Treblinka en de ironie

OPA IN TREBLINKA

opa moest elke keer weer lachen
als hij vertelde van dat nummer
die van de Obersturmfuhrer
zijn lul op tafel moest leggen
en hoe dat nummer keek
toen de slager
met een slag!

elke keer moest opa weer lachen

Bartle Laverman

Bovenstaand gedicht heeft de afgelopen week op het ‘Friese internet’ voor nogal wat opschudding gezocht. Het zou incorrect zijn om op dergelijke wijze de Holocaust in een gedicht ter sprake te brengen. Iedereen moest zijn zegje doen en ikzelf heb ook een duit in het zakje gedaan. Zo memoreerde ik dat Gerard Reve zo vaak zijn lul op tafel legde. Daar kraaide geen haan naar, behalve Harry Mulisch dan, die dacht dat Reve een verkapte fascist was. Mulisch schreef ooit een aanklacht tegen Reve onder de titel ‘Het ironische van de ironie’. Hoe dan ook, heel even was het weer zover. Friesland en fout zijn en de oorlog. Zelfs Abe de Vries kon het niet laten om op zijn weblog een vermoeide zucht te slaken: ‘It skynt in hobby te wêzen fan guon lju hjirre yn FRL om ien kear yn de pear jier in skriuwer foar brúnhimd út te meitsjen… Men wurdt der mismoedich fan.’ Ach ja, de oorlog, meer hebben we ook niet om ons druk over te maken in it beste lân fan ierde. Maar de vraag blijft natuurlijk staan of bovenstaand gedicht nu wel of niet door de beugel kan, ongeacht wat de dichter bedoeld heeft te zeggen, en of hij in die bedoeling geslaagd is of niet.

Josse de Haan stuurde mij gisteren bovenstaande prent. Het is een collage van de kunstenaar Harald Vlugt genaamd De weg naar Bergen aan Zee. Alleen de titel is door Josse veranderd in Rue de la plage Henday-Sur-Mer. Josse liet mij weten dat Treblinka nooit meer als metafoor gebruikt kan worden, tenzij het in een surrealistische setting. Die stelling in combinatie met deze collage riep bij mij een reeks associaties op. In de winter 1966 maakte ik wel eens een wandeling langs het strand tussen Egmond aan Zee en Bergen aan Zee. Het is daar een ruig landschap met duinen, zand en bunkers die herinneren aan de oorlog.  De omgeving deed mij denken aan het strand van Hossegor, waar Rimbaud over geschreven heeft, en waar ik in de zomer daarvoor met mijn ouders nog was geweest. Het was voor een surrealistische omgeving waar alles mogelijk was. Ik heb er zelfs een geslaagde poging ondernomen om de zon achter de wolken tevoorschijn te roepen, maar dat is een ander verhaal.

Ik was in die tijd nogal bezig met Albert Camus. In zijn boek De mens in opstand schrijft Camus over de ethiek in relatie met het surrealisme. Wat zijn de gevolgen als je – zoals Breton in zijn surrealistisch manifest heeft gedaan – als surrealistisch schrijver of kunstenaar alles in je verbeelding toelaat om tot kunst te worden, zonder acht te slaan op ethische of esthetische belemmeringen. De surrealisten deden dat. Ze gingen de straat op om priesters te beledigen en om God is dood te roepen tijdens een kerkdienst. Een enkele keer echter bleek dat er ook grenzen waren aan de acte gratuite. Zo werd een surrealist eens hoogst persoonlijk door Breton op het matje geroepen, omdat hij als voorbeeld van een surrealistische daad de fooienpot van de cafébaas achter de bar had weggehaald en in zijn eigen zak had gestoken. Ook Breton zelf liep ooit tegen de grenzen aan van zijn zelf verklaarde surrealistische vrijheid. Zo stelt Camus dat Breton het in 1933 betreurd moet hebben, dat hij ooit had beweerd dat de eenvoudigste daad van een surrealist erin bestond om met een geladen revolver de straat op te gaan en die, zonder een speciale voorkeur leeg te schieten op de menigte.

Nazisme was niet zozeer de ultieme verwezenlijking van het surrealisme, als wel van de kunst. In haar essay Fascinating Facism (1974) stelt Susan Sontag dat het meest belangwekkende in de relatie tussen politiek en kunst onder het nazisme niet zozeer was dat kunst ondergeschikt zou zijn aan politieke behoeften, maar dat de politiek zich de retorica van de kunst toe-eigende, de kunst in zijn laat romantische fase. Anders gezegd, Hitler wilde met zijn Derde Rijk een subliem kunstwerk realiseren, net als Al Qaeda trouwens met hun aanslagen van 9/11. Karl Heinz Stockhausen en Damien Hirst hebben kort na de aanslagen van 9/11 beweerd dat dit het meest sublieme kunstwerk was dat ooit is gerealiseerd. Ze gingen daarbij gemakshalve aan de Holocaust voorbij. Hitler heeft het allemaal al gedaan. Uit oogpunt van het sublieme is het nazisme niet te overtreffen.

Terreur en Holocaust raken elkaar in een diep menselijk verlangen naar het sublieme karakter van de vernietiging. Shoah (שואה) betekent in het Hebreeuws letterlijk ‘vernietiging’. Je kunt je zelfs afvragen of het nazisme een uniek fenomeen was als het gaat om de drang naar vernietiging. Was deze drang niet ook eigen eigen aan de moderne kunst? Was het heimwee naar vernietiging niet een rode draad in de moderniteit die op tal van plaatsen is terug te vinden? Het verlangen naar vernietiging is misschien wel de meest duistere en demonische drang die diep in de mens verscholen ligt, een drang die niet alleen verweven is met de wortels van de religie, maar ook met die van de  esthetica. De vraag is alleen of deze drang naar vernietiging universeel menselijk is, of beperkt blijft tot de man. Daarover lopen de meningen uiteen.

In haar boek The Demon lover, the roots of terrorism (1986, 2002) benadert Robin Morgan het fenomeen terreur vanuit een feministische optiek. Zij ziet terreur vooral als een zaak van mannen. De drang naar terreur en vernietiging zou samenhangen met een typisch mannelijke hang naar ‘het demonische’. ‘The terrorist is the logical incarnation of  patriarchal politics in a technological world. De demon lover, zoals zij de terrorist noemt, is als archetype al bekend uit de Bijbel. De demon lover wordt gedreven door moordlust en  de ‘thrill of fear’. Telkens weer ervaart hij een ‘orgasmic thrill in violant domination’. In feite is de terreurdaad superieur aan seks, vandaar ook dat de meeste terroristen ook een seksueel probleem hebben. Ook Hitler had dat. De enige onderdaan die hij niet onder controle had, zat tussen zijn benen, zo wordt wel eens beweerd.

De vraag is nu welke morele grenzen er bestaan bij de artistieke verbeelding van de Holocaust. Als je er vanuit gaat kunst autonoom en in principe waardevrij is, of zelfs een vrijplaats of laboratorium voor de moraal, dan zijn er geen grenzen wat dat betreft. Elke wijze van representatie is toegestaan, zeker in een open samenleving, waarin wij (nog altijd) leven en ongeacht of een moslim of Geert Wilders of een mallotige Britse bisschop in al dan niet artistieke zin zich over de Holocaust uitlaat. Wie beweert de Holocaust een subliem kunstwerk is geweest, kan zich beroepen op Joseph Goebbels, die iets vergelijkbaars heeft beweerd over de diepste intenties van het nazisme. Dat de Holocaust op zijn beurt tot een subliem kunstwerk kan leiden heeft Claude Lanzmann bewezen met zijn film Shoah (1985). Maar waar ligt de grens, als een kunstenaar of dichter al dan niet uit ironische motieven provoceert met noties en begrippen die met de Holocaust samenhangen?

In zijn boek Holocaust representation, Art within the limits of history and ethics (2000) beweert Berel Lang dat Hitler het bewustzijn van het kwaad tot kunst heeft verheven met een ultieme vorm van ironie. Alleen al de spreuk ‘Arbeit macht frei’ die op de toegangspoort van Auschwitz stond, is een voorbeeld van nazistische ironie en in die zin in wezen esthetisch van aard. Het is ironie die voortspruit uit een esthetisch bewustzijn. Ironie heb je in soorten: romantische ironie, nazistische ironie, correcte ironie en incorrecte ironie, maar het is en blijft allemaal ironie en soms is ironie dat allemaal tegelijk. De vraag welke morele aspecten er voor de de representatie van de Holocaust te bedenken zijn is uiterst complex, als blijkt dat ethiek en esthetiek in wezen niet van elkaar te scheiden zijn.

De ironie is een kunstvorm die zich zelf in de staart bijt. Als je morele grenzen wilt trekken als het gaat om de Holocaust, dan zul je die Holocaust als een uniek en bijna a-historisch fenomeen apart moeten zetten. Er zijn gronden om dat te doen, alleen betwijfel ik of die gronden historisch houdbaar zijn. Bestaat er zoiets als een universele constante in de aard van de mens, waaraan het onderscheid tussen goed of kwaad in laatste instantie valt af te meten? Zoiets als het getal π van het kwaad? Ik vrees van niet, al voel ik diep in mijzelf dat het wel zo is. Al het menselijke is historisch, ook de wortels van de ethiek, om over die van ironie maar te zwijgen. En toch, ik weet het niet. Als God het hoogste goede is, wat is dan het diepste kwaad? Misschien is de ironie wel de laatste vluchtweg van de kunst, als de peilloze leegte van het kwaad overwoekerd wordt door functie.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)