Revolutie tegen de dood
Egbert Tellegen in 1970
Maar hoe zit dat dan? Als nu een onstuimig doorbrekende transcendentie eigenlijk steeds ziekte betekent (akkoord) en de essentie van dat doorbrekende onbekend is (ten onrechte), hoe zouden we dan opeens wel aan de gezondheid van de Bijbelse waarheden moeten geloven. Hoe zit dat dan. Moeten we dan aannemen dat God een speciale periode en een speciale groep mensen uitverkoren heeft voor dat doorbrekende en andere niet, hele volken en tijdperken niet en toch verlangt dat die laatsten daarin geloven? Moet de mens dan aan realiteiten geloven, die, wanneer zij doorbreken in zijn eigen tijd, beslist ziekelijk zijn? En moeten we dan weer een uitzondering maken voor door de katholieke kerk erkende wonderen. Het lijkt me zo te zijn. De echte transcendentie (om een heel algemene aanduiding te gebruiken) is al lang uit het leven verdwenen, maar er zijn enkele eilandjes zorgvuldig gespaard. Daar zijn de katholieke wonderen, daar is het christelijk godsgeloof. Maar kenmer kend is dat eigenlijk niet meer soortgelijke dingen nieuw kun nen ontstaan zonder dat de psychiater ernstig zijn wenkbrauw wen fronst en meer dan dat. En toch.. we snakken naar transcendentie.
Aldus Egbert Tellegen in zijn boek Waar was de dood nog meer, autografie van een psychose. In een nabeschouwing schrijft hij dat hij aanvankelijk een uitvoerig gedocumenteerd nawoord had willen schrijven, met verwijzing naar verscheidene deskundigen als Laing, Linschoten, Szasz, Mitzman en Paul Goodman. Daarmee geeft aan hij in welke context hij zijn conclusies dan wil plaatsen. We schrijven 1971. Het zijn de hoogtijdagen van de antipsychiatrie. De revolutie van de jaren zestig werd nog gezien als een uiting van een diepgaande cultuurkritiek die zich op allerlei terreinen had aangediend Ontwikkelingen in de psychiatrie kregen hun tegenhanger in nieuwe modellen voor de maatschappij. Het waren visies, die uit allerlei bronnen voorkwamen, maar één ding gemeen hadden: een fundamenteel verzet tegen het rationalisme van de technologische samenleving met zijn strakke tijd-as en waarden als efficiency en regelmaat.
Het was een verzet tegen de moloch die in de stedelijke ruimte tot kaalslag had geleid en een eenzame menigte had voortgebracht. Het was de verbeelding die de macht ondermijnde, een onderstroom van nieuwe ideeën die de technologische mainstream bestreed. Geen cultuur, maar een tegencultuur zoals Theodore Roszak beweerde. Het persoonlijke werd politiek. De slotalinea van Tellegens boek is dan ook een oproep aan geestverwanten om de strijd aan te gaan: een revolutie in de breedte. Mensen met vergelijkbare psychotische ervaringen als hij zouden hun geschriften onder het stof vandaan moeten halen en publiceren. Het is een strijd op leven en dood die in de slotzin van het boek wordt verwoord: ‘In de schaduw van de dood voltrekt zich het groeiproces van een nieuwe samenleving.’ Revolutie tegen de dood, dat was ook de provocerende titel van de onuitgesproken openbare les van Egbert Tellegen, die in 1971 verscheen bij de aanvaarding van het ambt van lector sociologie aan de Universiteit van Amsterdam.
De nieuwe samenleving van vrije mensen, waar Tellegen voor pleitte, is er in de jaren nadien niet gekomen. De tijden zijn veranderd, dat wel, maar zeker altijd niet in positieve zin. Terugkijkend vanuit het heden heeft het beeld van de jaren zestig bij menigeen een ingrijpende wijziging ondergaan. Doorgeschoten individualisme, een overheid zonder moreel gezag en een vanzelfsprekende mondigheid, die wel rechten kent, maar geen plichten. Dat alles zou zijn oorsprong vinden in de culturele revolutie van de jaren zestig. Die conclusie klinkt vaak door in het huidige debat over normen en waarden. Hoe zit het eigenlijk met die erfenis van het decennium, waarin de babyboomers tot wasdom kwamen? Het wordt hoogtijd voor een boedelscheiding, waarbij het werkelijk waardevolle in het erfgoed van de jaren zestig wordt veilig gesteld. De discussie is niet nieuw. Al aan het eind van de jaren zeventig nam de socioloog Herman Vuijsje de morele gemakzucht van de ‘nieuwe vrijgestelden’ op de korrel. Frans Halsema zong over een ‘vroeg grijze generatie’ en normen en waarden werden ‘wormen in Naarden’ in de taal van Koot en Bie. De tegencultuur van de jaren zestig heeft inmiddels plaatsgemaakt voor een tijd van restauratie, waarin herstel van traditie en bewustwording van identiteit als verzet wordt beschouwd tegen culturele ontworteling en sociale verwording. En toch, het is goed om de revolte van de jaren zestig op het terrein van de psychiatrie eens in een breder historisch perspectief te bekijken.
Een van de merkwaardigste figuren uit de geschiedenis van de psychiatrie is Anton T. Boisen (1876-1965). Je zou hem de voorloper van de anti-psychiatrie kunnen noemen, de beweging die in de jaren zestig opkwam en die zich niet alleen verzette tegen het medisch bestel in het algemeen, maar ook tegen de psychiatrische inrichting als instituut en de psychiatrie als sociaal controlemiddel. Een van de belangrijkste overeenkomsten tussen Anton Boisen en psychiaters als Laing, Cooper, Szasz en de Nederlander Jan Foudraine was dat hij een psychose niet primair zag als een breakdown van de geest, maar als een mogelijkheid tot geestelijke verrijking. Een psychoticus heeft vaak zeer indringende religieuze ervaringen die zijn leven op een ander spoor kunnen zetten. Natuurlijk geldt dat niet voor alle psychoses. Als er sprake is van een organische oorzaak of een zogeheten ‘paranoïde psychose’, dan zijn de gevolgen doorgaans desastreus. Maar in specifieke gevallen, als er sprake is van een functionele psychose met een korte incubatietijd – de zogeheten ‘katatone dementia praecox’ (een term die tegenwoordig niet meer wordt gebruikt) - dan kan dit leiden tot een doorbraak, temeer als de patiënt bereid is zich open te stellen voor het nieuwe en wil vechten voor zijn herstel en de geestelijke integratie van zijn ervaringen.
Boisen was geen psychiater maar leraar, dominee en bosbouwer. Zelf werd hij meerdere malen in zijn leven getroffen door diepe geestelijke inzinkingen, waaronder ook enkele psychoses. Door over zijn ervaringen te schrijven en zijn bevindingen over te dragen aan theologen en therapeuten werd hij de grondlegger van de beweging van pastorale zielzorg in Amerika. Deze beweging heeft sinds zijn oprichting in 1925 veel invloed gehad, niet alleen in Amerika maar ook in Nederland. Vooral katholieke psychiaters waren na de oorlog op zoek naar alternatieve modellen voor de behandeling van geesteszieken, waarbij Freuds primaat van de seksualiteit en zijn atheïstische en reductionistische opvattingen niet langer als uitgangspunt werden genomen. Zo zocht men alternatieven in de passie-leer van Thomas Aquino, maar ook in de fenomenologie en het personalistische existentialisme. Een ongezonde geloofsopvatting, zo werd beweerd, kan een bron van geestelijke ontsporingen zijn, maar omgekeerd kan een geestelijke ontsporing ook tot probleemoplossende ervaringen leiden die vergelijkbaar zijn met een bekeringsproces.
Anton Boisen (1876-1965)
Door goed te luisteren wat de psychoticus in zijn waanideeën aandraagt, kunnen de sleutels worden gevonden voor de oplossing van existentiële problemen, niet alleen binnen de specifieke situatie van de patiënt, maar ook in bredere zin. Veel grote religieuze figuren uit de geschiedenis hebben een psychotische periode doorgemaakt, zoals bijvoorbeeld Christus, Paulus, Jeanne d’Arc en Theresia van Avila. Vaak ging zo’n crisis gepaard met kosmische ondergangsvisioenen en een roeping om de wereld of een land of volk te redden. Psychotici zijn van huis uit ‘verlossers’. Hun verstoorde geest draagt dan groteske oplossingen aan voor grote problemen, maar in hun waanzin gaat niet zelden een verborgen methode schuil die allesbehalve waanzinnig is. De psychose staat aan de basis van menige religie of religieuze vernieuwing.
Onlangs las ik het boek van Harry Stroeken, Psycholanalyse, godsdienst en Boisen (1983). Het is een bewerking van een dissertatie over dit onderwerp. In kort bestek schetst de auteur een indringend beeld van de patiënt Anton Boisen, die zijn eigen ziektebeeld wist om te vormen tot een pastorale vorm van therapie. Boisen schreef twee boeken: The exploration of the inner world (1936), waarin zijn belangrijkste ideeën zijn samengevat en zijn autobiografie Out of the dephts (1960), die vijf jaar voor zijn dood verscheen. Harry Stroeken toont aan, dat al de ideeën van Boisen zijn gebaseerd op zijn eigen psychotische ervaringen en waandenkbeelden. Daarbij had hij de neiging om zijn in wezen relationele en seksuele problematiek naar een levensbeschouwelijk en religieus niveau te tillen. Hij was niet afkerig van de ideeën van Freud, maar ontweek – als het even kon – een direct psychoanalytische verklaring van zijn problematiek. Dat is de zwakke kant kant zijn benadering. Positief echter is dat hij veel mensen de ogen geopend heeft voor de eigen werkelijkheid van de psychotische waan die veel raakvlakken heeft met de religieuze ervaring. Eigenlijk zijn er twee vormen van religie: de gewoonte-religie en de crisis-religie. Boisen achtte de tweede superieur aan de eerste, omdat in dit soort ervaringen de bodem van de menselijke existentie bloot komt te liggen.
Veel mensen, die een zelf ooit een psychose hebben ervaren, reageren hierop zoals menig overlevende van een concentratiekamp. Ze zijn hun leven lang bezig om de extreme ervaring te integreren en een plaats te geven. In feite komen ze er nooit van los. Dat kan iets benauwends hebben, temeer als het leidt tot nieuwe inzinkingen of een tijdelijke terugval, maar het kan ook verrijkend zijn, als de ex-patiënt erin slaagt uit zijn ervaringen een zin of betekenis te destilleren die ook voor anderen van waarde is. Boisen zelf is daar het levend voorbeeld van. Zijn boeken worden nauwelijks meer gelezen. Zijn ideeën hebben ook geen directe invloed gehad op de ontwikkeling van de psychiatrie, maar ze hebben wel een beweging op gang gebracht die de psychotische waan in een ander kader heeft geplaatst.
Boisens ideeën roepen vragen op in het grensgebied tussen psychiatrie en theologie. Wat betekent het als psychologische begrippen een sterk theologische inhoud krijgen of begrippen uit de psychoanalyse gaan functioneren binnen een theologisch kader? Boisen laat zien dat het ‘idee God’ niet alleen van belang is in de zin of dit woord al of niet refereert aan een metafysische realiteit, maar als een sociaal en psychologisch feit. Een individu identificeert zijn hoogste waarde niet zelden met het begrip ‘God’ en in een psychiatrische crisis komen dit soort processen open en bloot te liggen. Het begrip ‘God’ is gerelateerd aan de diepste krachten van de menselijke geest, of zoals Jung zei: ‘God is een archetype dat is ingeplant in de menselijke natuur.’ Die kracht kan – als de geest in een diepe crisis verkeert – desastreuze gevolgen hebben, maar ook tot grootse daden en inzichten leiden. De vraag rijst dan ook: moet een psychose zo nodig worden onderdrukt door de middelen die de moderne medische wetenschap ter beschikking stelt. Is de psychose niet een revolte? Een basaal verzet tegen iets was grondig mis is in de hedendaagse cultuur. Een revolutie tegen de dood?
‘Alleen al de huidige preoccupatie bijvoorbeeld met terugvalpreventie ten aanzien van psychotische stoornis is gebaseerd op de onuitgesproken en onkritische veronderstelling dat er een voortdurende onderdrukking van spanningen door medicatie te verkiezen is boven een leefwijze waarbij men af en toe eens psychotisch decompenseert.’
Aldus Anton Mooij in zijn boek Psychoanalytisch gedachtegoed, een modern perspectief (2002). Het lijkt of langzaam het inzicht begint te dagen dat een psychose ook een intrinsieke waarde heeft. Door de uitvinding van de antipsychotica kan een psychose tegenwoordig volledig worden onderdrukt. In acute gevallen wordt een patiënt platgespoten en daarna volgt vaak jarenlange medicatie om een terugval te voorkomen. De gevolgen van deze medicijnen op langere termijn zijn nog altijd niet geheel bekend, om de simpele reden dat deze medicijnen nog niet zo lang bestaan. De eerste antipsychotica werden al in de jaren vijftig op de markt gebracht, maar er verschijnen nog steeds nieuwe varianten. De geest kan tegenwoordig chemisch volledig worden beteugeld. Daarmee is de psychose een verdwijnend fenomeen aan het worden. We vergeten daardoor wel eens dat psychotisch gedrag zo oud als de wereld is. Ook in vroeger tijden en in geheel andere culturen komt een dergelijke mentale uitbarsting of instorting voor.
Primitieve culturen hebben vaak hun eigen geneeswijzen ontwikkeld, bijvoorbeeld door excorcistische rituelen, waarbij de patiënt aan een boom wordt vastgebonden en stamgenoten onder leiding van een medicijnman trance-achtige dansen uitvoeren om de boze geesten uit de patiënt te verdrijven. Deze behandelingsmethoden zijn vaak effectiever dan onze westerse behandeling met medicatie. De patiënt wordt immers in zijn waarde gelaten, omdat de magische kracht die zijn geest heeft geannexeerd, serieus wordt genomen. Men spreekt van onreine geesten die uitgedreven moeten worden. Wie zegt dat zoiets niet ook werkelijk aan de hand is? Psychotische fenomenen onthullen zich al naar gelang het denkkader, waarin ze worden benoemd. In ons ontzielde wereldbeeld passen geen onreine geesten. Wij spreken over decompenseren, verdringen, desegregatie, psychische insufficiëntie, sublimeren, libido-fixaties en polymorf perverse seksualiteit. We zien de psyche als een ingewikkeld stelsel van openlijke en verborgen krachten die eerder aan een gas-tank dan aan een mens doen denken.
De signalen van een komende psychose dienen zich vaak al lang van te voeren aan. De patiënt wordt onrustig of soms neerslachtig. Het lijkt of een kracht diep in hem zelf zich ophoopt en vraagt om eruit te komen. Zijn geest lijkt een vulkaan die af en toe een eruptie nodig heeft. Zo’n uitbarsting kan desastreuze gevolgen hebben, omdat er krachten vrijkomen die groter zijn dan de patiënt kan verdragen. Een psychose kan leiden tot uiterst agressief gedrag, niet alleen tegenover anderen maar ook tegen de patiënt zelf. De psychose heeft iets in zich van een drang naar vernietiging, maar in elke vernietiging zit ook een scheppend moment. Het kunnen razen en tieren is soms nodig om tot een hernieuwd inzicht te komen. Na het onweer is de lucht gezuiverd. De wereld lijkt even weer als nieuw. Psychotici vragen deepdown om een veilige omgeving om even uit te kunnen razen. Ze willen vastgebonden worden aan een boom met dansende krijgers eromheen die compleet uit hun dak gaan. Dat is nog altijd beter dan vastgesnoerd te worden onder een spanlaken in een isoleercel en daar naar een smetteloos wit plafond te moeten staren. Misschien heeft ieder mens het wel nodig om af en toe even compleet uit zijn dak te gaan. De collectieve ervaringen van de moderne menigten in stadions, bij popconcerten en houseparty’s zijn nieuwe uitvindingen van de collectieve beleving van trance en bezetenheid. Het is de moderne massapsychose die zo nu en dan een hoogst noodzakelijke decompensatie biedt om de individuele geest in balans te houden.
Misschien is een psychose wel een correcties van de psyche, wanneer hij al te zeer op zichzelf wordt teruggeworpen. In elke menselijke psyche zijn collectieve krachtenvelden werkzaam, waar je weinig mee kunt in een moderne samenleving. Tendensen als hyperindividualisering en extreem materialisme beroven de psyche van zijn primitieve wortels die verbonden zijn met archaïsche krachtbronnen. In een psychose wordt het moderne wereldbeeld op zijn kop gezet en binnenste buiten gekeerd. De psychoticus laat ons zien wie we ooit zijn geweest. Hij toont wat misschien een verloren vaderland van de psyche is, een land dat ten onrechte ooit verlaten is en alleen nog als de mythe van een beloofd land in een onttoverde wereld terug kan keren. De psychoticus laat zien dat er geen wezenlijk onderscheid bestaat tussen de wijze waarop zijn ogenschijnlijk vertroebelde geest aan de werkelijkheid is gehecht en die waarop wij de realiteit om ons heen tot ‘werkelijk’ verklaren. Hoe verder de wetenschap vordert, hoe meer wij menen dat de werkelijkheid samenvalt met de objectieve kennis die wij vergaren. Maar die groeiende toren van kennis berust op een illusie, omdat zelfs ons wetenschappelijk wereldbeeld in laatste instantie op een geloof is gebaseerd. Het is het moderne geloof dat onze geest geen idolen meer kent. Elke geest heeft zijn idolen. Elke kennis van de wereld is gebaseerd op onzichtbare vooroordelen en stilzwijgend gepasseerde veronderstellingen. Alleen de gek weet dat de gezonde geest een illusie is.



