Jacques Presser in opspraak

Ongetwijfeld schreef Presser in de oorlog een 
dagboekroman, maar ik vraag me af of Homo 
submersus zoals het nu voor ons ligt, niet een la
ter bijgewerkte versie daarvan kan zijn. Net als 
’De nacht der Girondijnen’ over Westerbork kan de
ze versie gefungeerd hebben als aanloop naar 
’Ondergang’ en geschreven zijn met de kennis die 
hij tijdens zijn onderzoek daarvoor vergaarde. 
Was bijvoorbeeld in 1943 in brede kring bekend 
dat de naar Polen afgevoerde Joden in gaska
mers werden vernietigd? Geruchten daarover 
worden in de roman door onderduikers bespro
ken op 27 juni van dat jaar. En wat te denken 
van Kobus’ oordeel over de leiders van de Joodse 
Raad, dat vrijwel identiek is aan dat van Jacques 
Presser in ‘Ondergang’ 22 jaar later?  ‘Homo submersus’ laat mij achter met twijfels. Het is geen authentiek dagboek, maar ook geen 
geslaagde roman. Het is een voorafschaduwing 
of afgeleide van ‘Ondergang’ en als zodanig voor 
namelijk voor onderzoekers de moeite waard.

Aldus Elsbeth Etty gisteren in de boekenbijlage van de NRC naar aanleiding van het verschijnen de roman Homo submersus (de ondergedoken mens). Het is een gefungeerd dagboek dat Jacques Presser in de late oorlogsjaren zou hebben geschreven, toen hij ondergedoken zat op de Veluwe. In het boek roept een uiterst negatief beeld op van de mensen die Presser onderdak hadden geboden. Onlangs dook het typoscript op, maar er rijzen veel vragen over de authenticiteit. Werd dit boek inderdaad in de oorlog geschreven of pas veel later? Heeft Presser misschien gebruik gemaakt van bronnen die hij onder ogen kreeg tijdens zijn onderzoek naar de Jodenvervolging in Nederland? Hoe betrouwbaar was eigenlijk de historicus Presser bij het gebruik van deze bronnen? Heeft zijn eigen dagboek kort na de oorlog inderdaad aangeboden aan een uitgever? Nico Markus, de bezorger van de tekst, beweert van wel. Hij zou zelfs over een afwijzingsbrief beschikken, maar de uitgever wordt door hem niet met name vermeld. De biograaf van Presser – Nanda van der Zee – is het oorspronkelijke typoscript van Homo submersus op last van Presser door diens weduwe destijds verbrand. De uitgave van het boek komt volgens de biograaf als een volkomen verrassing. Bij haar weten is het typoscript door Presser nooit aan een uitgever aangeboden en bestaat er dus ook geen afwijzingsbrief.

In 1970 zag ik de documentaire Dingen die niet voorbijgaan van Philo Bregstein over Jacques Presser op tv. Presser was twee weken daarvoor overleden. Het was een lang en indrukwekkend gesprek dat later ook in boekvorm is uitgegeven. Zelf heb ik in 1968 nog colleges gevolgd bij Presser en hem zo van nabij leren kennen. In die colleges vertelde hij over de totstandkoming van zijn boek Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945. Hoe is het om zo’n boek te schrijven, waarvoor je eerst een grote emotionele blokkade moet overwinnen. In het interview met Bregstein kwam de aap uit de mouw. Het uitbreken van de oorlog betekende en enorme schok voor hem. Presser deed zelfs een zelfmoordpoging. Zijn baan aan het Vossiusgymnasium in Amsterdam moest hij opgeven en hij werd tijdelijk leraar aan het Joods Lyceum. Daar – zo vertelde hij in een van zijn colleges – heeft hij korte tijd ook Anne Frank als leerling gehad, totdat de familie Frank in 1942 onderdook in Het Achterhuis.

De vrouw van Presser werd begin 1943 betrapt met een vals persoonsbewijs en via het doorgangskamp Westerbork als strafgeval naar het vernietigingskamp Sobibor getransporteerd, waar ze om het leven werd gebracht. Presser zelf dook daarna onder en overleefde op wonderbaarlijke wijze de oorlog. Het verlies van zijn vrouw heeft hem voor zijn verdere leven getekend. In het interview met Bregstein kwam het gesprek onherroepelijk op deze dramatische gebeurtenis. Presser probeerde het kort en sober te vertellen, maar zoals zo vaak gebeurt, als een oorlogsslachtoffer zijn ervaringen voor de camera moet prijsgeven, het lukte niet. Hij brak. De camera moest stoppen en Presser probeerde het opnieuw. Maar wederom brak hij in tranen uit bij de zin: ‘Ik heb haar laten gaan…’

Na de televisie serie De Bezetting van Lou de Jong heeft juist het boek Ondergang van Presser veel bijgedragen aan de bewustwording van Nederlanders van wat er eigenlijk was gebeurd in de oorlog. Het sprookje van een dapper Nederland dat zich als één man had verzet tegen de Duitsers werd definitief ontmanteld. Jan Blokker heeft ooit beweerd dat Pressers geschiedenis van de Jodenvervolging de rebellie inluidde van de jaren zestig, een opstand tegen elke vorm van loos gezag. Ik weet niet of die laatste bewering van Blokker klopt. Hij is me wat over de top, eerlijk gezegd. Hoe het ook zij, het sprookje van destijds over het dappere Nederland heeft inmiddels plaatsgemaakt voor een ander verhaal. Het verhaal van het Nederland dat niets deed en de joden zomaar liet wegvoeren zonder een poot uit te steken. Ik heb de oorlog niet meegemaakt, dus ik kan er ook niet echt over oordelen. Ik ben afhankelijk van anderen, op wiens oordeel ik af moet gaan. Op het oordeel van Presser bijvoorbeeld, wiens boek Ondergang een paar jaar geleden opnieuw is uitgegeven, evenals de gesprekken van Presser met Philo Bregstein.

Presser was door zijn oud-leerling Lou de Jong al in 1950 gevraagd of hij een boek over de Jodenvervolging wilde schrijven. Hij  was niet de eerste kandidaat voor die opdracht, juist omdat hij zijn vrouw in de oorlog had verloren. De Jong had ook lang getwijfeld of hij het wel moest doen. Het was ook zeer de vraag of hij voldoende wetenschappelijke distantie tot het onderwerp zou kunnen behouden. Presser heeft jarenlang met een writersblock te kampen gehad. Dan zat hij doelloos uit het raam te staren in het toenmalige Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie aan de Herengracht in Amsterdam. Er kwam geen letter op papier. Hij had alleen maar stapels dossiers voor zich. Pas nadat hij in 1957  De nacht van de Girondijnen schreef – een novelle op basis van persoonlijke herinneringen aan het kamp Westerbork – kon hij met het schrijven van Ondergang beginnen. Na de wonderlijke berichten die ik gisteren las in de NRC ben ik mijn collegedictaten van Presser uit 1968 nog eens nagaan lezen die ik nog altijd heb beweerd. Maandenlang sprak Presser elke week twee uur lang over het schrijven van Ondergang. Het eerste uur over de methodologische aspecten van een dergelijke onderneming, over het gebruik van schriftelijke en orale bronnen bijvoorbeeld. Het tweede uur over de persoonlijke aspecten. Zo las ik onder meer het volgende.

*

De eerste taak van het Instituut van Oorlogsdocumentatie was van heuristische aard en bestond uit het bijeen brengen van bronnen, het ordenen en beschrijven daarvan en vervolgens het gebruiken van dat materiaal. Lou de Jong is meteen na de oorlog begonnen om de alle officiële documenten bijeen te zoeken. De archieven van nazi’s Duitsland lagen kort na de oorlog voor het grijpen. Er moest een bibliotheek worden aangelegd. Zo werden zo’n 15.000 boeken en een kleine 10.000 brochures en soortgelijk werk bijeen gebracht. Voorts kwamen zo’n 12000 dagboeken boven water, een grote collectie waarvan het merendeel betrekking had op ervaringen in concentratiekampen. De vereiste afstand van de historicus die zich bezig houdt met hedendaagse geschiedenis is een moeilijke zaak, temeer als hij zelf nauw betrokken is geweest bij het gebeuren. De historicus heeft als taak om als een soort ‘zwarte kunstenaar’ de doden de bezweren, om ze als het ware tot een dialoog op te roepen. Etre fuite ce n’est pas vivre, c’est survivre. De doden mogen niet de mond gesnoerd worden door de ‘overlevenden’ de daar belang bij hebben. De historicus spreekt dan ook mede namens de doden. Hij moet zich realiseren dat hij alle dingen waardoor hij geschokt wordt door de hele geschiedenis heen al eens eerder zijn gebeurd. Hij moet dus relativeren.

Joden houden over het algemeen minder dagboeken bij dan andere mensen. Het dagboek is een fenomeen dat vooral in de Europese cultuur zich heeft aangediend. De eerste dagboeken dateren uit het eind van de Middeleeuwen . Ook in Japan kwamen in vroeger eeuwen al dagboeken voor, vooral van  hofdames. Presser verbindt de opkomst van het dagboek met een veranderende beleving van de tijd. De tijdsbeleving is vroeger anders geweest dan nu. Henri Berson spreekt van la durée, de natuurlijke tijd, de tijd van de seizoenen die iedereen anders ervaart en le temps, de wereldse tijd, de tijd van klokken en van zakagenda’s, de tijd ook van koopwaar – time is money.

Aan het eind van de Middeleeuwen werden de mensen gekoppeld aan de voorgeschreven tijd. Tegelijk met deze doorbraak kwamen de kalenders, de precieze dateringen, de scheepsjournaals en de dagboeken in de wereld. In situatie van extreem isolement is een mens eerder geneigd om een dagboek te gaan schrijven. In het getto van Warschau bijvoorbeeld zijn tientallen dagboeken geschreven. In de twintigste eeuw zijn er relatief veel Joodse dagboeken geschreven. In de negentiende eeuw veel minder. Philip Mechanicus schreef een dagboek in kamp Westerbork (het kamp waar ook de vrouw van Presser in  terecht kwam, hm). Het bekendste dagboek uit de oorlogsjaren is het dagboek van Anne Frank. De Anne-Frank-cultus die daaromheen ontstond is niet los te denken van emoties en sentimenten.

Belangrijk voor de historicus  is de manier waarop getuigen aan het spreken worden gebracht. Het gaat daarbij niet alleen de ooggetuigen, maar ook de doden te laten spreken. Sijes is dit gelukt in zijn publicaties over de Februaristaking en de razzia’s in Rotterdam. De onderzoeker moet afgewogen beslissing nemen over zijn methodiek van interviewen. De vraag dient zich aan of hij aantekeningen moet maken in steno of gebruik moet maken van een bandrecorder. Aan beide methoden zijn voor- en nadelen verbonden en afhankelijk van de situatie moet een keuze worden gemaakt. Met een bandrecorder hoor je mensen hakkelen en schreeuwen. De emotionele impact van de getuigenis wordt op deze wijze ook vastgelegd.

Ook stelt Presser zich de vraag in welke mate belletrie in het algemeen als bron worden gebruikt. Daarbij doelt hij niet op de historische roman, de histoire romancée, zoals Salammbô van Flaubert, die zeer nauw de historische feiten volgt. Die feiten worden echter verzacht en geromantiseerd. Huizinga sprak in dit verband van ‘sacharine.’ Wat de oorlog betreft zijn een aantal romans van belang. Presser noemt daarbij Bevrijdingsfeest en Pastorale van Simon Vestdijk, De laars op de nek van Maurits Dekker, De donkere kamer van Damocles van W.F. Hermans. Een gedicht over ervaringen in Auschwitz’ van Gré van Amstel, De dreiging van Helma W. Kats, De sterrenkinderen van Clara Asscher-Pinkhof, Het wilde feest van Adriaan van der Veen, De ondergang van de familie Boslowits van G. K. van het  Reve en Het bittere kruid van Marga Minco.

*

Tot zover een greep uit mijn aantekeningen van destijds. Het is moeilijk om hieruit een conclusie te trekken die enig licht werpt op de huidige kwestie omtrent Pressers eigen oorlogsdagboek. Al met al kun je uit Pressers woorden concluderen dat feit en fictie voor de historicus nooit geheel te scheiden zijn. Hij heeft met beide te maken als hij naar bronnen zoekt, wat natuurlijk niet wil zeggen dat je de feiten naar je hand mag zetten door fictie tot feit te promoveren. Het is niet gezegd dat Presser dit destijds bij het schrijven van zijn boek Ondergang heeft gedaan, maar de uitgave van zijn eigen oorlogsdagboek roept wel een paar ongemakkelijke vragen op.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)