Bring it libben werom in my

‘De Friezen heten eerlijk. Nu, ik kan niet zeggen, dat mij gebleken is dat zij meer liegen dan andere Nederlanders. Evenveel denk ik. Schijnbaar minder, omdat zij minder openhartig liegen, wat dus moreel geen enkel voordeel betekent. Als alles glad verloopt kan men best met ze te doen hebben en leggen ze hun overeenkomsten zonder moeilijkheden ten uitvoer. Maar zodra de overeenkomst hen bezwaart gaat hun lip trillen en verzamelen zij van links en rechts verbitterd chicanes. O, was dat zo bedoeld? Nou, dat hebben ze nooit begrepen. En men ziet de brok zwellen in hun keel. Daarom hebben de Friezen in de loop der tijden zulke grote adamsappels in hun lange halzen gekregen. De eerlijke openhartigheid van de Friezen is vaak ongevoeligheid, gemengd met bemoei- en praatzucht. Want wat het laatste betreft, geloof nooit in het beeld dat zij in romans en gedichten zo graag van zichzelf verkopen: dat van het stille water. Er zit iets infantiels in ze; zij denken van zichzelf dat zij droog zijn en zwijgzaam, maar zij laten geen kans voorbijgaan dat luidop te zeggen.
In Friesland kan men de schoonste geluiden der aarde horen, de conversatie van miljoenen vogels en het klappen van duizend zeilen, maar vlucht zodra er twee Friezen in het panorama stappen. Dan stoot daar een staccato van harde en zelfverzekerde klanken alles kapot van wat er zo even nog was. Nu goed, men denkt, deze ene man is door die ander onrecht gedaan, zo luid en verbitterd klonk zijn taal. Dan hoort men de andere man spreken. Deze is bedaarder en zelfverzekerder tegelijk, maar ook zijn woorden weten van geen ophouden. Dan merkt men dat zij het helemaal niet oneens zijn. En zij blijven spreken, zolang zij in uw panorama staan, hard en kelig, over kerk en kunst, over vee en motoren, over Friesland en over zichzelf, verongelijkt en zelfverzekerd beiden, en als zij zich met veel godverdommes luid op de knieën slaan, dan betekent dit dat zij elkaar een grap hebben verteld.
Veel Friezen zijn intellectualistisch en daardoor relativisten. Velen hebben geen beschaving, bijna geen enkele heeft manieren. Al ontroeren zij zichzelf makkelijk, zij hebben geen hart. Zij gaan voor niemand dan voor zichzelf door het vuur. Zij zijn sentimenteel en missen echt gevoel. Daarom hebben zij ook geen gevoel voor humor. Als een Fries een goed verhaal wil vertellen, gaat dat goede verhaal gewoonlijk kapot. Het is of de Fries dit plotseling weet, terwijl het verhaal zijn mond nog verlaat. Wat moet hij doen? Hij blijft moedig tegen zichzelf vechten. Hij houdt vol en het verhaal raakt uit. Nu moet er geweld gebruikt worden, hij slaat zich daverend op zijn knie en de godverdommes zijn niet van de lucht, gelijk wij zonet nog zagen. Probeer nu vooral te lachen. Als men niet lacht, heeft men in de Fries op slag een gekrenkte, verbitterde man voor zich: wij hebben niet gelachen, omdat wij anti-Fries zijn.
Hun betrekkelijke eerlijkheid door het minder openhartig liegen, is een kwestie van cultuur. De bevelende taal die hij tegen zijn vrouw uitslaat vormt het onsympathieke kenmerk van de Friese man en is ook een zaak van cultuur. Behalve cultuur heeft de Fries ethiek. Helaas onderscheidt hij zich in dit opzicht maar weinig; zijn ethiek is hem een grens, is hem tot last, is hem dus een lot, zoals bij de christenen en humanisten helaas algemeen het geval is. De Friezen zijn religieus. De roomsen onder hen behoren tot de sympathiekste roomsen in Nederland, terwijl de combinatie van Friese taal en calvinist bijzonder onaangenaam valt: plechtiger, expressie-armer, zelfverzekerder, ‘liberaler’, commerciëler en geborneerder Nederlanders bestaan er niet. Overigens geldt, naar mijn gevoel, in het bijzonder voor Friezen de uitspraak van die Fransman: hoe minder christelijk zij zijn, des te religieuzer. Geef mij het liefst de Friese herbergier, die iets met paarden te maken heeft, die correlatie is gunstig, of de rode Friese landarbeider. (…)
De liefde van veel Friezen voor de Friese taal is natuurlijk en respectabel, maar het Fries autonomisme, dat achter hun talenstrijd schuilgaat, is geen minder bedenkelijk nationalisme dan alle andere nationalismen. En hier op deze schaal, kunnen wij duidelijk het diabolische daar in zien. Dat is niet hierin gelegen, dat iemand die een streektaal spreekt, deze taal niet zou mogen willen conserveren. Eerder daarin dat een groep drijvers van een toevallig collectief van genenouders, dat zij vormen en dat uit minstens drie oudere van deze collectieve (stammen) gevormd is, opeens fixeren willen. Zij maken van hun volk een mythe en laten zich door deze mythe bezeten houden. Zij doen dit met de techniek van alle nationalisten, zij identificeren al hun persoonlijke onaangepastheid met het grotere collectief, of die meer hun eigen schuld is of in grotere mate niet, met een collectieve spanning tegenover ‘de anderen’. Zij willen die spanning in stand houden en leggen daarom hun ‘volksgenoten’, die niet gewend waren ‘Fries’ te spreken, de plicht op om het wèl te doen.
Ik ken uit ervaring veel te veel Friezen, tegen wie de laatste paar jaren meer of minder sterker morele druk werd toegepast om toch Friezen te zijn. Het is niet zo dat de Friese beweging instandhouding van de Friese streektalen begeert, maar het wenst een Fries volk aanzienlijk verder te fixeren dan het gefixeerd is, ten behoeve waarvan vandaag of morgen een algemeen beschaafd Fries zal worden ingevoerd. Het aantal in Friesland wonende mensen dat dagelijks alleen Fries spreekt bleek in de minderheid; bovendien zijn er vele afzonderlijke ‘Friese’ dialecten. Dat moet anders worden, vinden sommigen. Waarom. Een onverdacht inspecteur van het L.O. verklaart nu, dat hij de meest mogelijke medewerking heeft verleend aan de stichting van tweetalige proefklassen, maar er werden in de hele provincie maar negen ingesteld. Er was nu eenmaal geen grotere belangstelling voor. Dan moet die belangstelling er kómen, eisen de drijvers van hun ‘volk’. Waarom, in Godsnaam?
Als deze beweging doorzet en volledig succes zou hebben, dan zal er, maar dat ziet men niet, een tijd komen waarin het volk van Rotpokkeweer zich met tranen in de ogen tegen het A.B. Fries zal keren en Rotpokkeweers op de scholen en verkeersborden wensen. Dezen zullen willen zweren in het Rotpokkeweers en met hun kleine terreurtjes een, naar zij denken, heilige strijd willen voeren. Maar zij zullen tegenover zich hebben de opposanten van gisteren, die dan conservatief zullen zijn. Want elk nationalisme is een conservatisme en derhalve demonisch.
Het conservatief-historisme van de Friese beweging uitte zich het duidelijkst in een pleidooi in een der ontketende rechtszaken. ‘Wij weten door God als Friezen op deze grond te zijn neergezet en wij erkennen onze goddelijke roeping om Fries te zijn.’ Jawel, God mag weer de status quo zijn. Wat zeg ik, status quo? De fictie ervan, meer niet. Toen God nog oerossen, wolven en wat Kelten op de Friese bodem had ‘neergezet’ en de ‘Friezen’ in Oost-Pruisen woonden, en een taal spraken die de bewoners van de huidige provincie Friesland beslist niet zouden verstaan, hoe stond het toen met de goddelijke roeping om die taal te blijven speken en in Oost-Pruisen te blijven wonen? Godslasterlijke flauwekul. Ziehier de fictie van de gefixeerde en normatieve geschiedenis die overal in de historie en alom op aarde zoveel misdadigheid heeft veroorzaakt. En infantiel, ja met blindheid geslagen gaat men voort’
Uit: J.B. Charles, Volg het spoor terug, 1953
onze correspondent
3 april 2009 op 12:00
Ik heb een aantal jaren de NRC geleden, de krant die intellectualistische Nederlanders af en toe zijdelings noemen. Kennelijk om zich te manifesteren, maar wel achter een collectieve grootheid. Dit voorgewende bescheiden deelgedrag weerspiegelt dikwijls hun gehele geconditioneerde gedrag. Dat van kwezels en kuddedieren.
-Het sluit hier bij jouw stuk aan , Huub -
Toen ik merkte dat ik door de NRC in de hoek van deze beroepstwijfelaars, maar tegelijk betweters, en schoolmeesters terecht kwam, heb ik de krant de deur uitgedaan. Wat een bevrijding. Geen politieke correctheid meer in mijn huis, noch een gedoseerde plicht tot verstandig kuddegedrag.
Het is geheid tegen deze achtergrond dat journalist VdM van de Leeuwarder Courant op 2 april zijn vloek over de Telegraaflezers uitspreekt. Ik ben er een van, en ook van Elsevier en de Haagse Post. ‘”Spreekbuizen van ontevredenen” is de titel van VdMs stuk dat vol staat van kinnesinne en wrok over het feit dat de Telegraaf met gemak 50.000 leden aantrok voor de nieuwe omroep. Ook daar ben ik een van. In de traditie van de Leeuwarder Courant en de NRC is het een zuur en arrogant stuk. VdM ziet geen verlinksing bij de publieke omroep.Uiteraard niet, dat past niet bij de verstandige, dus onafhankelijke Leeuwarder Courant. Ik wel. Zeker ook op de radio. Het zit ém in de wijze van presenteren, de keuze van de gasten en onderwerpen, de bijna op commando gezamenlijke geuite afschuw over bepaalde als rechts geduide opmerkingen, en dergelijke. Dikwijls subtiel, had rechts maar diezelfde handigheid. Hoewel, moet je je wel voor stank en benepenheid lenen? De VPRO, VARA, KRO, EO, en Omrop Fryslan kunnen er wat van.
Misschien is het niet alleen kinnesinne van VdM . Kontkruiperij bij Mulder en Joustra ligt ook voor de hand, nu er een nieuwe adjunct moet komen. Of moet de terugloop in het aantal abonnee’s gemaskeerd worden? Maak een betere krant, zou ik zeggen. Geen opgeleukte columns van Jan-en-alleman meer, en geen gegraai uit andermans artikelen om ermee een flauw en voorspelbaar stuk van te maken.
Huub Mous
3 april 2009 op 12:14
Men is geneigd om eerder de splinter in andermans oog te zien, dan de balk in het eigen oog. Dat is een algemeen menselijke eigenschap. Journalisten zijn (net) mensen en maken dus ook die fout. Op zich is daar niets bijzonders mee aan de hand, ware het niet dat journalisten vaak de vreemde gedachte koesteren dat hun eigen krant bij voorbaat meer gelijk heeft dan een andere krant. De krant is het laatste restant van de verzuiling. In de verzuilde samenleving van voor 1965 had iedere zuil zijn eigen groepsgelijk, dat zich doorzette in allerlei sectoren: geloofsrichting, kerkgenootschap, politieke partij, biljartclub en geitenfokvereniging. Uiterlijk hebben we collectief afstand gedaan van dit kokerdenken met al zijn structurele attributiefouten, maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. De krant is het laatste bolwerk van dit kokergedrag. Het ergste van al is een Friese krant. Daarin is de verzuiling in het geheel nog niet verdwenen. Het Friese geloof is immers de laatste echte zuil, een super-zuil, die in Friesland nog altijd alle goeddeels verdwenen zuilen overkoepelt. Als je van het houtje bent dan geef je elkaar gelijk. Dat zeiden de katholieken vroeger. Dat zeggen de Friezen vandaag nog altijd. De LC houdt die collectieve kokerblik maar al te graag in stand.
Siwert Reinarda
20 mei 2009 op 00:59
Friezen en harren mear as 2000 jier frije fuotten, isin’t life strange song de Moody Blues….. to be one with your loves. Our ones are those we believe in. Dy kollektive kokerblik fan de LC bestiet út twa zuilen…dy’t fan P.J Troelstra’s Re ade Fearren Fryslân en Domela Nieuwenhuis Golden Brown Nederland so de LC just hanging around? What ever happend to the Heroes …….song the Stranglers.
Erik Betten
27 mei 2009 op 15:48
De Friese familie is eerder een soort zuil te noemen.
Bron:Friesch Dagblad.
Groningen – ,,De Friese beweging is geen maatschappelijk mobiliserende kracht van betekenis meer’’, constateerde hoogleraar Goffe Jensma gistermiddag bij de afsluiting van zijn oratie. Het is een ironische wending van de geschiedenis dat het juist die Friese beweging was die nog geen zeventig jaar geleden de hand had in de oprichting van de leerstoel aan de Rijksuniversiteit Groningen die Jensma nu bezet.
Jensma’s constatering moet niet als diskwalificatie van die Friese bewegers worden opgevat. De oratie van de nieuwe hoogleraar Friese taal- en letterkunde kwam juist neer op een pleidooi voor het bestuderen van de frisistiek in de juiste context: Friese literatuur in relatie tot de Nederlandse en Europese, maar ook Friese cultuur in relatie tot verwante ontwikkelingen buiten de provinciegrenzen.
Jensma nam de Friese beweging daarbij als voorbeeldcasus. De personen en instellingen die zich sterk maakten voor de Friese taal en cultuur gebruikten in de periode na 1900 in hun retoriek vaak de metafoor van de familie. Er bestond een Friese familie, een bloedverwantschap. ,,Maar de beweging kenmerkte zich niet door harmonieuze familierelaties.” Terwijl naar buiten toe vaak één front werd gevormd, was er intern sprake van ,,monumentale twisten.’’
Goed beschouwd gingen die conflicten vaak over hetzelfde: leiderschap van de Friese beweging. Volgens Jensma toont dat aan dat de familiemetafoor niet goed past op die gelaagde Friese beweging. Het is beter om daarvoor het concept te gebruiken dat in die tijd de hele samenleving bepaalde: de zuil. De manier waarop de Friese beweging zijn aanhangers mobiliseerde, sloot naadloos aan op de strategieën van andere zuilen in deze tijd. Met het Nederlands en de Hollander als vijandbeeld werd een zuiver Fries ideaal gestalte gegeven met beproefde middelen als een eigen jeugdvereniging, kranten en tijdschriften, volksbibliotheken en toneel.
De Friese beweging als zuil bekijken, biedt op die manier wel betere aanknopingspunten voor onderzoek, maar feitelijk gaat ook deze benadering niet helemaal op. De bestaande zuilen liepen immers dwars door de Friese beweging heen. Daarbinnen waren ook weer protestants-christelijke, katholieke en andere instellingen te ontdekken. Wel was het zo dat ondanks die interne tegenstellingen de leiders elkaar wel wisten te vinden. Zo werden in de jaren dertig belangrijke resultaten geboekt als de invoering van het Fries in het lager onderwijs, de oprichting van de Fryske Akademy, en de genoemde leerstoel in Groningen.
Rijkstaal
Net als de verzuiling verloor ook de Friese beweging haar kracht na de oorlog en met name na de jaren zestig. De provincie nam de rol van voortrekker van Friese taal en cultuur over. Dat bracht successen met zich mee (de erkenning als tweede rijkstaal), maar had ook zijn nadelen. De huidige realiteit is dat het Fries wettelijk gezien een gunstige positie heeft, maar dat het enthousiasme onder de gebruikers maar matig is.
Jensma wijst op de algemene tendensen van individualisering en globalisering. De Fries van nu is opgesplitst in meerdere identiteiten, die afhankelijk van de gelegenheid worden in- of uitgeschakeld. Een versterkende factor is de ontlezing. Juist bij de Friese beweging, die zo de nadruk legde op de verschriftelijking van het Fries, pakt die trend funest uit.
Jensma sloot af met een omschrijving van de toekomst van zijn vakgebied, de frisistiek. Hij stelt een verbreding voor tot ,,de wetenschap van de taal, cultuur en literatuur van en in Friesland’’
Huub Mous » Goffe Jensma en de Friese ontzuiling
30 mei 2009 op 17:12
[...] Erik Betten was zo vriendelijk om dit verslag integraal te plaatsen als reactie op mijn log Bring it libben werom in my. Het is niet de eerste keer dat ik Goffe Jensma erop betrap dat hij ideeën verkondigt die erg veel [...]
Huub Mous
6 juni 2009 op 11:40
Erik Betten liet mij vandaag weten, dat hij het niet zelf is geweest die het FD artikel als reactie op mijn weblog heeft achtergelaten. Iemand anders heeft dat onder zijn naam gedaan. Dat is niet zo netjes. Bij deze mijn excuus dat ik dit over het hoofd heb gezien.
Teake Oppewal
15 juni 2009 op 22:51
Van Fries naar Noordelijk?
De schaalvergroting van de laatste twintig jaar heeft de sociaal-economische en bestuurlijke ordening van onze provincie veranderd. Fryslân als ‘een land in een land’ is steeds minder herkenbaar. In het artikel ‘Quo vadis Fryslân?’ in het decembernummer van Fryslân hebben Piet Hemminga en ik dat verder uitgewerkt. Hier laat ik zien dat ook de daarmee samenhangende beeldvorming verschuift van Fries naar Noordelijk, deels onvermijdelijk, maar deels ook ingegeven door het belang dat sommige organisaties daarbij lijken te hebben. Is dit misschien de ‘constructie van een identiteit’ in vol bedrijf?
De Leeuwarder Courant en ‘het Noorden’
Er bestaat zonder twijfel een Friese identiteit, die in de loop der eeuwen is gevormd – misschien is het tegenwoordig beter om te spreken van een sterke identificatie van de Friezen met hun gewest. Marcel Broersma laat in zijn proefschrift over de geschiedenis van de Leeuwarder Courant uit 2002 zien dat de krant daaraan ook zijn steentje heeft bijgedragen. ‘Zeer actief werkte de LC na de oorlog voort aan de constructie van de Friese identiteit: het gevoel dat de inwoners van Friesland bij elkaar hoorden omdat ze een geschiedenis, een taal en een cultuur deelden’ (p. 448). Het is opvallend dat Broersma hierbij niet de gemeenschappelijke politieke, bestuurlijke en sociaal-economische structuren noemt die in het bovengenoemde artikel zijn aangegeven, maar we zullen maar aannemen dat die impliciet wel begrepen zijn in zijn omschrijving.
De schaalvergroting heeft ertoe geleid dat de LC niet langer wordt uitgegeven door de Friese Pers, maar door de NDC Mediagroep, die ook het Dagblad van het Noorden uitgeeft. De belangen van de uitgever van de LC zijn nu niet langer ‘Fries’, maar op zijn minst gedeeltelijk ook ‘Noordelijk’. En zo zit de krant in een lelijke spagaat, want aan de ene kant is het Friese identiteitsbesef het sterkste wapen in de concurrentiestrijd met de landelijke dagbladen (met name de Telegraaf), aan de andere kant is het een lastig obstakel voor een verder samengaan van de beide grote dagbladen van Noord-Nederland.
De NDC Mediagroep is op zijn beurt weer onderdeel van uitgeverijconcern NDC/VBK. Bestuursvoorzitter Jan de Roos stelt in Entrepreneur van november 2007 dat groei voor het concern van absoluut belang is en dat zelfs Nederland eigenlijk al te klein is. De daling in de krantenoplagen met twee procent per jaar vindt hij zorgelijk. ‘Daar moet je niet van in paniek raken, maar je moet er nu al wel je processen op aanpassen. En dat doen we dus ook, want bij de kranten verdwijnen honderd arbeidsplaatsen. Ook bouwen we in Leeuwarden een nieuwe drukkerij. Dat vergt wel een investering van 33 miljoen euro, maar daarbij verdwijnen er ook banen. Als we nu niet op een soepele manier de bakens verzetten, dan hebben we over vijf jaar misschien een echt probleem. Ik zou de ‘sense of urgency’ binnen ons bedrijf soms wel wat willen vergroten.’ Voor Fryslân is het een goede zaak dat het hoofdkantoor van het concern in Leeuwarden is gevestigd en dat de nieuwe drukkerij daar ook is gepland. Maar over zijn visie op de toekomst van de dagbladen laat De Roos zich niet uit.
De term ‘het Noorden’ is niet een echt helder begrip. Het is gangbaar om daarmee de drie noordelijke provincies aan te duiden, zeker vanuit het perspectief van de centrale overheid. Soms evenwel hoort bij het Noorden ook een stukje Overijssel, of zelfs de kop van Noord-Holland, of gaat het alleen om de provincies Fryslân en Groningen. Hoe dan ook, deze term werd en wordt naar mijn idee in Groningen het meest omarmd als passend bij het zelfbeeld. Je had daar al heel lang een Omroep met de naam ‘Noord’ en ook een Nieuwsblad van het Noorden, vanaf 2002 Dagblad van het Noorden geheten. Groningers noemen zichzelf graag Noorderlingen, wat het voordeel heeft dat ze de tweehonderd jaar oude dubbelzinnigheid van het woord Groningen – heel vervelend in marketing- en imago-opzicht – de wereld uit helpen: de stad heet nog steeds Groningen, de periferie eromheen Noorden. RTV Noord en het Dagblad van het Noorden hebben nagenoeg geen bereik in Fryslân, wat mede het beeld bevestigt dat in Fryslân Friezen wonen, geen Noorderlingen.
Mag het een beetje minder Fries zijn?
Voor de NDC Mediagroep is het gezien de bovengenoemde spagaat van belang om de Friezen zich minder Fries te laten voelen en meer Noorderling. Daar werkt de LC volgens het recept-Broersma gestaag aan verder. Een paar voorbeelden om dat te staven.
Het komt geregeld voor dat in LC artikelen de termen Friesland en Noorden door elkaar worden gebruikt alsof het synoniemen zouden zijn. Een recent voorbeeld is een artikel uit LC van 12 oktober 2007. De aanhef is als volgt: ‘Hoe wordt mijn bedrijf beter zichtbaar op internet? Ondernemers in het Noorden stellen zich die vraag steeds vaker en zijn bereid te betalen voor het antwoord’. Dan komt het verslag van een cursusavond in Drachten, waar blijkens de tekst alleen maar Friese bedrijven zijn vertegenwoordigd. Een ander voorbeeld: Wanneer het Friese reclamebureau Weda kans heeft op een landelijke onderscheiding, staat in de kop ‘Fries bureau’ maar in de tekst de zin ‘Het is voor het eerst dat een noordelijk bedrijf genomineerd wordt…’ (LC 20 april 2007).
In grote advertenties wordt de website Mensenlinq.nl aangekondigd als ‘Het condoleanceregister voor het Noorden’ met daarbij de opmerking dat Mensenlinq een initiatief is van de Leeuwarder Courant (in feite van NDC en Wegener).
Waarom staat er in de LC een rubriek ‘Ondertussen in Groningen’? (Een rubriek ‘Ondertussen in Fryslân’ ontbreekt overigens in het Dagblad van het Noorden.)
In de LC van 23 juni 2007 stond een heel groot artikel over Johan Remkes, ‘die weer rustig over de Vismarkt kan lopen’. Waarom wel zo’n groot stuk over Remkes, maar niet over bijvoorbeeld Zalm of over andere interessante ex-ministers? Eenvoudig: Remkes is een ‘noorderling pur sang’, weet de LC te melden. Dit artikel was overigens drie weken eerder al in het Dagblad van het Noorden gepubliceerd. En grappig, daar werd Remkes op dezelfde plek in de tekst geprofileerd als een ‘oer-Groninger’.
In april 2007 krijgt een sojasausfabriek in Sappemeer bezoek van de hoogste baas uit Tokio: ‘Formele Japanners in ’t nuchtere Noorden’, kopt de LC (5 mei 2007). Waarom kiest de LC ervoor om dat artikel op te nemen? Overigens al weer een oud verhaal uit het Dagblad van het Noorden. Daar stond het stuk drie weken eerder, met als kop ‘Nuchtere Groningers en formele Japanners’.
Vanaf september 2005 geeft de NDC het glossy magazine Noorderland uit in een oplage van ruim 30.000 exemplaren. Het wordt met paginagrote advertenties gepropageerd in de LC. Als wij Friezen nog niet wisten dat wij in Noorderland wonen, dan zal de LC ons dat wel even inpeperen.
Op vrijdag 2 november 2007 demonstreerde een groep zogenaamde studenten voor een ‘leuker Noorden’ in de drie provinciehoofdsteden. De actie werd breed uitgemeten in de LC, met een foto op de voorpagina van de zaterdageditie. Waarom vond de LC-redactie dit eigenlijk zulk belangrijk nieuws? Hoe dan ook, een kleine week later bleek dat het om een reclamestunt ging van de top van de NDC Mediagroep, waarvan de LC-redactie naar eigen zeggen niet op de hoogte was (LC 8 november 2007). De actie past in een poging van de NDC-leiding om ons in Fryslân ‘noorderliefde’ bij te brengen, een term die de ‘demonstranten’ op hun t-shirt voerden. Het middel daarvoor is de agenda voor 2008 die alle abonnees van de LC cadeau krijgen, met alle noordelijke evenementen in één agenda, waarvoor paginagroot in de krant werd geadverteerd. Ook hier weer heel duidelijk: Friezen moeten worden bijgebracht zich op het Noorden betrokken te voelen en niet alleen op Fryslân.
Bovenstaande voorbeelden komen uit de sfeer van politiek, economie of het commercieel belang van de krant zelf. Blijkbaar vindt de LC het belangrijk om vooral daar het beeld te scheppen dat Fryslân irrelevant is. Misschien kunnen we daarmee ook verklaren waarom de LC soms zo weinig objectief bericht over de Provincie Fryslân, bijvoorbeeld met de voorpaginakop ‘Integriteit is zoek bij provincie’ (25 augustus 2007). Dat naar aanleiding van het onderzoek naar de vermeende geldverkwisting bij de nieuwbouw van het Provinciehuis. Vastgesteld kan worden dat de Provincie daartegen, al of niet terecht, in het geweer kwam. Ook de overdreven grote presentatie over twee volledige krantenpagina’s van de bevindingen van de commissie Gemeentewet en Grondwet in de LC van 10 november 2007, ‘Weg met de provincie, leve de gemeente’, past in dit kader.
Hierbij kan ook gewezen worden op de halsstarrige en stelselmatige weigering van de LC om Fryslân bij zijn officiële naam ‘Fryslân’ te noemen (ingegaan per 1 januari 1997). Het argument is dat de Nederlandse naam nu eenmaal ‘Friesland’ is (zie de reactie van de hoofdredactie op een ingezonden brief op de dag voor de statenverkiezingen, LC 6 maart 2007). Dat is een gelegenheidsargument, want de krant schrijft wel Burgum en Reduzum (Nederlands Roordahuizum, weet u het nog?), en – gelet op de plaatsnaamaanduiding in de bovengenoemde agenda – binnenkort ook ‘Beijing’ in plaats van Peking. Een ander argument, namelijk dat Fryslân een tweetalige provincie is waar het Nederlands ook wordt gebruikt, gaat voorbij aan het feit dat de Rijksoverheid die tweetaligheid – op dit punt althans – zelf miskent door niet toe te staan dat onze provincie twee officiële namen zou hebben. Taalgebruik is niet waardenvrij, waarschijnlijk wil de LC gewoon niet meegaan in de ideologische keuze die het gebruik van de term Fryslân impliceert. Komt het omdat daarmee te veel de nadruk op de eigen Friese identiteit gelegd wordt?
De eerlijkheid gebiedt te zeggen: de sport en de cultuur mogen van de LC wel Fries blijven heten, waarvan onder andere bijtijden paginagrote advertenties getuigenis afleggen.
Friesland Bank
In dit verband is het ook interessant wat er bij dat andere grote Friese bedrijf gaat gebeuren, de Friesland Bank. Haar voorloper, de Coöperatieve Zuivelbank, brak in 1963 met wat nu de Rabobank is om een strijdpunt dat direct te maken had met Fries economisch belang. De Friesland Bank is dus net als de LC altijd hecht verbonden geweest met Fryslân en laat dat ook blijken op haar website, onder andere door de sponsorlijst. De bank koos een aantal jaren geleden bewust voor Leeuwarden bij de nieuwbouw van het hoofdkantoor. Nu het werkgebied van de bank zich uitbreidt tot zelfs buiten de landsgrenzen, heeft het bedrijf, anders dan de NDC Mediagroep, er waarschijnlijk geen belang bij ‘Friesland’ in te ruilen voor ‘het Noorden’. Een treffend voorbeeld daarvan is dat in de actuele website-tekst over de kunstcollectie van de FB, ‘Kunst onder de koepel’, elke referentie naar ‘noordelijk’ ontbreekt. In eerdere versies van de tekst werd nog wel gesproken over ‘noordelijke landschappen’ en ‘noordelijke kunstenaars’.
Afbrokkeling van inhoud ‘Fries’
De LC is niet de enige plek waar een verschuiving van Fries naar Noordelijk valt waar te nemen. Noordelijk is bovendien allang niet meer een adjectief om iets aan te duiden dat uit Groningen komt. De Noordelijke Hogeschool dateert van eind jaren tachtig, net als het Noordelijk Film Festival, dat tot 1989 Fries Film Festival heette. Het zou interessant zijn om de eigennamen van nieuwe bedrijven en instellingen van de laatste twintig jaar in Fryslân na te gaan om te kijken hoeveel Noord daar in zit. Omrop Fryslân heeft een programma Noardewyn, een evenementenbureau heet Noordplan, een zorggroep Noorderbreedte, een fotobureau Het Hoge Noorden, een schoonmaakbedrijf Nivo Noord, een groep advocaten en notarissen heet Nord, een consultancybureau heet Boreas en zo valt er vast meer te ontdekken. Een grote Friese rijwielhandelaar noemt zich ‘de grootste van het Noorden’, een watersportzaak en een korfbalvereniging iets dergelijks. Er is ondertussen een ‘beste bakker van het Noorden’, en vanaf 2001 bestaat er ook zoiets als de ‘Jonge Ondernemers Prijs van het Noorden’, voortgekomen uit een Groningse voorganger. Er is ook al een ‘Zakenvrouw van het Noorden’, en haar bedrijf is heel TROTS! op haar, blijkens de advertentie in de LC van 23 oktober 2007. Daarnaast bestaat er nog wel de ‘Friese ondernemer van het jaar’. Die onderscheiding wordt uitgereikt door een speciale stichting en is dus gered bij de fusie van de drie noordelijke Kamers van Koophandel.
Canon van het Noorden
De nieuw te construeren Noordelijke identiteit kan natuurlijk niet zonder Noordelijke geschiedenis en Noordelijke literatuur. Begrijpelijk zijn dan ook de pogingen die uit de Groninger contreien worden ondernomen tot canonvorming op Noordelijk niveau. Zo verschenen in 2006 drie in uiterlijk vergelijkbare bloemlezingen De 100 mooiste Friese gedichten, resp ‘Groningse’, ‘Drentse’. Met onder andere als doel, volgens de uitgever, de vorming van een canon van de Noord-Nederlandse poëzie.
Uit de kring van het Dagblad van het Noorden verscheen het boekwerkje Canon van het Noorden. In de uitleiding stellen de auteurs: ‘De bewoners [van de drie noordelijke provincies] voelen nog altijd een sterke noordelijke identiteit [!], ook al noemen zij zich tegenwoordig in de eerste plaats Nederlander. Hoe anders was dat nog maar enkele eeuwen geleden [!] toen de mensen zichzelf vooral zagen als Groninger, Fries, Drent of Stellingwerver’. Het boekje gaat volstrekt voorbij aan de eigenheid van Fryslân en de nog altijd relatief sterke identificatie daarmee, en evenzeer aan de identificering van Drenten of Stellingwervers met hun eigen streek. Friesland heeft zijn eigen verhaal is de titel van de voorzet die Kerst Huisman dit jaar heeft gegeven voor een Friese canon, weliswaar bedoeld als alternatief voor de ‘hollandocentrische’ nationale canon, maar evengoed nuttig als tegenhanger voor Groninger noordelijke canons.
Ik voel mij geen Beneluxer
De hier gesignaleerde trend van Fries naar Noordelijk geeft mij een onbehaaglijk gevoel. Het is net of word ik gedwongen een jas te dragen die mij niet past. Ik woon in het Noorden zoals ik ook in de Benelux woon. Het bestaat, maar ik word er warm noch koud van. Fryslân, Groningen en Drenthe zijn wat mij betreft als drie vrijstaande huizen, misschien wel in verwante bouwstijl, niet even oud, met een tuin eromheen en een heg met gaten erin waar de kinderen doorheen kruipen om met elkaar te spelen. Het komt mij voor dat er steeds meer mensen zijn die vinden dat we maar in een drie onder één kap woning moeten gaan wonen, dat is beter voor de energierekening en de gezamenlijke ‘strijd’ tegen de grote buitenwereld.
In ‘cultureel-territoriaal’ opzicht voel ik mij Leeuwarder-Fries-Nederlander-Europeaan-Wereldburger. Het is het herkenbare rijtje dat Nelleke Noordervliet ook gebruikte in haar aansprekende lezing bij het jubileumfeest van het Fries Genootschap in september 2002 (zie Fryslân 2002 nr. 4), die eindigde met de uitspraak ‘In mijn streek kan ik me bergen’. Als symbool van die sferen van identificatie kan men bij sommige feestelijke gelegenheden vier verschillende vlaggen zien op de hoekpunten van de Oldehove. Alleen die van De Wereld ontbreekt nog. Leeuwarden is de stad waarvan ik een burger ben en waar ik mijn kinderen zie opgroeien; Fryslân is dêr’t de dyk it lân omklammet, het land waar ik van houd, de memmetaal, mijn thuis en mijn hiem; Nederland geeft mij mijn paspoort – een kostbaar bezit! –, de zekerheid van sociale wetgeving, gezondheidszorg en onderwijs, rechercheurs en ingenieurs; Europa is de basis van mijn cultuur, de antieken, christendom en atheïsme en het vermogen om die twee naast elkaar te laten bestaan; en de Wereld is internet, Engels, de universele verklaring van de mensenrechten, natuurwetenschap, literatuur en muziek – maar ook de Aarde, het kwetsbare ruimteschip waar ik met zes miljard medemensen op woon. Hoe groter de schaal, hoe pathetischer het allemaal klinkt. Ik kan het ook niet helpen, het zijn ‘allegear rûnten dy’t ik mines neam’, om Obe Postma een beetje vrij te citeren. Fryslân is voor mij daarin de meest vertrouwde sfeer, het kader waarin ik de wereld in zijn essentie heb leren kennen en nog altijd tegemoet treed – ontoereikend, maar onmisbaar.
Huub Mous » Volg het spoor terug
9 september 2011 op 16:00
[...] Ze deden daar beiden ook op eigenzinnige wijze verslag van: J.B. Charles in zijn prachtige boek Volg het spoor terug uit 1953. En Fokke Sierksma met zijn novelle Grensconflict uit 1948. Een opmerkelijk verschil tussen [...]