Freud en de Friezen

Freud heeft zichzelf ooit de vraag gesteld of de grote weerstand die de psychoanalytische theorie opriep misschien te verklaren was door het feit dat hij een Jood was. Van iedereen had men het aangenomen dat het lot van de mens bepaald wordt door verdrongen en gesublimeerde driftleven, maar niet van een Jood. Toch leek er alles voor te zeggen dat juist een Jood op dit soort ideeën was gekomen. Of zoals Freud het zelf uitdrukte: ‘Um sich zu ihr zu bekennen, brauchte es ein ziemliches Mass von Bereitwillichheit, das Schicksal der Vereinsamung in der Opposition auf sich zu nehmen, ein Schicksal das dem Juden vertrauter ist als einem anderen.’ Alleen ‘De eeuwige Jood’, altijd vervolgd en in de verdomhoek geplaatst kon de mens van zijn laatste voetstuk halen. Het autonome en zelfbeschikkende fenomeen ‘mens’ bestaat sinds Freud niet meer. Toch ontwikkelde Freud allesbehalve een nieuw soort wetenschap. Wat hij creëerde was eerder een speciale vorm van sciencefiction.
Zijn ideeën over de psyche zijn niet te bevestigen noch te weerleggen, en om die reden niet wetenschappelijk te noemen. Voor de psychoanalyticus is een levendige fantasie een eerste vereiste om de waarheid van de driften te achterhalen die zich in dromen, wanen, het onbewuste of andere schaduwrijke domeinen van de geest weet schuil te houden. Een psychoanalyticus is volgens Freud geen ‘zielkundig ingenieur’, maar eerder een rationeel ontcijferaar van geheimen met kennis van kunst en literatuur. Gewone wetenschap moet het bij feiten houden en probeert de fictie doorgaans zo veel mogelijk buiten de deur te houden. De psychoanalyse daarentegen onderzoekt geen feiten maar ficties en probeert de verbeelding daarbij juist zo veel mogelijk vrij spel te geven. De fictie is hier waar het in feite om gaat. Maar even terug naar de Jood Freud. Is het waar dat alleen een Jood zoiets bedenken kon?
In zijn boek Idolen van de psycholoog (1964) wijst J. Linschoten op het dubbelzinnige karakter van deze constatering. Freud vond het onverdraaglijk dat zijn eigen vader ooit zachtmoedig gereageerd had op iemand die hem als Jood had beledigd. Freud spiegelde zich liever aan de vader van Hannibal, die zijn zoon ooit voor zijn eigen huisaltaar had laten zweren dat hij zich op de Romeinen zou werken voor de verwoesting van Carthago. Freuds psychoanalytische theorie zou evengoed als een grootse wraakactie kunnen worden geduid, namelijk als de wraak van een Joods geleerde op de nazaten van het Heilige Roomse Rijk deer Duitse Natie. Misschien was de psychoanalytische methode – o, ironie – tegelijkertijd wel het instrument van als de verontschuldiging voor Freuds eigen wraakzucht. Hoe dan ook, het siert Freud dat hij zijn eigen psychoanalytische methode ook toepaste op een vraag naar zijn diepste motieven als onderzoeker. Niet dat die vraag ergens toe heeft geleid, maar heel wat onderzoekers en kunstenaars – Joods of niet – zouden er goed aan doen die vraag aan zichzelf te stellen.
Neem nou Friezen. Telkens weer valt het me op dat Friese dichters of schrijvers niet bereid zijn om zich de vraag te stellen, wat het ‘Fries zijn’ nu eigenlijk betekent voor hun schrijverschap. Is het waar dat alleen een Fries kan schrijven wat een Fries schrijver schrijft? En zo ja, waarom is dat dan zo? Friezen zijn in veel opzichten vergelijkbaar met Joden. Ze hebben geen eigen land, zoals Joden dat ook lang niet hebben gehad. Hun natievorming is op een historische mislukking uitgelopen. Niettemin koesteren ze de gedachte dat ze het beste land van de aarde bewonen. Eigenlijk zijn de Friezen een soort uitverkoren volk. Elke mythologische gedachte over hun eigen oorsprong of bestemming komt in feite daarop neer. Er gaat niets boven de Friezen. Een Fries zal ooit wraak nemen op het historisch onrecht dat hem en zijn volk is aangedaan. Een Fries identificeert zich dan ook liever met de vader van Hannibal, die zijn zoon wraak laat zweren bij het eigen huisaltaar, dan met de vader van Freud die minzaam reageerde op een belediging van zijn Joodse aard. Grutte Pier is de Friese kruising tussen Hannibal en Mozes. Een Fries is overgevoelig op dit punt, maar wil dat beslist niet weten. In die zin zou een Fries dichter zich aan Freud kunnen spiegelen door zichzelf de vraag te stellen, wat hem in diepste wezen drijft.
Vorige week laaide er enige discussie op over mijn bewering dat de toekenning van de Gysbert Japicxprijs telkens weer belast wordt door ideologische motieven. Het werd een wat rommelig debat, waarbij de kruitdampen over de Treblinka-discussie rondom het gelijknamige gedicht van Bartle Laverman blijkbaar nog niet geheel waren opgetrokken. De Gysbert Japicxsprijs geeft al jarenlang aanleiding tot troebele discussies. Er is een soort slingerbeweging van Frieszinnigheid te bespeuren die ook in de wisselende samenstelling van de jury’s herkenbaar is. De benoeming dit jaar van een kopstuk uit het ‘Friese-bewegings-denken’ tot voorzitter van de jury, kan ik niet anders interpreteren. Er moet nodig weer een tegenwicht worden gezocht, nu de vorige keer de slinger wel erg ver naar de andere kant is doorgeslagen.
Opvallend is dat Friezen zelf in dit soort zaken gehinderd worden door een blinde vlek. Telkens weer wordt door Friezen zelf niet waargenomen, wat voor een relatief buitenstaander als eerste in het oog springt. Friezen beroepen zich doorgaans op hun sensus communis. Dat is iets geheimzinnigs wat ze met elkaar delen, zonder dat ze zich daar bewust van zijn. Met een variant op een definitie van Linschoten, zou men deze sensus communis van de Friezen met betreking tot hun eigen ideologische fixaties kunnen typeren als ‘een algemeen referentienetwerk van (onuitgesproken) waarderingen die binnen de Friese samenleving impliciet axiomatisch gelden, voor vanzelfsprekend worden gehouden, het gewone definiëren, ethnische zekerheidsbelevingen funderen, en het inzicht in hoe de dingen zijn en behoren te zijn leiden.’ Friezen voelen dat met elkaar intuïtief aan. Op basis van dit soort impliciete vooroordelen wordt voortdurend over anderen geoordeeld, zonder dat ooit de eigen verscholen intenties beoordeeld worden. Men negeert kritische vragen van buiten en maakt elke kritiek uit die richting liefst bij voorbaat belachelijk. Dat dit soort dingen bespreekbaar zouden kunnen zijn, valt niet zozeer buiten hun blikveld, het behoort zelfs niet eens tot hun realiteit.
Abe de Vries omzeilt het probleem van de ideologische fixatie door van de weeromstuit ervoor te pleiten om dit jaar de Gysbert Japicxprijs aan drie dichters toe te kennen. Daarmee zou Cornelis van der Wal alsnog kunnen worden bekroond, zonder dat er van een al te opzichtige, ideologische herstel-operatie sprake zou zijn. Een enquête onder 100 schrijvers zou aan elke verwarring op dit punt een eind kunnen maken. Zo stelt hij: ”Miskien wat foar ensafh: hald in echte enquete under 100 skriuwers oer de GJ-priis… gjin ynternetpolls mear, dy binne sa lek as wat. Noch gjin ynstjoerde brief fan Henk en Josse? Noch neat fernommen fan ekskuzes oan Bartle? Tsja, yn dizze literatuer kinne je samar immen fan antysemitisme beskuldigje en dernei oergean ta de oarder fan de dei…blykber.. “ De koppeling van deze beide discussies binnen één enkele bewering spreekt wat mij betreft voor zichzelf. Hier wordt de Friese sensus communis zichtbaar in de verblinding van een enkeling. Het wordt hoogtijd dat Friese schrijvers zichzelf de vraag van Freud gaan stellen. Alleen een Jood kon zoiets bedenken. Alleen een Fries kan zoiets beweren.
Fred
21 maart 2009 op 18:50
Klasse Huub.
Onvermoeibaar ben je bezig om in sommige Friese gevoelszaken naar enige consistente te zoeken of vragen te stellen die een nadere onderbouwing op dit terrein proberen uit te lokken.
Abe
21 maart 2009 op 19:03
Ik derfoar pleitsje dat 3 skriuwers de GJ-priis krije? Tsk. Dyn hiele lêste alinea is “wat mij betreft” ûnbegryplik… Rephrase please. De (wilens ferwidere) poll op myn site hat/hie neat te krijen mei it Treblinka-skeeltsje. Ik joech Jacobus in tip en in antwurd. Oer twa ûnderskate saken, wol te ferstean. Fierder fyn ik it abjekt om in skriuwer antysemitisme oan te wriuwen – of hokfoar foarm fan rassisme ek mar – en der dan net mear op werom te kommen as bliken docht dat jins mieninkje nearne op slacht. Sa, dat binne in hieleboel ûnderwerpen yn ien alinea…
Huub Mous
21 maart 2009 op 19:35
Poe poe, een ‘kopgroep van drie’ aanwijzen op basis van en poll die niet meer te zien is. Een poll bovendien die een eigenaardige selectie van kanshebbers had. En dat alles reagerend op mijn stelling van een ideologische vooringenomenheid bij de Gysbert Japicxprijs. Dat is in mijn optiek toch echt iets te veel van het goede. Ik kan dit niet anders interpreteren dan ‘beslist niet willen kiezen voor één winnaar’ om zo de discussie die ik aanzwengelde te omzeilen. Dat dit een interpretatie van mijn kant is, soit. Dat krijg je met inadequate reacties. Het ware beter geweest om gewoon inhoudelijk te reageren op mijn stelling in plaats van eenzijdig te vermelden dat Cornelis van der Wal (volgens mij) de prijs beslist niet mag krijgen. De kern van mijn stelling wordt overigens nu weer ontweken. De bal wordt verlegd naar een bijzaak om zo de hoofdzaak uit beeld te houden.
Abe
21 maart 2009 op 19:49
1. Lis ris it eigenaardige út fan dy seleksje fan kânshawwers yn dy poll?
2. Myn twa stikjes oer de GJ-priis reagearje op gjin inkelde wize op dyn útlittingen, noch binne se der it gefolch fan.
3. Ik sjoch no dat der praat is fan in “discussie die ik aanzwengelde”; wêr fynt dy diskusje plak, want dan haw ik dat mist?
Jelle Breuker
21 maart 2009 op 21:16
Ik denk dat je gelijk hebt Huub, dat de Friezen onderlinge impliciete en onzichtbare processen, energieën, mechanismen en dergelijke feilloos herkennen. Onder Friezen versta ik hier degenen die het Fries als moedertaal hebben. Maar dat is bij andere taalgroepen niet anders en in breder verband, bij sociale groepen, evenmin. Ik heb te lang in Amsterdam en Arnhem gewoond om deze opmerking te kunnen maken. Bij mijn destijdse Amsterdamse werkgever, een wat bekakte organisatie aan de Prinsengracht, bestond bijvoorbeeld groepsvorming bij Jordaanssprekenden en ex-Hagenezen. Je kwam er als Noorderling niet tussen, wat ik trouwens ook niet hoefde. Zie verder de leuke, linkse debiliserende incrowd bij de radio en televisie. De presentatoren ontvangen elkaar waarvoor de belastingbetaler opdraait. De met zorg geselecteerde gast wordt in het hun web getrokken .
Wat misschien iets meer exclusief Fries is, is de dubbele waarheid bij het gebruik van het Fries.
In collectief verband zijn de Friestaligen doorgaans pro-Fries, maar als de beleden liefde door een Friestalig individu moet worden waargemaakt in een omgeving die hij als Friesneutraal of Friesvijandig inschat, is de liefde ver weg. Iedere Friestalige kent dit verschijnsel maar slechts weinigen zullen het aansnijden. Ik heb het duizenden keren opgemerkt toen ik in de jaren 1980-1987 bij zeven gemeenten en tussen 2001-2003 bij de provincie tevergeefs getracht heb het Fries enigszins/iets meer als officiële taal in te voeren. Er was slechts een bestuurder die zijn woorden waarmaakte: gedeputeerde Jaap Mulder. De FNP-ers riepen dan wel luid om het Fries, ze wisten niets van taalmechanismen en ze wilden het uit luiheid ook niet weten. Velen kunnen het ook niet schrijven. De huidige situatie is ongewijzigd en dat moet jou vertrouwen geven. Foar my is it spitich. En wat de Friese schrijvers betreft: de verkoop- en uitleencijfers van Friestalige boeken (ook literaire boeken) zijn snel gedaald en je kunt concluderen dat het Friese ook daar in een vrije val terecht is gekomen. Voor een deel is dat te wijten aan de hypocrisie van heel veel leden van de gemeenteraad en provinciale staten. Zij krijgen wat zij stilzwijgend op syn Frysk beoogd hebben.
Ik geloof niet in een vooringenomenheid bij de Gysbert Japikspriis, wel in een PvdA-vriendjespolitiek.
Huub Mous
21 maart 2009 op 21:23
1. Ik ben niet de enige geweest die opvallende kandidaten gemist heeft in jouw selectie.
2. O nee? Waarom verwees je dan naar mijn stelling over Cornelis van der Wal?
3. Ik zwengelde die discussie aan. Niet jij. Op meerdere weblogs is hierop gereageerd. Daar vond die discussie plaats. Jij reageerde hierop inadequaat, net als nu trouwens. Je gaat nog steeds niet in op de hoofdzaak, die ik aan de orde wil stellen, in casu: de ideologische beladenheid van de toekenning van de Gysbert Japicxprijs en de in die zin telkens weer voorspelbare samenstelling van de jury.
Abe
21 maart 2009 op 22:11
Kunst die we niet begrijpen
“Gekoesterde miskenning is het pronkstuk van de zielkundige kroonjuwelen van Friesland”
Huub Mous beweert in zijn blogbijdrage ‘De ideologie van de Gysbert Japicxprijs’ (17 maart) onder meer het volgende over Friese schrijvers:
- ze koesteren het gevoel miskend te worden;
- ze vinden de buitenwereld per definitie fout;
- ze zien de Friese taal als de enige echte wereld;
- ze hebben een gesloten wereldbeeld;
- ze gebruiken de Friese taal niet als medium tot communicatie;
- ze vinden dat ze de Friese zaak moeten dienen;
- ze houden het Friese nationalisme in stand.
Omdat Huub graag serieus wil worden genomen – er zou zelfs al ergens discussie worden gevoerd – doe ik hem een plezier en neem aan dat zijn beweringen over Friese schrijvers in het algemeen ook voor mij gelden. Kijk, een enquêteformuliertje. Daar gaan we. Vind ik dat ik als dichter of essayïst in Friesland wordt miskend? Nee. Wil ik waardering vanuit de rest van Nederland? Niet meteen, anders had ik wel in twee talen geschreven. Minacht ik de rest van Nederland? Zoiets kan ik me niet herinneren. Werd mijn wereldbeeld gedetermineerd door de Friese taal? Onwaarschijnlijk. Communiceer ik niet? Wie veel wil communiceren, spare zijn mobieltje niet. Dien ik de Friese zaak? Is dat een zaak die pas z’n deuren heeft geopend, kun je ernaartoe voor een afspraak of een aankoop? Het nationalisme dienen, lieve help, het zal toch niet waar zijn…
Huub begrijpt niet zo heel veel van het fenomeen van de Friese schrijver. Zonder in generalisaties te willen vervallen: het grootste verschil tussen een Nederlandstalige en een Friese schrijver cq. schrijver in het Fries, doorhalen wat niet van toepassing is, is wel dat de laatste doorgaans zijn schrijftaal bewust kiest. Dat brengt de minderheidstalige situatie nu eenmaal met zich mee. Alarmerend is dat helemaal niet. Die extra concentratie op de taal-op-zichzelf beantwoordt wonderbaarlijk aan een van de belangrijkste eisen die worden gesteld aan schrijvers in het algemeen, waar ook ter wereld, namelijk om zich extra te concentreren op de taal-op-zichzelf.
Mogelijk is dat ook de achtergrond van de veelgehoorde opmerking dat er toch zoveel goede dichters in het Fries zijn en hoe het toch kan dat nog niemand werd bekroond met de P.C. Hooftprijs. Of zouden zulke complimenten slechts zijn bedoeld om een collectief Fries minderwaardigheidscomplex te verzachten, het complex van de “gekoesterde miskenning” dat Huub zo graag in de Friese kunstenaarsziel wil zien?
Kunst in Friesland zal zich in toenemende mate richten op de tweetalige situatie waarin zij ontstaat. Wat het geschreven literair Fries communiceert – als er dan toch een mobieltje aan te pas moet komen – is daarom per definitie nooit louter en alleen bedoeld voor het Friestalige thuisfront, zoals Huub schijnt te denken. De tweetalige kunstenaar kan het zich simpelweg niet veroorloven om er een “gesloten wereldbeeld” op na te houden, juist omdat de rest van de wereld zich zo dwingend aan zijn minderheidstaal voordoet. Friese kunstenaars zijn zich dan ook buitengewoon bewust van de anderstalige omgeving waarin ze werken. Aan die omgeving worden ze bovendien herinnerd op het moment dat ze een letter op papier zetten.
Huub lijkt het Friezen niet alleen kwalijk te nemen dat zij in het Fries schrijven, ze mogen van hem ook niet in het Fries denken. Anders is zijn verwijt dat zij niet schrijven om te “communiceren” niet te begrijpen. Ik kan me vergissen, maar zie ik daar een ouderwets stadhouderlijk gezicht opdoemen, met bijbehorende boze ogen? Het is intimidatie zonder zin, voortkomend uit vrees voor het vreemde en afwijkende. Het is een vlucht voor het onbenoembare, dat onze greep weerstaat. Het is drang naar gelijkschakeling, en haat, geweld desnoods, tegen kunst die we niet begrijpen.
Jelle Breuker
21 maart 2009 op 22:12
Ik weet niet Huub of jouw laatste reactie betrekking heeft op mijn stuk of op een van de reacties van Abe de Vries. Ik ga zekerheidshalve van de eerste mogelijkheid uit.
Als ambtenaar cultuur bij de provincie heb ik talloze adviezen aan gedeputeerde staten opgesteld over de samenstelling van literaire jury’s, dus ook jury’s van de Gysbert Japikspriis.
Met elkaar wellicht tien tot twaalf adviezen, waarvan drie of vier voor de GJ-priis. Volgens het betreffende reglement droeg de direkteur van de Fryske Akademy een aantal kandidaten voor . Meestal vijf, soms paar meer als ik het mij goed herinner. Daaruit koos ik beargumenteerd drie kandidaten, die ik in een advies aan gedeputeerde staten voorlegde. Mijn toets was een pro-forma toets, de voordracht van de direkteur van de Fryske Akademy was op de kwaliteiten van de kandidaten gericht. Ik heb mij nooit door een politieke voorkeur of Frysksinnigens van de kandidaten laten leiden en naar mijn overtuiging de direkteur al evenmin. Ik heb zelfs nooit aan ambtelijke invloed gedacht. Ik weet niet of het college van gedeputeerde staten of de betreffende gedeputeerde, steeds Berttus Mulder, anders hebben gehandeld . Zij hebben die bevoegdheid maar of het verstandig is op dit terrein politieke besluiten te nemen is de vraag.
Ik heb aanleiding om te veronderstellen dat er in het geval van de huidige voorzitter van de GJ-jury een politieke voorkeur meespeeelt.
Abe
21 maart 2009 op 22:35
Dêr soe ik graach wol wat útlis by hawwe wolle: “Ik heb aanleiding om te veronderstellen dat er in het geval van de huidige voorzitter van de GJ-jury een politieke voorkeur meespeelt.”
Jelle Breuker
21 maart 2009 op 22:46
Ik bin gjin sjoernalist, mar ik haw likegoed de plicht myn boarnen te beskermjen.
Abe
21 maart 2009 op 22:54
Earder lies ik al eat oer “PvdA-vriendjespolitiek”, dus dêr sil it dy hjir wol om te dwaan wêze? Mar hoe dan? Hat deputearre Jannewietske de Vries (PvdA) as foarsitter Pieter de Groot (PvdA?) frege om’t hy troud is mei Johanneke Liemburg (PvdA)? Ik bedoel, ik hoech de boarne net te witten, mar ik soe wol graach fernimme wolle wêr’t dit presys oer giet. Of is it sa dat de sjueryleden oan de deputearre oanrikkemendearre wurde troch in lyts tal wurknimmers van Tresoar en/of de Fryske Akademy en hat politike kleur dus der hielendal neat mei te krijen?
Jelle Breuker
21 maart 2009 op 23:11
Belangrike bestjoersbesluten wurde foar it each yn it iepenbier nommen. It belangriker foarwurk bart gauris sydlings, ûnsichtber. Bygelyks by it jûnpizeljen -kin dat wurd noch, of wurd ik ek al âldfrinzich-, ûnder in autorit of yn in tillefoantsje dêr’t gjin mins weet fan hat. En ûnderbouwende arguminten wurde letter byinoar swile. Bestjoerders kinne en dogge folle mear as dat de
oprjochte boarger yn ‘t snotsje hat.
Huub Mous
21 maart 2009 op 23:17
Nu wordt het pas echt interessant. De verweving van ideologie, taalpolitiek en het beleid ten aanzien ven de Friese literatuur. Daar wilde ik het nu juist over hebben. Al dat gepraat over mobieltjes en gekoesterde miskenning, daar komen we vanavond toch niet uit. De Friese literatuur dient een cultuurpolitiek c.q. taalpolitiek doel. Daarvoor laat die literatuur zich ook maar al te graag gebruiken. Dat mag je natuurlijk niet hardop zeggen. Het is al heel bijzonder dat een voormalig provinciaal ambtenaar die zich bezig hield met het Friese taal- en literatuurbeleid vanavond bereid is om in het openbaar zich uit te spreken. Ik heb me altijd afgevraagd hoe benoemingen van literaire jury’s in Friesland tot stand komen. Wel, dat weten we nu. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat daarbij oneigenlijke motieven een rol spelen. Of daarbij politieke, cultuurpolitieke of taalpolitieke motieven de overhand hebben, laat ik nu maar even in het midden. Feit is dat het niet alleen gaat over literaire kwaliteit. Sterker nog, het gaat misschien wel helemaal niet over literaire kwaliteit. Dat is een rare zaak. Zoiets zou een zaak moeten zijn waar Friese schrijvers zich druk over maken. Maar dat gebeurt niet. Iedereen heeft immers de neus in dezelfde richting staan. Er is hooguit sprake van een verschil van mening van de mate van Frieszinnigheid waar een Fries schrijver aan moet voldoen. Dient hij wel of niet de Friese zaak? Dat si de eeuwige slingerbeweging. Dat maakt het verschil en niet de kwaliteit. Daar zijn we het met zijn alles over eens, want dat is die geheimzinnige sensus communis, waar je het in het openbaar niet over hebt. De Friese literatuur is een hermetisch en sektarisch gebeuren dat door het provinciaal bestuur in stand wordt gehouden op basis van overwegingen die niet of nauwelijks met literatuur van doen hebben. Zo houden we elkaar met zijn allen voor de gek. Play the game, in oar het der ferlet fan, no.
Jelle Breuker
21 maart 2009 op 23:39
Wat ook af en toe? – vaker dan af en toe?- meespeelt is de onderlinge verhouding tussen de juryleden. Twee maal ben ik door een jurylid benaderd dat zich door een ander jurylid (leden)
gemanipuleerd voelde. In beide gevallen is de betreffende toekenning van de prijs door gedeputeerde staten met ongeloof in literair Frysland ontvangen. GS konden niet anders dan het betreffende advies overnemen. Wat ik wil zeggen is dat ideologische of enger, partijpolitieke, redenen bij de beneoeming mee kunnen spelen, maar ook geheime motieven die van invloed kunnen zijn op de onderlinge samenwerking van de juryleden. Omdat de leden van gedeputeerde staten niet of nauwelijks kennis van de Friese literatuur en de kandidaat-juryleden hebben, nemen zij altijd (althans de gevallen waarbij ik betrokken was) de voordracht van de betreffende gedeputeerde over. En wat een gedeputeerde is zich ook dan bewust van zijn/haar politieke positie.
Abe
21 maart 2009 op 23:49
“… dat mag je natuurlijk niet hardop zeggen…”
“… dat laten we nu maar even in het midden.”
“… misschien wel…”
“… geheimzinnige sensus communis…”
“… sydlings, ûnsichtber.”
“… in tillefoantsje dêr’t gjin mins weet fan hat.”
It is wol dúdlik: der bestiet sokssawat as in Fryske Geheime Tsjinst. Dy moat soargje dat de GJ-priis foaral net op grûn fan literêre kwaliteit takend wurdt, nee, “politieke, taalpolitieke of cultuurpolitieke motieven” moat it om gean. Sa hat bygelyks geheim agint Michaël Zeeman my de GJ-priis jûn om de bûtenlânske spion en V-man Huub Mous in hakke te setten.
Lekker koese minsken, it is wer let.
Huub Mous
21 maart 2009 op 23:55
Een probleem is natuurlijk de beperktheid van het Fries taalgebied. Het zou veel beter zijn om een onafhankelijke commissie te benoemen van externe deskundigen. Dat wil zeggen, mensen van buiten Friesland die niets met het ‘wereldje’ van de Friese literatuur te maken hebben. Om die reden zitten in de jury voor de Gerrit Benner-prijs alleen externe deskundigen van buiten Friesland. Dat is destijds op advies van Keunstwurk zo geregeld. Bij de benoeming van juryleden voor de Gysbert Japicxprijs spelen nu telkens weer onpeilbare motieven een rol. Hoe klein is de vijver waaruit je kunt putten, als het om juryleden gaat. Iedereen die iets voorstelt in het Friese literaire wereldje is al een aan de beurt geweest. Bij de keuze komen dus – alleen al om die reden – gemakkelijk oneigenlijke motieven naar boven. Daarbij komt nog de geheimhouding. Vier jaar gelden lekte de samenstelling van de jury vroegtijdig uit. Nota bene wist de latere winnaar als eerst hoe de jury was samengesteld. Twee jaar geleden lekte de winnaar vroegtijdig uit. Ik ben benieuwd wat ons dit jaar staat te wachten. Misschien staat de winnaar straks al in de Leeuwarder Courant, voordat het persbericht op het Provinciehuis de deur uit is. Ik sta nergens meer van te kijken. Alle procedures rondom de Gysbert zijn zo lek als een vergiet.
Huub Mous
22 maart 2009 op 00:00
Lekker koese, no.
Jelle Breuker
22 maart 2009 op 00:06
‘De gekoesterde miskenning’: ik sluit deze schrijfader niet uit. Het doet me denken aan de periode tussen 1980 en 1990 toen enkele bekende taalstrijders met een psychologische achtergrond en een aantal Frisisten de theorie naar voren brachten dat de Friestaligen zo veel zelfhaat hadden, dat zij daardoor hun moedertaal, het Fries, miskenden en zelfs vijandig tegenover de taal stonden. De oorzaak van deze zelfhaat zou het dominante Nederlands zijn, lees de Nederlandstaligen, dat de tere Friezenziel een knoei had gegeven. De Friestaligen hadden zich intussen van een excuus meester gemaakt om zich slachtoffer te voelen. Zij vroegen dan ook begrip om niet aan de bevordering van het Fries mee te doen. Het verzoek is overdadig beloond. Waar heb ik heb deze schreeuw om hulp, die op een groot gebrek aan zelfrespect wijst, meer gehoord en welke destijdse en huidige politici spelen de rol van zachte heelmeester? Ach, jij ook al een slechte jeugd?
Huub Mous
22 maart 2009 op 00:12
De Friese zelfhaat kent soms geen grenzen, evenals de Friese zuinigheid. Er zijn Friezen die zo zuinig zijn dat ze verlangen naar hun eigen dood. Daarmee komt hun leven weliswaar ten einde, maar zo wordt tegelijk hun liefste wens vervuld: niet langer een kostenpost voor zichzelf te zijn.
djKeu
22 maart 2009 op 21:07
Ik voel me aangesproken.
fred van der wal
24 maart 2009 op 19:48
Ja, daar zeg je me wat ik kende namelijk ook een Hannibal, die vreselijk roekeloos was en de gewoonte had om van de trap leuning van het Vossiusgymnasium naar beneden te glijden om de vrouwelijke leer lingen te imponeren want verder was ie zo stom als een hangbuikzwijn, nou, die Hannibal gleed weer eens met zijn dikke billen voor de zoveelste keer langs de trap leuning gelijk een blonde engel naar beneden, superieur glimlachend, tot hij bijna beneden was aangekomen waar mijn vriendje en ik een vlijmscherp geslepen spijker in het hout van de leuning hadden gedreven die onder een hoek van 30 graden stond opgesteld waardoor in zijn vlucht naar beneden de balzak van onze blondde engel helemaal werd opengereten en zijn ballen ergens in het hok van de concierge rolden over de vloer en daar lag ie te kreun en een te steunen op de grond in een steeds groter wordende plas bloed en toen hebben mijn vrienddje en ik zich toch het schom pes gelachen toen ie op een brancard de ziekenwagen werd ingeladen. We hebben ‘m nooit meer terug gezien en vanaf toen noemde ik hem niet langer Hannibal maar gewoon Hanni voor het gemak
Huub Mous
24 maart 2009 op 19:56
Dat is een wel erg doorzichtige variant op de mop van de stier Hannie die over het prikkeldraad was gesprongen.