De Moffenfontein van Leeuwarden (1)

 

Ik ben nooit in Buenos Aires geweest, maar via internet kom je overal. Zo ontdekte ik een fontein op het Plaza Alemania van die stad: de Fuente Riqueza Agropecuaria. Hij werd in 1914 voltooid naar ontwerp van professor Gustav Adolf Bredow, een Duitse beeldhouwer, die ook wereldberoemd is in Friesland. Deze professor ontwierp immers ook de Mercuriusfontein in Leeuwarden. Sinds tijden doet het verhaal de ronde dat de Mercuriusfontein een afdankertje is geweest van een monument dat eigenlijk in Buenos Aires had moeten verrijzen. Ook wordt wel eens gesuggereerd dat Leeuwarden destijds een afgewezen voorontwerp voor Buenos Airos in de maag gesplitst kreeg. Zo beweerde Peter Karstkarel in het boek Beelden in Leeuwarden (1994) dat er aanwijzingen zijn, dat het ontwerp teruggaat op een ontwerp van Bredow uit 1910 voor Buenos Aires.

Karstkarel meldt hierover het volgende: ’In breedvoerige toelichtingen liet Bredow merken dat de grote beeldengroep eigenlijk niet zo goed in Leeuwarden paste, maar dat de omgeving zich ongetwijfeld geleidelijk zou aanpassen aan het grootsteedse karakter van de fontein.‘ Als dat laatste waar is, dan heeft Bredow in ieder geval een vooruitziende blik gehad. De stedelijke context van deze beeldengroep is in de afgelopen decennia meerdere malen ingrijpend veranderd, zodanig zelfs dat de Mercuriusfontein uiteindelijk het veld heeft moeten ruimen en over twee jaar in volle glorie terug zal keren op een plek niet ver van zijn voormalige locatie, waar hij qua schaal en maat beter dan ooit tot zijn recht zal komen. Bovendien wordt de betekenis van het geheel als allegorische verbeelding van handel een nijverheid bewaard door de samenhang met de nabijgelegen Beurs.

Leeuwarden heeft altijd een beetje een haat-liefdeverhouding gehad met deze merkwaardige beeldengroep. Er werd al vroeg geklaagd over het slecht functioneren van de fontein, die ook lang niet altijd in bedrijf was, mede door het verstopt raken van de waterspuwers. Als hij het al deed, was er meestal een slap straaltje te zien, waar je niet echt vrolijk van werd. De onderhoudskosten waren van het begin af aan ook vrij hoog. De bassins functioneerden al gauw dienst als publieke afvalbak. Bij bijzondere gelegenheden deed de fontein dienst als tribune voor het publiek, zoals bij de feestelijke intocht van Dorus op 5 april 1959, waarbij heel wat volk op de been was en de fontein wel een bruidstaart leek die met mensen was opgemaakt. Op 1 mei 1967 beraamden leden van de Leeuwarder Provo-groepering New Left een aanslag op  het beeld van Mercurius en dreigden hem van zijn mannelijkheid te ontdoen, wat makkelijker gezegd was dan gedaan.

Wel gooide men nog heel wat keren zeeppoeder in de waterbekkens, waardoor een bruisend sop omhoog werd gespoten. De twee vrouwelijke figuren zijn ook ontelbare keren van lingerie voorzien, en niet alleen in de oudejaarsnacht. In de winter werd wel eens fiets in de bevroren waterbekkens gegooid en in zijn laatste jaren deed de rand van de fontein dienst als ontmoetingsplek voor hangjongeren wat de omgeving er niet veiliger op maakte voor het publiek. Weinig mensen keken er nog naar om. Men nam ook geen aanstoot meer aan de schaamteloze naaktheid van de gebeeldhouwde figuren. Dat was tot ver in de jaren vijftig wel anders, toen menig kind, dat in Leeuwarden opgroeide, van huis uit verboden werd om in de buurt van de fontein omhoog te kijken naar de onzedelijke uitbeelding van de geslachtsorganen. Nee, het heeft nooit zo geboterd tussen deze fontein en het Leeuwarder publiek.

In de jaren tachtig was er zelfs even sprake van dat de fontein geheel uit het stadsbeeld zou verdwijnen, maar dat stuitte wonderlijk genoeg van op protesten. Het bleek ook niet zo makkelijk om de fontein van zijn plaats te krijgen. Twee van de drie ontwerpen voor het zogeheten ‘pleinafsluitend gebouw’, dat de gemoederen begin jaren tachtig behoorlijk bezig hield, waren om het gebouw heen gepland. Alleen in het ontwerp van Bureau Gerbenzon bleef de fontein volledig ongemoeid. Abe Bonnema wilde de hele beeldengroep inclusief het ondergrondse waterbassin zelfs een eindje opschuiven in westelijke richting om zo een gezellig binnenpleintje te creëren dat naar Mercurius zou worden vernoemd. Het geluid van het kletterend fonteinwater zou door de ronde muren eromheen worden weerkaatst. Het heeft er alle schijn van dat zijn idee uiteindelijk ten dele is verwerkt in het definitieve ontwerp van het Bureau Lucas & Ellerman, dat uiteindelijk de opdracht kreeg. Ook zij creëerden een ronde achtergevel voor de fontein, zij het dan dat de fontein gewoon op zijn plaats bleef staan en qua schaal voortaan behoorlijk in zijn directe omgeving detoneerde.

Het moet voor Bonnema een grote teleurstelling zijn geweest dat hij deze prestigieuze opdracht in het hartje van zijn geliefde stad uiteindelijk niet kreeg.  Zijn ontwerp stak volgens menig deskundige ver uit boven de andere twee, al was het maar vanwege de betere oplossing voor de ingang van de parkeergarage en ook de logische doorsteek voor voetgangers in het verlengde van de Oude Lombardsteeg. Misschien is deze onterechte nederlaag van Bonnema uiteindelijk wel mede de oorzaak geweest, dat het Fries Museum nu op het Zaailand verrijst en en passant een aantal fouten in het ontwerp van Lucas & Ellerman nu alsnog kan worden hersteld. Bovendien komt het huidige nieuwbouw van het Fries Museum van Bonnema’s grote concurrent Gunnar Daan straks aan de Turfmarkt leeg et staan als een troosteloze ruïne. Dat is wat je noemt ‘regeren over het graf.’ Hoe dan ook, de situering van de Mercuriusfontein is er in de loop der jaren niet op vooruit gegaan.

Eind jaren negentig ontstond nog het onzalige idee om de fontein te overkappen met een glazen dak, om zo het geheel wat meer allure te geven. Maar ook dit plan ging uiteindelijk niet door. Kortom, de omgeving veranderde, maar de fontein bleef staan.  De profetische woorden van professor Bredow waren inmiddels allang verstomd. Maar nu komen ze dan uiteindelijk toch uit, al zal de Leeuwarder bevolking nog twee jaar moeten wachten. Het verplaatsen van de fontein bleek overigens minder problematisch te zijn dan verwacht. In feite was het een bouwpakket, dat met ondergronds waterbassin en al gewoon uit elkaar kon worden gehaald om het straks weer elders te monteren.

Maar hoe zat het nu eigenlijk met de ontstaansgeschiedenis van deze fontein? Had Peter Karstkarel gelijk door het ontwerp als een ‘afdankertje’ te bestempelen? Door de jaren heen rezen er twijfels of dit verhaal wel klopte. In zijn rubriek Dwêrs in de LC van 8 juni 2006 noemde Pieter de Groot dit verhaal een onuitroeibare mythe. Was het een reeds bestaand ontwerp of is de fontein specifiek voor deze locatie bedacht? Dat is de hamvraag, maar er zijn nog meer onduidelijkheden. Zo  zou er zijn gekonkeld door de Leeuwarder VVV die de opdrachtgever was. De opdrachtprocedure zou ook allesbehalve transparant zijn verlopen. Maar wat er ook allemaal is misgegaan, in ieder geval is duidelijk dat professor Bredow in 1910 de Fuente Riqueza Agropecuaria specifiek voor Buenos Aires ontwierp. Dat deed hij overigens in opdracht van de Duitse regering. Het was een geschenk aan Argentinië, dat in dat jaar het eeuwfeest vierde van een nationale revolutie.

Hoe je het ook wendt of keert, deze fontein in Buenos Aires lijkt in de verste verte niet op de fontein in Leeuwarden. Bovendien had Bredow met zijn ontwerp voor de Mercuriusfontein precies aan de opdracht voldaan. De VVV had in 1921 een prijsvraag uitgeschreven voor een ontwerp dat niet alleen de handel en het verkeerswezen moest symboliseren, maar ook de visserij, de landbouw, de scheepvaart en de veeteelt. Al die symbolen zijn exact in de beeldengroep van Bredow te herkennen en komen niet voor in het monument in Buenos Aires. Het zou wel heel toevallig zijn geweest, als deze professor een ontwerp in de la had liggen dat exact aan de gecompliceerde opdracht voldeed. Of het moet zo zijn, dat de het bestuur van de VVV de opdrachtformulering voor de Mercurusfintein heeft aangepast aan het reeds bestaand ontwerp van Bredow, maar dat is wel heel onwaarschijnlijk,

De VVV had destijds al enige ervaring opgedaan met grote opdrachten. Eerder al, in 1916, werd in opdracht van de VVV door Bart ten Hove het standbeeld van de eerste Nassause stadhouder Willem Lodewijk vervaardigd. Zo ontstond het beeld dat later ‘Us Heit’ zou worden genoemd, met een marmeren sokkel naar ontwerp van Willem Molkenboer. De stad vroeg om monumentale verfraaiing en in een tijd van sterk historisch besef bood het ‘standbeeld’ van een bekende Fries uit het verleden een ideaal landmark voor de cultuurtoerist. Het succes van dit standbeeld smaakte naar meer. De VVV was ook beslist niet conservatief in haar artistieke voorkeuren. In 1916 werd een prijsvraag uitgeschreven voor de rotonde aan het stationsplein, waarbij het duo Jan Wils en Theo van Doesburg de tweede prijs won. De brave bloemenschaal, die uiteindelijk op deze locatie een plaats  kreeg, moest in 1985 wijken voor een heel ander kunstwerk: de regenboogfontein, die nu achter het station staat te verpieteren en die in opdracht van de Leeuwarder middenstand ontworpen werd door Henk Hofstra, die later bekendheid zou krijgen door zijn ‘gebakken eieren’ voor het Zaailand.

Hoe dan ook, het bestuur van de VVV had destijds een beter gevoel voor citymarketing dan menig hedendaags wethouder, om over gevoel van smaak maar te zwijgen. Het  constructivistische ontwerp van Jan Wils en Theo van Doesburg uit 1917 wordt nog altijd in het Abbemuseum in Eindhoven bewaard. Met de realisatie van dit revolutionaire ontwerp zou Leeuwarden zijn tijd ver vooruit zijn geweest, maar het heeft helaas niet zo mogen zijn. De artistieke ambities waren in het eerste kwart van de vorige eeuw in Leeuwarden hoog, zeer hoog zelfs. Dat zou in de decennia voor en na de Tweede Wereldoorlog stilaan gaan veranderen.  Leeuwarden dommelde langzaam in tot een dromerige  provinciehoofdstad, waar wat betreft kunst in de openbare ruimte weinig spectaculairs te beleven viel.

Ook bij de opdracht voor het Troelstra-monument bij de Oldehove in 1962 ging er van alles mis. Ook hier was regentesk gekonkel van pommeranten de oorzaak van een weinig transparante gang van zaken bij de gevolgde opdrachtprocedure. Nadat  mevrouw Faber de schrijver H. P. Wiersma had geraadpleegd, die in die tijd bezig was met een biografie van Pier Pander, waarvoor hij in contact kwam met de voormalig Amsterdamse stadsbeeldhouwer Hildo Krop – door Gerard Reve ooit beschreven als ‘een communistische koekenbakker van geslachtsloze beelden’ – werd uiteindelijk met deze, inmiddels stokoude kunstenaar in zee gegaan, die fysiek noch mentaal nog in staat was om een beeld van een dergelijk formaat tot een goed einde te brengen. Het resultaat werd dan ook het lelijkste beeld dat ooit in Friesland vervaardigd is en dat nota bene op de meest prominente plek van de hoofdstad een plaats heeft gekregen.

Pas rond 1990 ging men zich in Leeuwarden weer internationaal oriënteren bij het verstrekken van opdrachten. De tentoonstelling 11 steden, 11 landen, die in 1990 in de Frieslandhal was te zien, was daar een bewijs van. Die nieuwe ambities kwamen ook naar voren in een plan voor een Vredeman de Vriesmonument, dat op het Zaailand had moeten verrijzen, naar een ontwerp de Amerikaanse architect Charles Moore, ontwerper van het Plaza Italia in New Orleans. In die tijd droomde stadsarchitect Hans Heijdeman van een groot kunstwerk  – eveneens voor het Zaailand  – van het Oostenrijkse kunstenaarsduo Coop Himmelblau, dat ook het schots en scheve paviljoen van het Groninger Museum ontwierp. Beide opdrachten voor het Zaailand zijn helaas niet doorgegaan. Ze behoren tot de lange rij van nooit gerealiseerde kunstwerken in de Friese hoofdstad, waar ook het ambitieuze plan toe gerekend kan worden voor een herdenkingsmonument voor ‘50 jaar Kneppelfreed’, dat Ids Willemsma in 2001 ontwierp: een gigantische stalen geboortelepel die tegen het gerechtsgebouw aanleunde.

Maar de Mercuriusfontein is er wèl gekomen, al ging het met de voorbereiding allerminst van een leien dakje. De opdracht werd versterkt ter gelegenheid van het 25 jarig bestaan van de VVV, dat in 1922 zou worden gevierd. De VVV was op 11 in 1897 opgericht door een zestigtal inwoners van Leeuwarden die destijds in de Klanderij bijeenkwamen voor de oprichtingsvergadering. Leidend figuur was Roel Buisman die meer dan 25 jaar voorzitter was. Voor de feestelijke opdracht in het jubileumjaar werd destijds een bedrag van maar liefst 25. 000 gulden uitgetrokken, dat grotendeels door het uitschrijven van een loterij bijeen werd gehaald. De contacten tussen de opdrachtgever en de kunstenaar verliepen niet echt soepel. Professor Bredow klaagde al in 1922 dat de opdrachtgever hem een ‘ongehoord, armzalig aanbod had gedaan.’ Hoe de onderhandelingen precies zijn verlopen is niet geheel duidelijk, maar gezien de verbeterde stemming van professor Bredow kort na de oplevering  mag worden aangenomen dat de VVV een extra duit in het zakje heeft gedaan.

Het bestuur van deze vereniging was er zich van bewust dat het bevorderen van vreemdelingenverkeer nauw verbonden was met het verfraaien van de stad. Beeldende kunst werd daarom al vroeg ingezet als beproefd instrument voor  een vorm van citymarketing avant la lettre. De toenemende mobiliteit bevorderde niet alleen de handel en de commercie, maar ook het vreemdelingenverkeer. Massatoerisme was een fenomeen dat zich in de late negentiende eeuw voor het eerst heeft aangediend. ‘We need railways for the millions’ had Thomas Cook al in 1854 uitgeroepen, en het uitgebreide spoorwegnet, dat sindsdien in heel Europa was ontstaan, had ook een uithoek als Friesland bereikbaar gemaakt voor talloze Europeanen.

De cultuur van het souvenir vroeg om een kenmerkend beeld dat het de betekenis van de stad symbolisch kon dragen. Elke stad vroeg om een icoon, een visuele kapstok voor het collectieve geheugen en een plaatje voor de ansichtkaart.  Zo’n beeld moest bij voorkeur op een centrale plaats in de stad verrijzen. Welke plek leende zich daar beter toe dan de rotonde voor het station, recht in het vizier van de arriverende toerist en handelsreiziger?  Op die centrale locatie waren de eerste plannen van de VVV dan ook  gericht, maar de gewijzigde verkeerssituatie maakt een monumentale beeldengroep op deze plek uiteindelijk onmogelijk. Het plantsoen aan de overzijde van het gerechtsgebouw was duidelijk een tweede keus.

Maar ook dit gerechtsgebouw, dat op 6 februari 1919 bijna in rook was opgegaan door een brand die ternauwernood kon worden geblust, vroeg om een monumentaal antwoord aan de overzijde van het plein. Bovendien bevond zich deze locatie naast dat andere beeldbepalende gebouw van architect Romein: de Beurs. Samen met deze twee bouwkundige monumenten zou een fontein met sculpturen een fraai ensemble kunnen vormen dat het imago van de stad in de ogen van de vreemdeling zeker ten goede zou komen. Kortom, in het begin van de vorige eeuw was de VVV beslist niet gisteren. Integendeel, het was een progressieve vereniging met een internationaal georiënteerd bestuur als het ging om de bevordering van kunst en cultuur voor de promotie van de stad.

Dat mag dan zo zijn, maar waarom ging de opdracht in 1922 naar een Duitse professor en niet naar een gerenommeerd kunstenaar van eigen bodem? Ook het antwoord op die vraag is op internet terug te vinden, en wel in het onvolprezen digitale archief van de Leeuwarder Courant. Het is een onooglijk bericht van 14 januari 1922, een persoverzicht van andere landelijke kranten, waaruit blijkt dat een Nederlandse beeldhouwer Gerard van Lom zijn beklag had gedaan in het Handelsblad over het ‘Duitsche monument’ in Leeuwarden. De advertentie voor de prijsvraag, die aan de opdracht vooraf was gegaan, was alleen verschenen in het Duits vakblad voor beeldhouwers Der Deutsche Steinbildhauer van 15 september 1921.

Daarbij werden ontwerpen en prijsopgaven gevraagd voor een ‘Fontäne oder Springbrunnen’ in natuursteen met of zonder bronsversiering voor de prijs van 200.000 tot 300.000 Mark. Dat lijkt een gigantisch bedrag, maar het moet een schijntje zijn geweest, omdat de Mark vrijwel niets meer waard was, want in Duitsland heerste in die tijd een ernstige valutacrisis. Bredow, zo meldde Van der Lom, had alleen ‘een reeds door hem opgerichte fontein met monumentaal beeldhouwwerk gevoegd.’ Er wordt niet bij vermeld welke fontein dat was, maar men mag aannemen dat dit de Fuente Riqueza Agropecuaria in Buenos Aires is geweest, die op de juryleden in Leeuwarden kennelijk een verpletterende indruk heeft gemaakt. Van der Lom maakte er bezwaar tegen dat op deze wijze opzettelijk voorbij was gegaan aan de Nederlandse beeldhouwers. Het moet dus de zuinigheid van de opdrachtgevers zijn geweest, waardoor professor Bredow in beeld is gekomen. Door de opdracht in Duitsland aan te besteden hoopte men op de kosten te kunnen besparen en zo voor een dubbeltje op de eerste rang te zitten. Dat het resultaat in de volksmond weldra ‘de Moffenfontein’ zou worden genoemd, kon men toen nog niet bevroeden.

1 Reactie »

  1. Ron

    2 april 2017 op 16:13

    vandaag in Leeuwarden geweest en het fontein [zonder water?!]
    ‘bewonderd’…mooi vind ik ’t niet maar wel merkwaardig.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)