Ken je het land waar de boeken branden?

De verdraagzaamheid is een van de meest waardevolle verworvenheden in onze samenleving, maar zij heft zichzelf op, wanneer zij verstaan wordt als het alles verdragen, alles zonder oordeel consumeren. Aan iedere praktijk van de verdraagzaamheid moeten grenzen worden gesteld. Begrippen als democratie, liberaliteit, tolerantie en fair play worden nietszeggend, wanneer men daaronder verstaat: het ontbreken van een eigen keuze en een eigen standpunt, de gemakkelijke houding van het alles begrijpen en het alles aanvaarden, het achterwege laten van zelfbescherming. Deze fout en zelfs fatale opvatting van de democratie heeft in het verleden meermalen tot bittere gevolgen en zelfs tot catastrofes geleid.

Aldus hoofdredacteur Jan Piebenga in de LC van 14 oktober 1965. Aanleiding voor dit commentaar was het nieuws dat in Düsseldorf boeken waren verbrand, niet door neo-nazi’s, maar door christelijke jongeren. Ze maakten deel uit van een afdeling van de De evangelische Jugendbund für Entschiedenis Christentum. Het gebeuren vond plaats na een zondagsdienst, waarin de voorganger een tekst uit Handelingen 19:19 had behandeld: ‘En enigen van degenen die toverkunsten hadden uitgeoefend, brachten hun boeken bijeen en verbrandden ze ten aanschouwe van allen. En men berekende de waarde ervan en stelde die vast op vijftigduizend zilverstukken.’ Boeken van Günter Grass, Erich Kästner, Nabokov, Francoise Sagan en Albert Camus gingen het vuur in. Het waren foute boeken in de ogen van deze jongeren. Zij waren tot de conclusie gekomen dat deze boeken voor hen ‘het godsgeschenk van een echt rein leven teniet konden doen.’ Ook meenden zij dat deze boeken ‘de zucht naar steeds sterkere seksuele prikkels de persoonlijke band met Christus vernielt. ‘

In heel West-Europa leidde dit gebeuren tot veel verontwaardiging. Ook in Nederland. Hans Keller en Simon van Adelberg maakten er een indringende documentaire over die eind 1965 voor de VPRO-televisie werd uitgezonden: ‘Kennst du das Land  wo die Bücher brennen?’ Het was vooral omdat het Duitse jongeren waren die tot deze daad waren overgegaan. De oorlog was nog maar twintig jaar voorbij en de boekverbrandingen van de Nazi’s lagen nog vers in het geheugen. De dominee in Düsseldorf, die bij het gebeuren betrokken was, vond de ophef onbegrijpelijk. Niemand van de deelnemer aan de boekverbranding uit 1933 was immers bij dit gebeuren betrokken geweest. Duitsland leefde in een nieuwe tijd. Er was een nieuwe jeugd opgegroeid, die zijn anker zocht in Christus en niet in het nihilisme en existentialisme van de moderne literatuur.

In die zin was dit gebeuren misschien wel exemplarisch voor wat er midden jaren zestig in de wereld aan de hand was. Er moest radicaal gekozen worden tussen heden en verleden. Tussen God of goddeloosheid. Tussen traditionele waarden of een moderne moraliteit. Voor orthodoxe christenen was dat geen makkelijke keuze. Zij voelden zich bedreigd door een vloedgolf van immoraliteit, die de moderne tijd met zich mee leek te brengen, en vooral in de moderne literatuur hoogtij vierde. De boeken, die zij voor de openbare verbranding hadden uitgekozen vormden een wonderlijke staalkaart van deze nieuwe ontwikkeling. Wat deed Albert Camus bijvoorbeeld tussen deze ‘verdorven auteurs’?

Zijn boek Las Peste uit 1947 zal zeker op de brandstapel in Düssseldorf hebben gelegen, maar je moet toch wel bord voor je kop hebben om hierin een goddeloos boek te zien. Zeker de hoofdpersoon Dr. Rieux gelooft niet in God. Hij probeert – misschien wel tegen beter in – de slachtoffers te helpen van een pestepidemie die de Algerijnse stad Oran heeft getroffen. Rieux wil een heilige zijn zonder God. Wat is daar mis mee? Camus geloofde dat ondanks al het kwaad, dat het lot de mens – en de mens zichzelf – kan aandoen, het goede toch altijd weer komt bovendrijven. Dat goede in de mens is onuitroeibaar. Dat had de laatste oorlog immers bewezen, toen de ratten uit de riolen waren gekropen en langzaamaan de hele stad in bezit hadden genomen. Maar de epidemie was weer geweken, net zo raadselachtig als hij gekomen was. Het bacil van de pest was weg, ook al zal deze ziektekiem van het kwaad nog altijd ergens sluimeren op een onbewaakte plek, in de poot van een stoel bijvoorbeeld. Maar de stad was opnieuw ontwaakt in een ochtend van vrede.

Dat subtiele teken van hoop werd niet gehoord door deze jonge christenen. De gedachte, dat God dood kon zijn, was voor hen onaanvaardbaar. Dat was ook de breuk van de jaren zestig. Met of zonder God. Een nieuwe generatie stond definitief voor dat laatste dilemma, waarbij slechts enkelingen de vraag stelden of dit misschien geen schijnprobleem was.  Het was niet God of geen God, maar eerlijk of niet eerlijk zijn voor God. Dat wil zeggen, toegeven dat het godsbeeld, dat je ouders gekoesterd hadden – of beter gezegd gevreesd – tot op de draad versleten was. Eerlijk zijn voor God, betekende in laatste instantie eerlijk zijn voor jezelf. Afstand doen van alle schijnheiligheid en mooipraterij.  Weg met de literatuur die vals speelde. Weg met de kunstenaar die geloofde dat kunst de waarheid is en de werkelijkheid schijn. Weg met de schrijver die zich verbergt achter zijn eigen personages. Weg met de auteur die in zijn eigen boek niet zichtbaar wil worden, zelfs niet voor zich zelf. Weg met al die smeerlappen die niet recht op in de wind durven te erkennen dat dit leven op zichzelf geen enkele zin heeft. Dat de enige bestemming van het leven de dood is en niets anders. Dat was een andere brandstapel: het vreugdevuur van de jaren zestig, waarin alle uitingen van schijnheiligheid in de hens werden gestoken.

Boeken vatten niet zo makkelijk vlam. Pas bij 451 graden Fahrenheit zal het vuur vat krijgen op het papier. Dat was dan ook de titel van de film van Truffaut – Fahrenheit 451 – die een jaar later in 1966 in première ging. Het boek, waarop deze film gebaseerd was, werd al in het begin van de jaren vijftig geschreven, maar de inhoud was opnieuw actueel. Het verhaal ging over de universele verleiding van het verbranden van boeken. In een toekomstige wereld zou het lezen van boeken verboden worden en moesten alle boeken in het openbaar worden verbrand. De taak van de brandweer was niet het blussen, maar juist het in brand steken, niet alleen van boeken, maar ook van huizen waarin deze boeken zich bevonden. Eén brandweerman echter hield boeken achter en ontdekt zo opnieuw de literatuur. Want er is altijd nog de hoop die in een boek bewaard blijft. Het verbranden van boeken is in laatste instantie het vernietigen van de hoop.

Niet alleen in de Tweede Wereldoorlog werden er boeken verbrand, maar ook in de Bijbel. In de middeleeuwen werden de boeken van de Katharen op de brandstapel geworpen. In de eeuw van de Inquisitie in Spanje gingen hele bibliotheken in vlammen op. En nog altijd branden er boeken. Moslims verbranden De Duivelsverzen van Salman Rushdie en als het aan Geert Wilders ligt, gaat straks de Koran het vuur in. Katholieken gooiden recentelijk niet alleen de boeken van Harry Potter in de vlammen, maar ook De Da Vinci Code. En in Amerika maakt Sarah Palin zich op om straks de Amerikaanse bibliotheken met het vuur van het patriottisme te reinigen. Boekverbrandingen zullen pas ophouden als er geen boeken meer zijn. En waar boeken worden verbrand, zo zei Heinrich Heine, zullen weldra ook mensen worden verbrand.

Ook de Friese schrijver Trinus Riemersma waren de gebeurtenissen destijds in Düsseldorf niet ontgaan. Hij schreef zijn eigen La Peste van Camus: Minskrotten-Rotminsken. In de herfst van 1965 was hij er aan begonnen, toen hij in een sloot ergens boven Stiens een enorme rat zag zwemmen. Een paar maanden later – op Goede Vrijdag 1966 – was het boek voltooid. Het was een boek over eerlijkheid en schijnheiligheid, over een leven mèt of zonder God, over kunst die waarheid wil zijn en een werkelijkheid die schijn is. Het ging over ratten zo groot als mensen, maar ook over rot-mensen. Het ging over het boek Honest to God van een Anglicaans priester die veel citeerde uit de boeken van Camus. Het ging over de vraag hoe eerlijk een schrijver voor zich zelf kan zijn in een wereld zonder God. Maar bovenal was het een boek over het schrijven van een boek. Misschien moet de boekverbranding in Düsseldorf wel de werkelijke aanleiding zijn geweest voor Minskrotten-Rotminsken. De gedachte, dat christelijke jongeren La Peste van Camus op de brandstapel gooiden, moet voor Riemersma onverdraaglijk zijn geweest. In zijn boek schreef hierover het volgende:

Ik hie likemin it each op it taboe dat wol lein wurdt op 
itjinge net strykt mei de oertsjûging, de ideology, oft dy no 
kristlik of kommunistysk is (wat, as it goed wie, itselde wêze 
moast, en it nammers yn ‘ e feroardieling fan’ e keunst ek faak 
is, spitigernàch). Yn ‘e L.C. fan juster stie yn ‘e tsjerkenijsru 
bryk in stikje oer jonges yn Düsseldorf dy’t moderne literêre 
wurken fan û.o. Camus ferbaarnd hiene. It striek net mei har 
kristlike opfettings, dat sadwaande.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)