Is kunst volkomen nutteloos?

kant-ddr

Kunst is volkomen nutteloos, zo hoor je vaak met grote stelligheid beweren. De mensen, die deze stelling verkondigen, zijn niet zelden van mening dat achter deze woorden een tijdloze waarheid schuilgaat. Nu is het bestaan van tijdloze waarheden op zich zelf al een twijfelachtige zaak, maar deze waarheid is zeker niet tijdloos en ook allerminst essentieel. De gedachte, dat kunst volkomen nutteloos is, heeft een historische coördinaat in de tijd. Ze is nauw verbonden met de Romantiek en de opkomst van de burgerlijke kunstopvatting. Er liggen gedachten onder van Kant over de autonomie van de esthetische ervaring. De esthetische ervaring zou volgens Kant immers volkomen belangeloos zijn en gekenmerkt worden door een vreemde paradox: ‘een doelmatigheid zonder doel’, dus in laatste instantie – hoe je het ook wendt of keert – door doelloosheid.

De stelling ‘kunst is volkomen nutteloos’ bevat dus geen tijdloze waarheid. Hooguit kun je stellen dat sinds Kant deze stelling voor menigeen een tijdloze waarheid lijkt te hebben. Een soort historisch gezichtsbedrog dus. Er kunnen verschillende redenen zijn, waarom iemand extra vatbaar is geworden voor dit soort historisch gezichtsbedrog. Diep romantische kunstenaars denken vaak dat deze stelling eeuwigheidswaarde heeft, omdat voor hen de Romantiek zelf een soort eeuwigheidswaarde had. Gerard Reve bijvoorbeeld, een typische laat-romanticus, was er stellig van overtuigd dat kunst volkomen nutteloos is. Dat was een eeuwige en essentiële waarheid voor hem.

Zoiets als een dogma. Hoewel het begrip dogma in dit verband verwarrend kan zijn, omdat een dogma voor een rooms-katholiek een gestolde geloofswaarheid is die door het gezag van de kerk tot geloofsleer wordt verheven, maar in feite hooguit een mythische eeuwigheidswaarde vertegenwoordigt. Het dogma over de onbevlekte ontvangenis van Maria bijvoorbeeld is wezenlijk iets anders dan de Tweede Hoofdwet van de thermodynamica. Daar is elke curiekardinaal van overtuigd. Het zijn beide geformaliseerde uitspraken, die aanspraak maken op een onomstotelijke waarheid, maar die twee waarheden behoren tot verschillende registers. Het dogma behoort tot het register van de mythos, de Tweede Hoofdwet van de thermodynamica behoort tot het register van de logos.

Maar terug naar de stelling dat ‘kunst volkomen nutteloos is’. Er is nog een andere reden om te geloven dat deze stelling een eeuwige waarheid bevat. Die overtuiging  kan een reactie zijn op tegenstanders die het tegenovergestelde geloof aanhangen en eenzelfde waarheid veronderstellen in het tegendeel. Mensen bijvoorbeeld, die zich afzetten tegen een dogmatische kunstopvatting, geloven stellig dat kunst in essentie en voor eeuwig nutteloos is. In die zin had Gerard Reve alle recht van spreken met zijn geloof in deze vermeende eeuwige waarheid. Hij zette zich immers af tegen een de linkse dogmatische kunstopvatting die kunst in dienst wilde stellen van een betere wereld en een verheffing van het volk.

Maar er kunnen ook andere dogmatische kunstopvattingen zijn. De opvatting bijvoorbeeld dat kunst (of literatuur) zich in dienst moet stellen van een nationale of regionale cultuurtaak, de ‘Friese zaak’ bijvoorbeeld. Een Fries schrijver of dichter (van een Fries schilder wordt dit niet zo gauw beweerd, hoewel er zijn voorbeelden te vinden) zou door te schrijven – bewust of onbewust-  een bijdrage leveren aan de bevordering van de Friese taal en cultuur. Sterker nog, juist door deze artistieke inspanning blijft de Friese taal en cultuur voortbestaan. Deze schrijver of dichter dient daarmee een goede zaak. Zijn kunst heeft een doel, ook al is hij zichzelf dat misschien niet bewust.

Deze – al of niet bewust uitgesproken -  missie van deze schrijver of kunstenaar past toevalligerwijs naadloos binnen de ‘cultuurtaak’ die de Friese politiek zich heeft gesteld. Die Friese cultuurtaak is immers gericht op het bevorderen van de Fries taal en het in standhouden van de Friese cultuur. Dat laatste gebeurt niet op een openlijk conservatieve wijze, maar middels een ingenieuze list. Dat is de list van de Friese cultuurtaak, die de schijn van de culturele vernieuwing altijd als dekmantel gebruikt voor haar eigen structurele behoudzucht, en daarom steevast spreekt over ‘veranderen om te behouden’. Anders gezegd: een ogenschijnlijke doelloosheid in de kunst verhult een verborgen doel. Deze cultuurtaak baseert zich dus op een in wezen anti-kantiaanse kunstopvatting.

Is kunst volkomen nutteloos? Dat basale probleem steekt telkens opnieuw de kop op, en steeds weer in een andere gedaante. Bijvoorbeeld in de vraag ‘is kunst dan echt wel volkomen nutteloos, ook in deze tijd van terreur en verval van waarden? Andere tijden vragen om een andere kunst. Terugkijkend zou je kunnen beweren, dat de stelling ‘kunst is volkomen nutteloos’ een dramatische vergissing is geweest binnen het project van de westerse moderniteit. Je kunt zelfs beweren dat er iets volkomen is losgeslagen in onze westerse cultuur, een stille catastrofe, waarvan de kern te herkennen is in deze, in wezen tragische stelling. Als kunst volkomen nutteloos zou zijn, dan wordt de loop van de geschiedenis aan haar eigen lot overgelaten. Kunst is volkomen nutteloos, betekent in  feite: we staan volkomen machteloos, ook al gaat de beschaving onder onze ogen ten onder.

Zo kun je beweren dat er een correctie moet worden aangebracht op deze stelling. met schade en schande komen we er achter, dat we een stapje terug moeten doen in ons denken over autonomie en vrijheid. Normen en waarden, historisch besef, culturele identiteit, dat alles leek door de generatie van de babyboomers op de vuilnisbelt van de geschiedenis te worden gegooid. Dat was de generatie die het modernisme van de twintigste eeuw opnieuw – op bijna hedonistische wijze – heeft uitgevonden en daarna zich klakkeloos schaarde achter de stelling dat alle ‘grote verhalen’ ten einde zijn. Dat soort excessen  in het denken– zo beweren sommigen – behoeft nodig correctie, zeker in het perspectief van het huidige multiculturele drama, dat dringend vraagt om een herbezinning op de idealen van de Verlichting, dus ook om een herbezinning op de vraag of kunst wel nutteloos is.

Die vraag krijgt een bedenkelijk karakter, als je haar niet in het perspectief van een burgerlijke idealistische esthetica plaatst, waarvan de basis bij Kant wordt gelegd. Deze esthetica ging uit van een geïsoleerd terrein van de esthetische ervaring – het esthetisch oordeel als verzoening tussen natuurwetten en vrijheid, theoretische en praktische rede, verstand en begeerte en een geïsoleerde positie van de kunst in de maatschappij – kortom, die ‘Zweckmässichkeit ohne Zweck‘. Anderzijds mag zelfs binnen een dergelijke eenzijdige opvatting van de esthetica de brute confrontatie met de kunstuiting niet veronachtzaamd worden, zeker niet als deze confrontatie in de kunst zelf centraal komt te staan, een provocerend karakter krijgt, en zo het dwingende keurslijf van de kantiaanse esthetica juist doorbreekt.

4 Reacties »

  1. philippus breuker

    25 augustus 2009 op 09:21

    “DE ‘LYRYSKE JAMMERDEARLIKHEID’ HAT
    NO IN EIN NOMD”

    Sjochsto dat skip mei wite seilen?
    It hat dyn leafde en lok oan board;
    It leit mar effen oan dizz’ kusten,
    Moarn gean hja wer te roer en skoat.

    Watsto dy wûnst yn gouden oere,
    Mar dat fersonk yn idel neat,
    Dat hat de skipper him fergarre
    En brocht ta ljochtste gloarjesteat.

    It is gjin fracht fan goede dingen
    Dy’t eltse dei wol bringe kin;
    – Dat soe de fiere reis net hoede –
    Allinne ‘t ealste yn klien berin.

    ‘t Is elpenbien en goud of fearren
    Dêr’t heel in bôge gloed op leit.
    In freugde foar dyn libbensdagen
    Dat jimmer dy fan skiente seit.

    Obe Postma (1933)

  2. peter bastiaanssen

    25 augustus 2009 op 17:57

    Wordt er met de stelling ‘kunst is nutteloos ‘
    niet eerder bedoeld dat kunst niet hoeft te voldoen aan (vooral) de economische dogma`s van nut?
    maw. kunst kàn autonoom zijn en màg de vrijheid nemen die zij maar wil?
    En ligt het doorgeschotene er niet in, dat kunst de dwingende taak werd opgelegd om autonoom te moèten zijn en mòest getuigen van de vrijheid.
    De gedwongen vrijheid.
    De opgelegde autonomiteit,

    Is dat niet eerder de ‘contradictio in terminis’ die de hedendaagse kunst steeds verder laat verdorren?
    (zo maar een ideetje)

  3. Huub Mous

    25 augustus 2009 op 22:18

    Is het niet eerder zo dat de autonomie van de kunst, haar vrijheid, haar a-morele karakter – juist in deze tijd – haar eigen belangrijkste boodschap is geworden? De vrijheid van de individuele kunstenaar is immers op zich zelf een symbool geworden. Moderne kunst heeft zich een eeuw lang laten leiden door theoretische concepten die zich juist onttrokken aan de directe verstaanbaarheid van het symbool. Die ‘moeilijke kunst’ van het vrije individu bij uitstek zou juist een buffer kunnen vormen tegen een dreigende barbarij. Dat was ook het strategische doel van de avant-garde in de jaren dat de democratie werden bedreigd door totalitaire ideologieën van links en rechts.

    En toch, die strategie werkt niet meer. De loopgraven van de avant-garde staan al lang onder water. Tegen het wassende water van de massacultuur was geen dijk bestand. Door zich enerzijds in te graven in een eigen hermetische wereld, waarin de utopische belofte als een fossiel bewaard kon blijven, en anderzijds een geheim pact te sluiten met de wereld van kapitaal en markt, heeft de moderne kunst zich gaandeweg vervreemd van zijn eigen radicale traditie. De opkomst van de hedendaagse cultuurindustrie deed de rest. Het tegendraadse product van de kunstenaar werd uiteindelijk een onschuldig cultuurproduct voor de recreërende massa.

    In een tijdspanne van slechts enkele decennia transformeerde het instituut museum van podium voor kritische cultuurproductie tot evenementencomplex in dienst van de ervaringsindustrie. De beeldende kunst dreigt zelfs geheel ten onder te gaan in een vloedgolf beeldcultuur, waarin alles wat digitaal en visueel is op één lijn komt te liggen. Het woord engagement is alom terug van weggeweest, maar niemand lijkt meer te weten hoe je dat woord nog wezenlijk inhoud zou moeten geven. De jaren zestig zijn een onwerkelijk tijdvak geworden, waar met verbazing op wordt teruggezien, soms vanuit een meewarige stemming over zoveel naïviteit, maar vaak ook vanuit een onmogelijk verlangen om de kunst ooit weer zijn radicale positie te laten heroveren.

  4. peter bastiaanssen

    26 augustus 2009 op 07:32

    het wassende water van de massacultuur werd gedragen door dezelfde boodschap als de avant-garde kunsten, nl vrijheid en autonomie.
    De kunst probeerde door een grote sokkel voor zichzelf neer te zetten ,en daarop plaats te nemen, zichzelf te redden.
    Ondertussen woekerde iedereeen op elk niveau lekker verder met ‘vrijheid’ en ‘autonomie’.
    De beeldende kunst zal zichzelf opnieuw moeten uitvinden, of zichzelf herdefiniëren, lijkt mij.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)