De bakstenen van Gunnar Daan

Onlangs ben ik begonnen met het ordenen van mijn archief. Oude teksten bewaar ik in mappen die zijn opgeborgen in ladekasten. Zo heb ik door de jaren heen honderden teksten bewaard, die voornamelijk handelen over de kunst in Friesland. Ze werden geschreven voor catalogi, vouwbladen, brochures, kranten en tijdschriften. De meeste daarvan zijn ooit gepubliceerd. Sommige echter niet, om wat voor reden dan ook. Openingstoespraken voor tentoonstellingen bijvoorbeeld (op zich al meer dan honderd) werden voor de gelegenheid geschreven. Ik heb wel eens gedacht om iets met al die teksten te doen, maar al lezend komt me vaak het schaamrood op de kaken. Veel zou ik nu niet meer zo zeggen of schrijven. Vooral gelegenheidsteksten dateren heel snel. Toch zijn er enkele uitzonderingen.
In het najaar van 1995 was er nogal wat onvrede ontstaan over de aandacht die de beeldende kunst had gekregen in het zojuist gereed gekomen vernieuwde Fries Museum. Die nieuwbouw was om de beeldende kunst begonnen, maar directeur Rik Vos had er met de pet naar gegooid. Hij was ook niet bereid gebleken om iets voor de beeldende kunst opzij te zetten en dat was duidelijk zichtbaar in het resultaat van architect Gunnar Daan. Iedereen klaagde erover, maar niemand zei het hardop, laat staan dat het op schrift werd gesteld. Dat was voor Henk te Biesebeek van Omrop Fryslân aanleiding om een debat op de radio te organiseren. Hiervoor werden Rik Vos, Thom Mercuur en Frans Haks uitgenodigd. Ik werd gevraagd om de aftrap te doen met een kritische column. De tekst van die column vond ik onlangs terug. Hij is nooit eerder gepubliceerd. Nadat ik klaar was met spreken viel er een diepe stilte om me heen. De gelederen sloten zich. Thom Mercuur hield zich wijselijk op de vlakte en zweeg voornamelijk. Frans Haks begon Rik Vos openlijk te verdedigen. Tussen Rik Vos en mij is het nadien nooit meer helemaal goed gekomen, om over Gunnar Daan maar te zwijgen. De tekst luidde als volgt:

Gerrit Breteler, portret van Gunnar Daan
Het is al weer acht jaar geleden dat met de nota ‘Skets van een nij provinciaal museum beleid’ opeens een nieuwe wind ging waaien in het vaak zo rustige wereldje van de musea en oudheidkamers in Friesland. In die nota werd voor het eerst gesproken over een ‘initiatief moderne keunst’. Het roer moest om. Te lang immers was de blik op het verleden gericht. Museale aandacht voor de hedendaagse kunst werd opeens een speer punt in het provinciale museumbeleid. Hoe dat allemaal zou moeten wist niemand. Maar dat donderde niet. We hadden immers een nieuwe gedeputeerde en die was jong en dol op een speerpunt. Bovendien maakte de nota gewag van een ‘nije konservator met een koherent en krêftig idee’.
De fantasie sloeg in Friesland op hol. Natuur, landschap, licht en water, alle ingrediënten waren immers volop aanwezig voor een schitterend museum op een uitgekiende locatie. Voorbeelden waren er genoeg: Louisiana, Insel Hombroich, Kröller Müller. Waarom zou dat hier niet kunnen in ‘it bêste lân fan de ierde’? Er werd een commissie benoemd van landelijke museum-pommeranten, die op een achternamiddag op de achterkant van een sigarendoos een advies formuleerde. Eén commissielid deserteerde zelfs met een eigen plan voor aan het Tjeukemeer. En nog was de storm niet voorbij. Toen eenmaal besloten werd om het ‘initiatief moderne keunst’ onder te brengen in het te vernieuwen Fries. Museum kwam het gekrakeel pas goed op gang. De eerste plannen van architect Gunnar Daan met een kolossale luchtbrug tussen museum en Kanselarij bracht opnieuw een scheiding der geesten teweeg tussen ‘de antieken en de modernen’ in Friesland.
Nu, acht jaar later, zijn alle stormen geluwd. Het ‘initiatief moderne keunst’ heeft uiteindelijk zijn vertaling gekregen … in baksteen. Wie in het Fries museum de nieuwe ruimtes gaat bekijken, die nu voor de hedendaagse kunst zijn ingericht, zal misschien even achter zijn oren moeten krabben. Is dat nou alles? Hebben We hier elkaar nu jarenlang voor in de haren gevlogen? Ik wèet het, de renovatie is nog niet voltooid. Er moeten nog wat ruimtes worden opgeknapt, hier en daar een poortje worden doorgebro ken, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken, dat er iets grondig mis is gegaan. Hoe kan een architect, toch niet de eerste de beste, het in zijn hoofd halen om anno 1995 tenoonstellingszalen op te trekken uit kale baksteen. Elk schilderij slaat dood, tegen dit onrustig patroon van steen en cement. Maar dat niet alleen, de hele sfeer is verkeerd. Deze ruimtes roepen de meest vreemde associaties op, van een bedrijfskantine, een kerkinterieur uit de jaren vijftig tot een aula van een crematorium. Kortom, deze zaten zouden voor alles dienst kunnen doen, behalve voorde presentatie van hedendaagse kunst.
Om met de grootste ruimte maar te beginnen. De maatverhouding deugt hier niet. De grote muurvlakken zijn zodanig gesitueerd dat je geen afstand kunt nemen en dus moeilijk groot werk kwijt kan. En waarom in hemelsnaam een diagonaal patroon in plafond en vloer in een ruimte die van zich zelf al zo veel onrust kent. Overal zie je onderbroken lijnen, in het niet geheel zichtbare driehoekige raam van de buitengevel, in de trap die naar beneden leidt en waarvan de balustrade wordt bekroond met zo’n tuttig klein trap-patroontje van bakstenen. Er heerst geen rust, geen concentratie, geen aandacht, geen liefde voor kunst.

En dan die detaillering, toch al niet het sterkste punt van Gunnar Daan. Gelukkig heeft hij dit keer geen vangrail toegepast. Maar waarom dat mallotige stalen portico in de achter ruimte, en die vreselijk aanwezige, maar absoluut storende aluminium luchtbui zen. Als ik als kunstenaar hier mijn werk moest ophangen zou ik eerst een koevoet pakken om al die overbodige humbug weg te breken. Het heeft er alle schijn van dat Gunnar Daan een tikkeltje ijdel is. Overal moet hij zich zelf laten gelden. Niet alleen met zijn signatuur op de buitengevel, in de die half omvergereden lantaarnpalen bij de entree, maar ook in die idiote periscopen in de tunnel zaal. Hoe haal je in je harses, generaties museumbezoekers opzadelen met dit soort ongein. Barnett Newman heeft eens gezegd: Sculpturen zijn obstakels waar je over struikelt als je naar schilderijen wilt kijken. Maar dit is veel erger.In deze ruimte kunnen helemaal geen sculpturen meer staan. We zijn voor eeuwig gedoemd naar boven te koekeloeren, tot misschien ooit een potloodventer ontdekt dat je hier op een stille zondagmiddag zonder al te grote pakkans nog een argeloze museumganger kunt shockeren.
Het is van tweeën een. Of je maakt een museum dat een kunstwerk is en in zijn architectuur nadrukkelijk om aandacht vraagt. Architecten als Mendini en Hans Hollein hebben daar uitstekende voorbeelden van laten zien. Of je maakt een museum dat zich wegcijfert en in dienstbaar wil zijn aan de kunst zelf. Dat is de traditie van Rietveld en Wim Quist. Het is overdaad of eenvoud, ‘the less is bore’ of ‘the less is more’ Een middenweg bestaat niet. Gunnar Daan heeft geprobeerd het overzoenlijke te verzoenen. Het resultaat is zoiets als de glamour van een boer op zondag. Een tragische mislukking, waar helaas de beeldende kunst het slachtoffer van geworden is.
Oké, de ruimtes zijn nog niet klaar, maar het kwaad is al geschied. Het is bovendien nog maar de vraag, of de renovatie van de oude tentoonstellingszalen, en de daarmee te creëren zichtlijnen, ooit nog wordt uitgevoerd. Dat alles staat immers pas als laatste gepland, met andere woorden, als het geld op is. En daarmee komt een treurige conclusie in beeld. Wat ooit een speerpunt was, hobbelt nu ergens achteraan. Het initiatief hedendaagse keunst, dat jarenlang de gemoederen in Friesland zo hevig in beroering bracht, is ten onder gegaan in prestige ijdelheid. Het was slechts een alibi om een daalders plakje voor het zilver en het verzetsmuseum te creëren. Er is nooit echt gekozen voor hedendaagse kunst. De architect is zijn gang kunnen gaan en heeft nooit inhoudelijk tegenspel gehad. De discussie ging altijd over bijzaken, maar nooit over de inhoud. Over een brug of een tunnel, maar nooit over er wat er achter die tunnel te zien zou zijn. Hoe zat het ook weer met dat ‘koherent en krêftig idee’? Er zijn alleen bakstenen gekomen, maar nog nooit een conservator. De naam van de gedeputeerde staat inmiddels – net als die van de architect – in steen op de gevel gebeiteld. Er ontbreekt nog één gevelsteen, een grafsteen: ‘Hier rust het initiatief moderne keunst’.
Abraham
27 maart 2009 op 10:06
Het is heel terecht dat je deze oude stellingname onder de aandacht brengt.
We hebben met het Fries museum leren leven, dat kan je er nu van zeggen, meer niet.
Hans
27 maart 2009 op 10:29
Voor ik het vergeet, wil ik hier toch nog even de aandacht vestigen op de Expertdiscussie in de bijlage Opinie en Debat van de NRC van 7 maart j.l.., want in de LC zal zo’n artikel wel weer niet aan bod komen.
Het zou mijn inziens jammer zijn als dit artikeltje aan de aandacht van smaakmakers zou kunnen ontsnappen, ook al ben ik mij bewust dat deze blog nu over heel andere zaken gaat. Excuus daarvoor.
Een bekende literatuur en toneelwetenschapper schrijft in bovengenoemd artikel ondermeer:
“Maar in het geval van taalontwikkeling is het nog duidelijker dat de groei naar grote eenheden eigenlijk een zegen is. Zo vind ik het uitgesproken zielig voor jonge Friezen met literair talent dat de fundamentalisten van de Fryske Akademy hen aanzetten om hun gedichten en romans toch vooral in het Fries te schrijven, zodat hun lezerskring tot een paar duizend Friese fanaten beperkt blijft. Zelf vind ik het al erg genoeg dat enkele Nederlandse genieën als Achterberg en Nijhoff hun poëzie in een taal hebben geschreven die hun faam tot Nederland beperkte. En een A.F.Th. van der Heijden zou allang wereldberoemd en multimiljonair zijn als wij in Europa allemaal dezelfde taal hadden gesproken.
Waarom zouden wij ons met ons taalgebruik vrijwillig in een getto opsluiten ? Taal is net als geld een communicatiemiddel; in hoe meer landen je er mee terecht kunt, hoe handiger het werkt. En net zo goed als je Staphorster vrouwen zou gunnen dat ze bij mooi weer in opwaaiende zomerjurken konden rondfietsen, gun je de Ripuariërs dat ze zich overal in Duitsland verstaanbaar kunnen maken. Folklore is leuk en kan gehandhaafd blijven op jaarmarkten en in musea. Maar wereldburger zijn bevalt me nog veel beter.”
Jeltsje
27 maart 2009 op 11:09
@ Hans
Hans, voor mij hoef je je niet je verontschuldigen voor het hier citeren van dat krantenartikel.
“Folklore hoort in musea,” is er immers op het eind in geschreven. Nou dan kom je toch direct bij het Fries museum uit? Dat is daar toch een uitgesproken voorbeeld van?
Iets anders is die suggestie dat Friese dichters multimiljonair zouden willen worden.
Ik ken persoonlijk geen enkele Friese dichter die multimiljonair zou willen worden door het Fries te verraden. Maar dat zegt natuurlijk niks.
Wel weet ik dat: Liever dood als een pier dan slaaf van miljoenen Euro’s, er op het Klif met bloed is in gehakt.
Sjoerd
27 maart 2009 op 12:12
Met verwijzing naar een eerdere interventie over dat gekmakende museum dezerzijds, blijft de vraag waarom “de kleur van Friesland (beeldende kunst na 1945)” in die rare grabbelton moest worden openbaar gemaakt. Waarom werden betrokken exposanten willens en wetens “doodgeslagen” in Daan’s ontwerp.
Het is de merkwaardige contradictie die ik als steile, calvinistische Fries hier wel vaker ontmoet.
Huub Mous
27 maart 2009 op 13:03
De zalen van het Fries Museum lenen zich inderdaad slecht voor het exposeren van moderne en hedendaagse kunst. Dat zei ik 14 jaar geleden al, en vorig jaar heb ik dat zelf nog eens aan den lijve ondervonden. Een goede Friese zegswijze: ‘As ik net kin sa as it moat, dan moat it sa as it kin. Sa is it en net oars.’
sjoerd
27 maart 2009 op 13:43
Die zegswijze dreigt Friezen (nog) steeds op allerlei terreinen zeer noodlottig te worden. Dat moet dus betekenen dat het geen “goede Friese zegswijze” is.
Bovendien is die zegswijze strijdig met de auteurswetgeving van 1912.
Het was Abe Bonnema, de legataris, die als één van de weinigen meermalen gebruik maakte van zijn recht zich te verzetten tegen misvorming, verminking en andere aantasting van zijn werk, welke nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of zijn
naam of aan zijn waarde in de hoedanigheid van “maker”.
G. Daan pleegde al bij voorbaat inbreuk op de gerechtvaardigde belangen van makers, waarmee hij de exposanten een zeer slechte dienst bewees.
Uiteraard treft ook de makers zelf blaam; omdat zij zich met succes kunnen verzetten tegen openbaarmaking in het treurige pakhuis dat voor Friesch Museum doorgaat.
IJdeltuiterij is natuurlijk vaak een drijfveer bij dit soort openbaarmakingen, en onder de noemer ijdeltuiterij rangschik ik dan ook de betreffende Omrop Fryslândiscussie.
Dat zijn discussies die even goed aan een cafétafel kunnen plaatsvinden, omdat ze zelden of nooit deel uitmaken van een
algemeen Fries discours.
Huub Mous
27 maart 2009 op 14:50
Dat laatste, daar ben ik het niet mee eens. Deze ‘discussie aan de stamtafel’ heeft wel degelijk invloed gehad. Niet zozeer omdat ik mijn kansen had verspeeld om ooit nog conservator in het Fries Museum te worden. Die keerzijde zag ik zelf meteen onder ogen. Maar omdat er één schaap over de dam was. Nadien is de kritiek op het beleid van Rik Vos beduidend groter geworden. Vos begon ook fouten te maken ( de miskoop van een vermeende Benner, bijvoorbeeld). Er kwam een openlijke actie vanuit de Friese kunstwereld op gang. Het jaar daarop kwam ik in een TV-debat terecht (voor Nederland 1) met Gunnar Daan en Sipke Castelein (de interim-opvolger van Rik Vos). Bij die gelegenheid heb ik mijn kritiek op het ontwerp van Gunnar Daan opnieuw niet onder stoelen of banken gestoken, nu met Gunnar Daan zelf erbij. Al deze kritiek heeft ertoe geleid dat in 1998 uiteindelijk Wim van Krimpen werd aangesteld, omdat het bestuur van het Fries Museum tot de conclusie was gekomen dat de belangen van de beeldende kunst niet langer genegeerd konden worden. Zo is er op langere termijn wel degelijk resultaat geboekt.
sjoerd
27 maart 2009 op 15:43
Uiteraard respecteer ik jouw positieve bijdragen aan het “culturele klimaat” in deze provincie, maar per saldo is er -anders dan in Groningen- niet veel essentieels veranderd. Ook van Krimpen werd geconfronteerd met de nogal oubollige mentaliteit die hier heerst dat tevens leidde tot de bouw van een raar pakhuis dat hier -yn Fryslân- voor museum doorgaat.
Dat krijg je als je denkt dat “as it net kin sa as it moat, dan moat it mar sa as it kin”. Leaver slaef as dea, dus!
Natuurlijk weet ik dat, onder pommeranten in Fryslân, de culturele programma’s van “de omrop” deel uitmaken van het discours van degenen die zich wanen te behoren bij de
culturele elite alhier, maar dat betekent helaas niet onmiddellijk dat je bij de kassa van AH mensen hoort die zich zorgen maken over bijvoorbeeld het museumbeleid van mevrouw Bak.
(In Leeuwarden is het me overigens wel eens overkomen dat
ik, gezeten in een aardig etablissement, werd weggerateld door ene mw. de Haan die luidkeels verhaalde over haar wedervaren als bestuurder in Leeuwarden. Er was geen ontkomen aan!
Bij Omrop Fryslân kun je, alhoewel je deze instelling wel financiëel op de been houdt, de knop omdraaien. De Haan
kon je niet uitzetten.)
Ik bedoel maar: de Haan zal ook wel tot die geprivilegieerde
zelfbenoemde culturele elite behoord hebben die burgemeesters (vooral te Leeuwarden) en conservators de provincie volgaarne uitloodsen, maar het is een soort “Fryske incrowd” waarbij je je -als je niet goed oppast- al snel op je gemak voelt.
Leve dus onze Ids Willemsma, die tegen windmolens vecht!
Huub Mous
27 maart 2009 op 16:57
Begrijp ik nou goed dat je het gedwongen vertrek van Loekie van Maaren destijds betreurt? Ach, Hermien de Haan, die dacht dat de telefoon wel meteen weer zou gaan rinkelen, toen ze wethouder af was. Mooi niet dus. Ze zat jaren achter de geraniums. Net als Loekie trouwens. En die culturele elite hier ben ik nooit tegengekomen. Het eigene van Friesland is juist dat er hier geen elite bestaat. De Friese PvdA heeft lange tijd gedacht dat zij de culturele elite vormde, maar ik ben nooit lid geweest van de PvdA. Ik kwam ook niet op al die verjaardagspartijtjes. Ik was ook geen lid van de Lionsclub, de Rotary of de Vrijmetselarij, al zijn er mensen geweest die mij graag van een die clubs lid hadden gemaakt. Nee, ik heb mij nooit bij clubjes of kliekjes aangesloten. Ik was ook nooit lid van een ‘old boys network’. Daar heb ik ook geen spijt van. Al in mijn studietietijd haalde je ze er zo uit, die netwerkers. Ze lopen nu in rode broeken rond.
jp
27 maart 2009 op 17:47
Met windmolens is niet meer mis dan dat er tegen gevochten wordt.
Huub Mous » Het automatisme van het protest
13 juni 2011 op 00:04
[...] het hele verhaal te vertellen, waarom het zo gelopen is zoals het gelopen is. (Zie ook mijn log: De bakstenen van Gunnar Daan). Waar het mij hier omgaat is het volgende. Meningen over de overheidssteun voor kunst en cultuur [...]