De Taag in Beetsterzwaag

‘Die ‘k aan een gier geklemd dacht zwevende over de Andes,
Of snaren toklend aan den langoureuzen Taag,
Verkrachtend te Parijs, of zwervend langs de Landes,
Is nu godbetert arts in ’t Friesche Beetsterzwaag.’

JC Bloem (over J.J. Slauerhoff)

In 1994 opende ik een tentoonstelling van Gjalt Walstra in de toenmalige galerie De Ooggetuige in Beetsterzwaag. De galerie was gevestigd in het pand aan de Hoofdstraat 46. Het jaar daarvoor had Gjalt een paar maanden in Portugal doorgebracht. Daar werd hij getroffen door het ruige landschap, waar de Taag doorheen meandert, maar vooral ook door het licht. Zijn schilderijen die hij na thuiskomst vervaardigde getuigden daarvan. Het waren geen landschappen, maar een soort ‘light-scapes’ Omdat dit werk dus alles met Portugal te maken had, leek het me wel aardig om mijn openingstoespraak met bovengenoemd  citaat van de dichter J.C Bloem over Slauerhoff te beginnen. Slauerhoff hield van Portugal, van Lissabon, de Taag, maar vooral ook van de Portugese fado-muziek. De woorden van Bloem had ik ooit ergens gelezen en daarna genoteerd. Ik ging er van uit dat Bloem Slauerhoff  in Beetsterzwaag al wandelend op een zondagmiddag tegen het lijf was gelopen.

Laatst las ik de Slauerhoff-biografie van Wim Hazeu. Daaruit begreep ik dat deze versregels van Bloem een iets andere ontstaansgeschiedenis hebben. Slauerhoff nam in de zomer van 1929 de praktijk waar van dokter Bremer in Beeststerzwaag. Zijn verblijf aldaar heeft slechts 36 dagen geduurd, maar deed in dit voorname en rustige provincieplaats heel wat stof opwaaien. De dichter-dokter stoorde zich allerminst aan de locale gedragscodes. Zo kreeg hij kennis aan Aaltje Koopmans, de negentienjarige dochter van de plaatselijke kruidenier en daar kwam hij ook rond voor uit. Met Aaltje reed hij in de Ford van dokter Bremer op een dag naar het huis van J.C. Bloem en Clara Eggink. Die woonden destijds in Sint Nicolaasga. Bloem werkte toen als griffier in Lemmer. Ook Edgar du Perron was daar die dag bij aanwezig. Bij die gelegenheid schreef Bloem dit gedichtje op de achterkant van een receptbriefje van Slauerhoff.

Toen ik klaar was met mijn toespraak in Galerie De Ooggetuige, kwam er een oude man naar mij toe en sprak mij aan: ‘Weet u wel dat dit het huis is, waar Slauerhoff destijds verbleef.’ Ik stond in de voormalige woning van dokter Bleeker: de wachtkamer was aan de voorzijde, de behandelkamer aan de achterzijde. Even duizelde het mij, alsof Slauerhoff weer even terug was op aarde. In Beetsterzwaag of all places, en niet ‘snaren toklend aan den langoureuzen Taag’ Er komt geen eind aan met die dichters, zo dacht ik bij mezelf. Ik weet het, Slauerhoff zou zo’n gedachte veel fraaier verwoord hebben. Zo bijvoorbeeld:

Zweven wij treurig duisternis in
En laten daden, kindren achter
En dansen, dichten: ’t zijn wordt zachter
Neen leeg niet, dood is ook begin.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)