Een koekje van eigen deeg

Het beeld van de Waterpoort in Sneek behoort tot mijn allervroegste herinneringen. Weliswaar 
ben ik niet in deze stad geboren en getogen, maar mijn moeder thuis had een rode koektrommel, waarop een foto van dit beroemde bouwwerk in zwart-wit stond afgebeeld. De contouren van 
de beide torentjes, met de poort in het midden, kon ik al voor mijn geestesoog tevoorschijn 
toveren, voordat ik kon lezen en schrijven. Telkens als ik braaf was geweest kreeg ik immers die 
trommel te zien. Op die – uit pedagogisch oogpunt – beproefde wijze is de beeltenis van de 
Waterpoort middels talloze Pavlof-reacties diep in mijn reptielenbrein ingeprent.

Die onbewuste 
reflexwerking had ook een averechts effect tot gevolg. Telkens als ik in Sneek kom en daar de 
Waterpoort in het echt aanschouw, krijg ik van de weeromstuit die koektrommel weer voor 
ogen. Als ik daar ben overkomt mij dus, waar ooit een romanschrijver een heel boek over heeft 
vol geschreven, maar dan in wel omgekeerde volgorde. In A la Recherche du Temps perdu beschrijft Proust de plotselinge verschijning van een herinneringsbeeld: de torens van zijn 
geboortedorp Combray. Dat beeld krijgt hij voor ogen als hij een koekje in de mond neemt. Bij 
mij gaat dat dus net andersom. Als ik de Waterpoort van Sneek in het echt zie, krijg de smaak 
van een koekje in mijn mond

De Waterpoort is niet zomaar een gebouw. Het behoort tot de merkwaardige categorie architec
tuurobjecten die het beeld van een hele stad kunnen dragen. In die zin voegt hij zich moeiteloos 
in de rij van de Eiffeltoren, het Empire State Building, de torentjes van het Rode Plein, de 
Brandenburger poort, de scheve toren van Pisa en om wat dichter bij huis te blijven: de 
Oldehove. Het is een gebouw met een hoog koekrommelgehalte. Ze voelen zich evengoed thuis 
op een placemat als in Madurodam. Beeltenissen die zijn afgesleten als een munt die door 
miljoenen handen is gegaan. Je ziet ze nog wel, maar nauwelijks meer in zijn eigen gedaante. De 
betekenis is overwoekerd door de functie van het gebruik. Het is een cliché bij uitstek. Sterker 
nog, het is een icoon, een symbolische beeltenis met een zodanig laadvermogen dat ze niet alleen 
een heilige of een godheid, maar ook een stad kunnen dragen.

Iconen hebben de hardnekkige eigenschap dat ze voor eeuwen onveranderlijk zijn. Eenmaal 
opgeslagen in de diepste lagen van ons brein worden ze niet meer aangetast of bijgesteld door 
nieuwe indrukken of eigen waarneming. Ze hebben de functie van en pictogram. We zijn niet 
geïnteresseerd in de details, maar alleen een symbolische beknoptheid van het beeld. Sterker 
nog, hoe minder details, hoe groter het metaforisch laadvermogen. Hoewel we ons zeer goed 
kunnen behelpen met miljoenen clichématige afbeeldingen die van het origineel in omloop zijn, 
zijn we zeer gehecht aan het in werkelijkheid voortbestaan van het origineel.

Het omvallen van 
de toren van Pisa zou een calamiteit op wereldschaal betekenen. De toren zou immers niet alleen 
omvallen in Pisa, maar ook in die miljarden hoofden van Kaapstad tot Katmandu, waar hij als 
icoon in net reptielenbrein ligt opgeslagen. Dit soort iconen vormen immers de diepste ankers, 
waarmee we in onze vroegste jeugd ons beeld van de wereld in de bodem van ons brein hebben vastgelegd. 
We hebben ze gezien op koektrommels, en die dierbare herinnering willen we ook graag zo 
houden.

Ik realiseer me dat dit verhaal opgaat, zo lang je een buitenstaander bent. Wie in de ongelukkige 
omstandigheid verkeert te moeten leven in een stad, die zo’n gebouw met een iconisch lading 
bezit, spreekt vaak met minder enthousiasme over het koektrommelgehalte van dit historisch 
monument. De woekering van het cliché leidt – zeker voor degenen die er dagelijks mee moeten 
leven – niet zelden tot een licht gevoel van misselijkheid, een soort visuele indigestie. Het icoon 
werkt immers alleen bij spaarzaam gebruik op afstand en in afwezigheid van het origineel. De 
magische kracht van het icoon zit in het beeld zelf, en niet in het origineel. Dichtbij zijn het juist 
de kwalijke neveneffecten, zoals de vaak schaamteloze toepassing in commercie en massatoeris
me, waardoor het icoon bij veel autochtonen zelfs een sterke afkeer teweeg kan brengen.

Zij 
krijgen op zijn minst een tweeslachtige relatie met het origineel. Die relatie is wat psychologen 
’double bind’ noemen: één het zelfde beeld roept dan zowel affectie als walging op. Hoe het ook zij, een al te sterke symbolische verbeelding van de eigen leefomgeving roept onwillekeurig een drang 
op om te ontsnappen aan het verstikkend effect van het nabije. Deze bijna fysieke afschuw lijkt 
dan voort te komen uit de diepste spelonken van ons brein. Je zou het icoon het liefst willen 
vermorzelen, tot poep willen vermalen, tot br00djes willen bakken, kortom willen verteren als een koekje van eigen deeg dat te zwaar op de maag ligt.

 

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)