Eeltsje Hettinga over Goffe Jensma

Dr. Goffe Knoeiboel en

de altijd knetterende Friese internetletteren

In zijn opiniestukje ‘Blogs en fetes; Oer konflikten yn it Fryske literêre fjild’ (Ensafh. Nr. 3) laat Goffe Jensma zijn licht schijnen over een aantal ruzies en conflicten in de Friese literatuur. Een fraaie, op de institutionele theorie van Bourdieu gebaseerde onderneming, maar wel een beetje mislukt. Dr. Goffe doet het voorkomen alsof hij een wetenschappelijk referaat heeft gewrocht, maar door de  selectieve presentatie van het feitenmateriaal, dat ook nog eens aan alle kanten blijkt te rammelen, bewijst hij het tegendeel. Jensma, hoogleraar Friese taal– en letterkunde, heeft moeite om wetenschap en ideologie te scheiden. Hij bedrijft een vorm van wetenschap die niet onderdoet voor de manier waarop Abe de Vries volgens het boekje van de Friese Beweging wanstaltige bloemlezingen als ‘Het goud op de weg’ samenstelt.

1.

De professor, die als propagandist van het Friese boek met veel Friese liefde een ernstige inleiding schrijft bij een verder tamelijk onnozele Friese Libelle-novelle over het leggen van Friese bommen, gebruikt voor het doorgronden van de literaire ruzies, vetes en conflicten in de altijd knetterende Friese letteren ‘de veldtheorie’ van Bourdieu. Die theorie, die ook door zijn ‘leerling’ Joke Corporaal is gebruikt bij het in kaart brengen van de positie van Anne Wadman binnen het Nederlandse en Friese literaire systeem, wordt door Jensma keurig uitgelegd. Chapeau! Hoera ook. Bourdieu heeft ook Friesland bereikt.

Het werk van Bourdieu heeft alles te maken met een spelletje dat literatuurwetenschapper Jos Joosten ‘onttachtiging’ heeft genoemd: de ene generatie wisselt de andere af, een spel dat gepaard gaat met de nodige ‘reboelje’. Bij het gevecht om de afwisseling van de wacht én de macht (de strijd om positie, status en reputatie, zeg maar het cultureel kapitaal van de speler in het veld) zitten de partijen elkaar vaak achterna met hooivork, riek en herder, de Friese variant op de goede, oude goedendag. ‘De iene wol wat nijs, de oare hâldt fêst oan âlde stânpunten. En samar is der dan spul, slaande deilis.[...] ‘De skriuwer komt op. Hy wol wat nijs en fjochtet de âlde hap oan: de fêstige literêre nammen,’ schrijft de professor. Hij wijst op de ruzies tussen Montanus de Haan Hettema en Joost Halbertsma in de 19de eeuw, die tussen Jan Jelles Hof en Douwe Kalma in het begin van de 20ste eeuw en de naoorlogse twisten rond Anne Wadman. Het literaire conflict is van alle tijden, niets nieuws onder de zon, jongens, heeft de welgeletterde professor ontdekt.

2.

Bij zijn onderzoek naar de achtergronden van de literaire ‘reboelje’ rond de vernieuwing en het behoud van de verschillende poëtica’s, want daar gaat het ten slotte over, brengt Jensma de fiches van het medium en de manier van discussie in. Hij wijst op internet, in het bijzonder op het fenomeen weblog, en op de snelheid van dat medium. ‘Hoedenens en betochtsumens binne net de eigenskippen dy’t hjirtroch befoardere wurde.’ De professor zegt het niet met zoveel woorden, maar met de laatste zinsnede doelt hij ook op de toon. Huub Mous ‘skeldt en racht’, weet Jensma. Hij heeft daar geen bezwaar tegen, maar laat de discussiemethoden van de tegenpartij, in dit geval die van uitgever-schrijver Abe de Vries, buiten schot. Dat is een beetje lui, een beetje ‘skiterich’ ook. Door dat soort omissies kiest Jensma partij, ook al schrijft hij heel vroom: ‘Ik kies yn dizze strideraasje gjin partij (al haw ik der miskien wol in miening oer.)

De wetenschappelijke distantie die de professor zegt te betrachten, wordt er op die manier niet sterker op. De afstand wordt nog eens extra afgezwakt door het ‘veldwerk’: het onderzoek van Jensma maar de literair–historische feiten, nodig voor een adequaat onderbouwen van Bourdieus theorie. Dat veldwerk is niets anders dan broddelwerk. Een knoeiboel. Ik hoef hier de door Huub Mous opgesomde waslijst aan onjuistheden niet te herhalen. (‘De oude koeien van Goffe Jensma, 12-06-2010). Die lijst was afdoende. Toch wil ik er eentje aan toevoegen, een niet onbelangrijk feit, tevens een correctie ook. Over het tijdschrift ‘Kistwurk’ schrijft de professor dat het bestond ‘fan 2001 ôf oan en yn april 2002 alwer opdoekt’. Nee. De digitale versie van het eerste Friese literaire tijdschrift op internet verscheen in juli 2000. Het laatste, schriftelijke nummer kwam in 2003 uit. Zowel in de schriftelijk als digitale versie van ‘Kistwurk’ (Hettinga, Hoekstra, Schotanus en De Vries) kwamen allerlei literaire opvattingen naar voren die later een belangrijke rol zouden spelen, zowel in de Kiestra-discussie – een dispuut dat vijf jaar na dato nóg weer eens door Jensma is opgevist – als in de affaire rond de Friese vertaling van ‘Mein Kampf’. De conflicten werden bepaald door fundamenteel verschillende literatuuropvattingen. Reputaties en posities stonden op het spel. De ‘reboelje’ zou het Friese literaire veld radicaal in tweeën scheuren.

3.

Wat Jensma bewogen heeft om een ordinaire ruzie tussen een uitgever en een van haar auteurs op te voeren als illustratie van de theorie van Bourdieu, Joost mag het weten. Het conflict zelf betrof een zakelijk geschil tussen Abe de Vries en Huub Mous over de uitgave van een door Mous geschreven essayboek over Gerard Reve. De Vries bleek een onbetrouwbare uitgever, iemand die zijn afspraken niet nakwam. Met verschillen over literaire opvattingen had het dispuut niets te maken. Jensma had er daarom beter aan gedaan om bij voorbeeld de Kiestra-discussie in kaart te brengen. De uitgeversrel, die daar misschien een afgeleide van is, is in de presentatie van de professor niet meer dan een platte dorpsroddel op Privé-niveau. De theorie van Bourdieu wordt er in ieder geval niet mee geïllustreerd of verhelderd.

4.

De Kiestra-discussie was een soort na-echo van allerlei eerder gevoerde discussies over de rol van Friese schrijvers voor, in en na de oorlog. Daar hoorde ook het terecht door Jensma genoemde conflict rond historicus Durk Nota bij. De Kiestra-discussie had verder alles te maken met internet. De eerste versie ‘Skielk beart de hjerst’, Abe de Vries zijn opstel over de beweger-dichter D.H. Kiestra, adept van de SS-ideogie, betrof een digitale publicatie. De tekst, die zowel in historisch als in literair-historisch opzicht gruwelijk onvolledig was, werd, keihard, op allerlei manieren – van spotverzen, liedjes tot snoeiharde kritieken – onderuit gehaald. De inhoud van de discussie was in hoge mate bepaald door een fundamenteel verschil in literaire opvattingen. Het dispuut zelf speelde zich niet alleen af op het forum van het tijdschrift ‘Farsk’, maar ook op de fora van de digitale tijdschriften ‘Erosmos’ (2003-2005) en ‘Go-gol’ (2005-2010). Alle drie de tijdschriften speelden een cruciale rol bij wat bekend zou worden als ‘de hersteloperatie Kiestra’, concreet: De Vries zijn vergoelijking van de persoon D.H. Kiestra. Jensma rept van een ‘rehabilitatie’, maar fietst, vreemd genoeg, voorbij aan wat het ‘feestelijke’ hoogtepunt van De Vries zijn hersteloperatie had moeten worden: de publicatie van een Kiestra-gedicht op vijf mei, Bevrijdingdag.

Waarom is de Kiestra-discussie, en ik zeg het nog maar eens, zo veel belangrijker voor de illustratie van Bourdieu zijn theorie dan het ordinaire uitgeversrelletje tussen Mous en De Vries? Heel eenvoudig: allerlei taalpolitieke en het Fries-nationale elementen, die bij voorbeeld de leitmotieven zijn geweest bij de samenstelling van een bloemlezing als ‘Het Goud op de weg’ (2008) laten zich niet begrijpen zonder de Kiestra-discussie. Sterker, voortaan ging ook weer de deur open voor allerlei schreeuwlelijke, Fries nationaal angehauchte kefhonden, morele taalridders die er geen moeite mee hebben om in hun poëziebesprekinkjes allerlei niet-literaire argumenten te gebruiken. Friese dichters krijgen bij voorbeeld de waarschuwing mee dat ze niet ‘hij’ moet schrijven, maar ‘hy’. (C. v/d. Wal, Friesch Dagblad, 08-05-2010.) De eerste vorm van dat persoonlijk voornaamwoord draagt niet bij aan wat ‘de status van het Fries’ wordt genoemd. Het zijn taalpolitieke argumenten waarmee impliciet wordt aangegeven dat de Friese literatuur een taak heeft, ofwel: de kunst dient dienend te zijn, dienstbaar aan een ‘zuiver’ Fries. Leve de Friese literatuurkritiek.

5.

De verschillende literatuuropvattingen, die het vuur van een aantal Friese vetes bepaalden, zijn onder anderen beschreven in de tweetalige kritiek ‘De leugen op de dyk – De leugen op de weg’ (2008), een analyse van de bloemlezing ‘Het goud op de weg’. De kern van die kritiek – Friese schrijvers hebben op grond van taalideologische overwegingen de neiging om Beweging en literatuur door elkaar te halen – refereert ook aan de Kiestra-discussie, die, het kan niet ontkend, voor een deel het gezicht van de Friese literatuur in het eerste decennium van deze eeuw heeft bepaald. Het conflict zelf liet diepe sporen na. Dichter-schrijver Elmar Kuiper gaf onlangs nog zíjn vertaling van een van de literatuuropvattingen. In een interview met de Leeuwarder Courant nam hij radicaal stelling tegen een door Friese (taal)ideologie bedorven Friese literatuur: ‘De taal is ark dêrst mei wurkest, mear net. Ik bin in artyst, gjin morele taalridder’ (LC, ‘De Fryske literatuer hat in sletten karakter’, 12-02-2010). Abe de Vries reageerde als door een wesp gestoken. Kuiper zou zijn oren te veel hebben laten hangen naar de tegenpartij. ‘It is krekt,’ schrijft De Vries, ‘as hearre wy hjir in oare Fryske dichter praten, nammentlik Eeltsje Hettinga, dy’t ommers gjin stik oer Fryske literatuer skriuwe kin sûnder op ien of oare wize wol yn te gean op de ûnderstelde fatale ynfloed fan de beweging.’

Slot

Friese literatuur en Friese ideologie staan voortdurend op gespannen voet met elkaar. In het artikel ‘Blogs en fetes; Oer konflikten yn it Fryske literêre fjild’ wordt Jensma geplaagd door een soortgelijk conflict: de strijd tussen Friese ideologie en Friese wetenschap. De professor doet echter alsof zijn neus bloedt. Hij laat het voorkomen alsof hij een ‘waardevrije’ wetenschap bedrijft. Onzin. Door de selectieve keuze in het bestaande, maar niet goed onderzochte literair-historisch feitenmateriaal verkoopt dr. Goffe wetenschappelijke Bourdieu-knollen voor bedorven Friese citroenen, niet in de laatste plaats omdat hij door de omissies in zijn feitenmateriaal, indirect, partij kiest in het conflict tussen Huub Mous en Abe de Vries. Dat mag allemaal, maar voor een ‘institutionele veldspeler’ als Jensma, die zich professioneel bezighoudt met het onderzoek en de beschrijving van een deel van de Friese literatuurhistorie, is het misschien wel zo handig om voortaan even zijn ideologie uiteen te zetten, ook als het zo mocht zijn dat er geen ideologie is. Hoe dan ook, het is van het grootste belang dat de ivoren-toren-professor voortaan zijn ‘veldwerk’ wat beter ter hand neemt, alvorens hij zich waagt aan de ‘onderwereld’ die internet heet.

Eeltsje Hettinga, 13 juny

17 Reacties »

  1. www.ensafh.nl

    14 juni 2010 op 23:12

    [...] Lês fierder by Huub Mous [...]

  2. Smots16: vers cholen

    15 juni 2010 op 07:22

    Ruzieonderzoekers zijn van hoge komaf
    ze schrijven over ruzies van wieg tot graf
    neem bijvoorbeeld een willekeurige imitator
    die is al snel bij ensafh. geprezen literator.

  3. Huub Mous

    15 juni 2010 op 09:44

    Als er weer eens ruzie is
    spring dan maar achterop
    Zonder ruzie is het niks
    Ik hou ervan. Het is top !

  4. trigger

    15 juni 2010 op 10:38

    ik zie mij niet nu ik u zie
    dus pas du tout kans op n fusie
    in tijd heelt wond niet veel fiducie
    wel in de loop van deze uzi

  5. Jensmoe

    15 juni 2010 op 11:00

    “Huub Mous ‘skeldt en racht’, weet Jensma.”

    a. Wat betekent “racht” eigenlijk?
    b. Bij mij is nooit is het idee opgekomen, dat wat Huub schrijft, schelden zou zijn.
    Maar ja, ik ben natuurlijk niet hooggeleerd.

  6. Boer Djeu.

    15 juni 2010 op 12:11

    DE SIETSE DE VRIES FAN DE LITERATUERWITTENSKIP

    Jensma brûkt Bourdieu syn teory oer posysjes en reputaasjes yn it fjild en mient dan dat de ynset fan de De Vries-Mous kontroverse giet oer ‘hoe’t de Fryske literatuer as gehiel him oerein hâlde kin’, dêrby leit er in relaasje mei it spanningsfjild tusken de Nederlânske literatuer en it Fryske subsysteem en hy komt ta de konklúzje dat ‘De Vries besiket om de Frysktalige literatuer serieus te nimmen en te ûndersykjen op syn eigenaardigheden en mooglikheden’ wyls ‘Mous en syn groep [wa binne dat?] foar de foar de kritikasters fan bûtenôf steane.’ It ynterne konfikt by Wadman tusken it leauwen yn in Fryske literatuer en de libbensfetberens derfan tagelyk te befreegjen wurdt dus trochlutsen nei de posysjes dy’t De Vries en Mous yn harren strideraasjes ynnimme.

    Ja, dat is fansels raar, want dan hie net it konflikt sa’t dat neijier 2009 op it net útfochten waard wiidweidich beskreaun wurde moatten. De oanlieding dêrfan lei yn ôfspraken dy’t net neikaam waarden, ien fan beide mannen hie gewoan op de fyts springe moatten om it út te praten: sorry, fleanende drok, ensfh, hoe losse wy dit op. De 2009-diskusje gie oer fan alles en noch wat mar oer ien ding gie it perfoarst net: de libbensfetberens fan de Fryske literatuer. As it dêrom giet, hie Jensma better refearje kind oan De Vries syn pleit om ‘woartels’ te sykjen: de wearde fan de tradysje en de reaksjes op dat pleit. Jensma hie de ynlieding by ‘It goud op ’e dyk’ fan De Vries en reaksjes as ‘De leugen op ’e dyk’ fan Eeltsje Hettinga en ‘Poezie en koeienstaarten’ fan Huub Mous oanhelje kind. (http://www.huubmous.nl/2008/03/03/poezie-en-koeiestaarten/) Dy diskusjes gean oer literatuer en dêr binne stellingen (posysjes) ynnaam.

    Jensma, mei wittenskiplike ôfstân, lit yn feite it hiele fjild fan Bourdieu lizze. As it giet om macht, posysjes en reputaasjes yn it fjild, dan sjochst net allinne nei it konflikt tusken Mous en De Vries, mar ek nei de omjouwing. Allegear partijen en ynstitúsjes, suver literêre en bûtenliterêre. Hoe ha de media reagearre, Tresoar, sjuery’s, resinsinten, wurkjouwers? Yn hoefier spylje rabberijkes in rol, mei wa wurdt oerlein, mei wa net? Hoe sitte de netwurken yn elkoar en hokker gefolgen ha de strideraasjes (eventueel) hân foar de posysjes en reputaasjes fan de opponenten binnen dy netwurken? Dêr sit in iepenbiere kant oan, sa kin Corporaal gebrûk meitsje fan brieven en deiboeken en tal fan publikaasjes, mar lang net alles wat fan belang is yn de beskriuwing fan in konflikt binnen it fjild is iepenbier. Dat sokke prosessen in rol spylje kinne, wurdt wol beneamd, Jensma slút it haadstikje ‘it literêre fjild’ der mei ôf, mar hy lûkt it net troch nei de Mous-De Vries-kontroverse.

    Mei ‘wittenskiplike ôfstân’ beskriuwt Jensma de posysjes dy’t syn ‘haadrolspilers’ ynnimme, as soenen dy út it neat wei komme. Oer in artikel fan Mous as ‘Abe heeft een nieuwe baan’ (http://www.huubmous.nl/2006/08/29/abe-heeft-een-nieuwe-baan/), mei ûnderdiel fan alle strideraasje, sprekt er him ‘wijselijk’ mar net út. In miste kâns, want mei Bourdieu yn it fesjebûsje hie dat moai kind.
    Itselde jildt foar Mous, ‘pensjonado’ wêze docht der net ta, wat der ta docht is in putsje foar Tresoar of bygelyks it fersyk om in boek oer Reve te skriuwen en hoe’t it fjild reagearret as it misbeteart.

    Der is noch wat oars mis mei Jensma syn artikel. Hy begjint mei de konstatearring dat der in soad trelit is en ek dat dat altiten sa west hat, dan, oan de ein fan it earste haadstik, stelt er de fraach dêr’t de rest fan it artikel in antwurd op jaan moat: ‘hoe kin soks’? Mar in beskriuwing fan de Mous-De Vries gedonder sa’t Jensma dy jout is noch hieltyd gjin ferklearring, ek net mei Bourdieu yn hannen en de konstatearring dat oer bepaalde ûnderwerpen (omgean mei de Twadde Wrâldkriich of de libbensfetberens fan de literatuer) wol earder yn de skiednis earder op it aljemint kaam binne is likemin genôch. Dat binne ynhâldlike saken, mar ‘trelit’ is wat oars en dàt as ferskynsel ferklearje, dêr wie it Jensma toch om begûn?

    Dat Jensma net alhiel objektyf is yn it beskriuwen fan in konflikt tusken twa hearen, dêr hat Huub Mous sels al wat oer sein. Dat hy wol deeglik partij kiest, docht bliken út lytse dinkjes yn syn betooch. Sa seit Jensma oer Mous bygelyks ‘(…) en bekommentariearret no graach wat pleagerich de gong fan saken yn it kulturele en literêre fjild en dêrby mijt er him bepaald net.’ Dat lêste (jin net mije) jildt fansels ek foar dy oare haadpersoan, De Vries, mar yn dy syn beskiruwing komme sokke predikaten net foar. Ek wurdt neamd dat Mous De Vries ‘de kanker’ tawinske, oer de toan fan de Vries of it gegeven dat hy noch wolris privee-ynformaasje yn diskusjes behellet, wurdt neat sein. Dat binne subtile dinkjes, mar as Jensma werklik mei wittenskiplike ôfstân nei in resint konflikt sjen wol, moat er der al wach op wêze dêr net al te iensidich oer te berjochtsjen. Soks kin de wittenskip better oan Sietse de Vries oerlitte. (http://www.dekrantvantoen.nl/vw/article.do?id=LC-20050429-32001&words=floedstream skellerij LC)

    Yn in lytse literatuer as de Fryske is net allinne sprake fan rolferminging – Jensma neamt it ferskynbsel as er beskriuwt wa’t Abe de Vries is – de ferskillende partijen sitte ek by elkoar op ’e gong, oan de taap en wurkje al of net tegearre. It is mar de fraach oft dan de nedige ‘wittenskiplike ôfstân’ beholden wurde kin. My tinkt fan net en dat docht ek wol bliken as Jensma, oan de ein fan it artikel, syn beide haadrolspilers mei de foarnamme tasprekt.

  7. Smots16: vers til

    15 juni 2010 op 12:47

    En als er dan geen ruzie is
    dan creëert men er wel één
    blijft men onbeschreven
    heeft men iets om voor te leven

    Oude koeien in de sloot
    als provinciaalse dobbers
    in het Friese avondrood
    tekenen zich bloobers.

  8. Feste

    15 juni 2010 op 13:09

    In het gemoedelijke friese zijn fetes nog fêtes.

  9. Huub Mous

    15 juni 2010 op 13:29

    In Friesland is een koe een ko:
    ‘It koe minder, in ko is in ko’
    Dat schiet ook niet echt op zo
    Elk voorstel is een útstel, no

  10. trekkracht

    15 juni 2010 op 13:47

    Er hangt een paardenhoofdstel aan de muur
    En een zadel in een lege schuur
    Je vraagt waarom ‘k zo droevig tuur
    ‘t Is dat paardenhoofdstel aan de muur

  11. Smots17: vers topt

    15 juni 2010 op 14:30

    Menigeen die poept in eigen schoen
    maar liever dat dan voor het goed fatsoen
    voldoen aan wat de menner laat geloven
    ik ben bereikbaar in grotten en kloven.

  12. Huub Mous

    15 juni 2010 op 15:00

    Ook hoorde ik, toen ik hier pas was aangesteld
    dat ik ‘in heale dei frij’ zou krijgen, ach wat fijn!
    Maar alras bleek, dat ‘t slechts ‘een halve dag’ zou zijn
    In het Fries is alles minder, hoe je het ook telt.

  13. Melting Point Taal

    15 juni 2010 op 15:22

    Toch moet ook worden aangekaart
    dat het soms anders is gesteld
    want een vaderlandse held
    is hier slechts een halve waard

  14. Smots16: vers taan

    15 juni 2010 op 15:30

    Dat noemt men een lokker naar Fries gebruik
    mijn opa Isaak viel eens in een brandende struik
    zo brandt men zomaar een ledemaat of genitaal
    voor het oog van God staat men dikwijls voor paal

  15. Huub Mous

    15 juni 2010 op 16:18

    Ik kende een Fries, die had ‘pyn yn’e holle’
    Dat vond ik toch echt wat teveel van het dolle
    Ik vertelde het dan ook ver in het rond
    dat ik een Fries kende met ‘pijn in zijn kont’

  16. Huub Mous » Boer Dieu over Goffe Jensma

    15 juni 2010 op 16:36

    [...] reactie van Boer Dieu op mijn log Eeltsje Hettinga over Goffe Jensma [...]

  17. waterkip

    15 juni 2010 op 16:45

    de meerkoet heeft het zeker zwaar
    en dat gedurende het hele jaar
    het is voor zo’n vogel ook niet echt fijn
    om in Friesland poep te zijn

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)