heynickx schreef een prachtig boek over retro-modernisme in Vlaanderen: Meetzucht en mateloosheid. Kunst, religie en identiteit in Vlaanderen tijdens het interbellum (2008). Ook uit zijn studie blijkt dat de modernisering in de jaren twintig en dertig beslist geen eenduidig proces is geweest. Het mooie is dat Heynickx de ontwikkeling in de verschillende regionen van de cultuur simultaan onderzoekt: architectuur, literatuur, filosofie en beeldende kunst. De hang naar artistieke vernieuwing werd veelal bepaald door een fascinatie voor het mateloze van de middeleeuwse mystiek, maar ook naar een verlangen naar een radicaal katholicisme dat maar al makkelijk kon omslaan in een fervent nationalisme of erger nog: nationaal-socialisme. Het was een hybride ontwikkeling van vaak tegenstrijdige tendensen, waarbij een consequent vooruitgangsgeloof gelijk opging – of zich zelfs vermengde – met een regressieve utopie die zijn wortels had in een ver of geconstrueerd verleden. De ontwikkeling van de moderniteit was tevens een zoektocht naar een verloren gewaande identiteit, waarin de religie niet is weg te denken.
Heynickx introduceert in zijn boek de termen amnesie en anamnese. Met amnesie doelt hij op het groeiend besef bij schrijvers en kunstenaars in het interbellum om de hun eigen religieuze traditie opnieuw in herinnering te brengen. Door het geheugenverlies van de moderniteit dreigde die rijke traditie te verdwijnen. Dit gevecht tegen de amnesie ontwikkelde zich vervolgens tot een vorm van anamnese, dat wil zeggen: een actief terugroepen van die traditie en het opnieuw zich toe-eigenen daarvan, om haar vervolgens een nieuwe vertaling geven in de moderniteit. Feitelijk heeft zo de moderniteit op een onvermoede wijze mede kunnen ontstaan. Misschien kun je zelfs stellen, dat een vergelijkbaar proces van amnesie en anamnese momenteel opnieuw aan de orde is. De jaren dertig lijken in de herinnering terug te keren als een vergeten tijdvak, waarin de moderniteit zich formeerde mede door toedoen van een katholiek reveil, maar ook door een tegenbeweging van nostalgie en een intens verlangen naar de traditie. Hoe dan ook, één ding is zeker. De vergaande secularisering, die zich in Nederland sinds de jaren zestig heeft aangediend, heeft de radicaal katholieke, en tegelijk ook retro-moderne bijdrage aan het proces van de modernisering grotendeels aan het zicht onttrokken.




Marjet Derks
12 november 2010 op 17:41
Een interessant verhaal. Kan het zijn dat u zowel de term retro-modern, in combinatie met radicaal-katholicisme in het interbellum, als de gedachtengang eruit, aan mijn boek ‘Heilig moeten. Radicaal katholiek en retro-modern in de jaren twintig en dertig’ hebt ontleend?
Huub Mous
12 november 2010 op 18:40
Ik ken het boek niet, maar neem er graag kennis van.
Huub Mous » Het presentisme van de sixties
25 november 2010 op 00:05
[...] een meer thomistische theologie, zoals al in de jaren twintig werd bepleit door de Franse theoloog Jacques Maritain in zijn boek Antimoderne (1922). Die weg terug liep onherroepelijk uit op een anachronisme, op een [...]
Huub Mous » Monotheïsme en moderniteit
16 maart 2011 op 00:03
[...] is een moderne ontkenning van de moderniteit. Dat is een paradox die enigszins doet denken aan het anti-moderne modernisme waarmee het radicale katholicisme van het interbellum beschreven wordt. Steeds meer wordt het [...]