Camus op de Zeedijk

‘Op het Damrak klingelt het belletje van de eerste tram door de vochtige lucht en kondigt het ontwaken van het leven op de uiterste rand van Europa aan, waar op dat ogenblik miljoenen mensen, allen mijn onderdanen, moeizaam en met een bittere smaak in hun mond hun bed uit kruipen, om met een vreugdeloos hart naar hun werk te gaan. Dan zwerf ik in gedachten boven dit werelddeel, dat aan mijn wil onderworpen is, zonder dat de mensen het we ten, ik drink met volle teugen deze nieuwe dag als absint in en dan, dronken van gemene woorden, ben ik gelukkig, dan ben ik gelukkig, zeg ik u, en ik verbied u ook maar één ogenblik te geloven, dat ik niet gelukkig ben, tot stervens toe gelukkig! 0 zon, 0 strand, 0 eilanden onder de passaat, 0 voorgoed ver vlogen jeugd, wat maakt de herinnering er aan een mens diep wanhopig!’
Aldus Jean Baptiste Clamence aan het slot van de roman La chute (1956) van Albert Camus. Het boek speelt zich af in een café aan de Zeedijk, genaamd Mexico City. In werkelijkheid was dit café Casablanca, in de jaren vijftig een beroemd café. Hier vonden ook live-concerten plaats en er werd gedanst. De plek kreeg ook een plaats in het boek van Simon Vestdijk De dokter en het lichte meisje en in veel van Carmiggelts Kronkels. Camus kwam er in 1954 bij een bezoek aan Amsterdam. De naam van het café – ontleend aan de hoofdstad van Marokko of de beroemde film met Humphry Bogart uit 1942- moet Camus als Algerijn van origine aangesproken hebben. Maar ook Jacques Brel belandde hier een paar jaar later aan de hand van Ernst van Altena. Het was eind jaren vijftig een beetje een cultcafé, the place to be, misschien wel mede door het boek van Camus. Hoe dan ook, het café inspireerde Jacques Brel tot zijn chanson Amsterdam. De roman La chute speelt zich af in ‘de rosse buurt’, zoals die in die jaren eruit zag. Exotische vrouwen achter de ramen: ‘Op het naakte lijf dalen de goden neer, de eilanden schuiven als schimmen voorbij. De palmen in de wind lijken op een warrige haardos. Probeer het eens’. Camus schrijft over het brakke water in de gracht en de duiven die alsmaar rondvliegen in de lucht. Maar ook Ons’ Lieve Heer op Solder wordt genoemd.Veel passages van La chute brengen teksten van Brel in herinnering, ook andere chansons dan alleen Amsterdam. Voor Brel moet dit boek een bron van inspiratie zijn geweest.

Café Casablanca aan de Zeedijk, Amderdam 1956
Jean-Baptiste Clamence lijkt verlost te zijn als hij over het Damrak loopt. Niet toevallig is hij naar Johannes de Doper genoemd. Hij lijkt als eerste mens verlost te zijn, nadat God is dood verklaard, maar deze verlossing heeft wel een hele hoge prijs. Clamence moet als boetedoend rechter diep door het stof alvorens hij opnieuw tot leven kan komen. Wat dan van zijn leven overblijft is slechts een magere schaduw van het succesvolle bestaan dat hij ooit heeft geleid. Zijn eigen demasqué is een telkens herhaalde openbare biecht die tegelijk een aanklacht is van de Ander, van elk mens wel te verstaan. Want Clamence is niet zomaar een mens. Zijn aanklacht gaat ons allen aan. Na de pijnlijke ervaring van schuld, toen hij geen hulp bood aan de vrouw die zich verdronk in de Seine, is hij een aan martelend zelfonderzoek begonnen. Zijn drang om te excelleren was in wezen het verlangen om zijn eigenwaarde te bevredigen en de hoge dunk van zichzelf bevestigd te zien. Al die kasten vol boeken en voorgewende menslievendheid, het was een vertoning geweest van ijdelheid. Zelfs als hij een blinde hielp met oversteken, nam hij na afloop even zijn hoed af. Door voortdurend in zijn herinnering te wroeten had hij uiteindelijk ingezien dat hij door zijn bescheidenheid briljant was geworden, door zijn nederigheid vooruit was gekomen en door zijn deugdzaamheid het vermogen had verkregen om te overheersen en te onderdrukken.
Want elk mens wil een heerser worden over een slaaf, en elke slaaf is altijd nog heerser over zijn eigen slaaf. Alleen de bittere conclusies van Hegel resteren nog, als de mens de maker wordt van zijn eigen geschiedenis. De clementie van Clamence is het enige wat de mens nog rest, nu het geloof in een verlossende God gelijk staat aan zoiets als brandende sneeuw. Clamence gelooft niet. Hij heeft niets op met het christendom, behalve dan die eerste christen aan het kruis, die eerlijk was tot het laatst. ‘God waarom hebt Gij mij verlaten?’ Maar Lucas was de eerste evangelist die deze pijnlijke woorden al schrapte uit de gecanoniseerde tekst. Hoeveel zonden worden er niet in naam van Christus begaan? Onder het mom van de charitas streeft ook menig christen naar aanzien en ijdelheid. Elke godsdienst is in de ogen van Clamence in feite een vorm van witwasserij. We zijn allemaal even grote aasgieren en er is niemand die ongestraft blijft. Een mens kan alleen nog anderen beschuldigen om zijn eigen schuld te ontlopen. Maar dat is uitstel van executie. Op een dag komt iedereen langs een brug waar een vrouw in het water springt. Vluchten kan niet meer voor het oordeel. Dat wil zeggen: het oordeel van anderen want een Laatste Oordeel bestaat niet meer. Elke dag wordt Christus opnieuw gekruisigd. Elke dag ook vind het Laatste Oordeel plaats.
Het paneel van Jan van Eyck, dat de boetedoend rechter in de kast heeft staan is de metafoor voor een schijnverlossing, die Clamance voor zichzelf heeft gecreëerd. In laatste instantie is hij een toneelspeler. Alleen op het toneel en in een voetbalstadion voelt hij zich even vrij van schuld. Ook hier klinken de eigen passies van Camus door in die van Clamence. Camus hield als geen ander van toneel en voetbal. In het stadion en in de schouwburg gaat Clamance voor even geheel op in het spel, zoals hij vroeger het leven en de liefde als een spel speelde, bij de vrouwen die hij bedroog met zijn ingestudeerde verhalen. De verlossing, die hij nu gevonden heeft in zijn nieuwe toneelspel, werkt for the time being. Hij weet dat hij de mensen en zichzelf niet echt kan bevrijden. Want op zekere dag zullen de nieuwe heersers komen, waaraan zij zich opnieuw als slaven zullen onderwerpen. Zij kunnen de nieuw verworven vrijheid niet aan. Het leven zonder God is een te zware last. Er zijn geen heilige wetten meer. De rechters oordelen, maar vergeven niet. Rechtvaardigheid kent geen grond meer. De deugd verliest zich in eigenbelang en de liefde verstrikt zich in eigenliefde.

Café Casablanca, 1956
Je kunt deze roman op verschillende manieren duiden. Als een vlijmscherpe analyse van het morele bankroet van de mens na de dood van God, dat wil zeggen: de mens na Auschwitz, maar ook als de proef op de som voor de fundamentele gespletenheid van de menselijke existentie. Je kunt het boek zelfs lezen als een parodie op het christendom. Want de bekentenissen van Clamence herinneren wel heel sterk aan de Belijdenissen van Augustinus. In het eindeloos zelfonderzoek blijft niets in zichzelf gespaard. Hier keert een mens zich volledig binnenste buiten, zoals voorheen alleen Augustinus had gedaan. Camus was een groot kenner van Augustinus. Zijn proefschrift was aan hem gewijd. Zijn boetedoend rechter loopt in de voetsporen de Belijdenissen van deze oude kerkvader, bij wie schuld, liefde en verlossing centraal stonden.
Clamence vertelt over de oorlog, toen hij terugkeerde naar Noord-Afrika, waar hij zich tot paus liet kronen een gevangenkamp. Na deze pauskroning mag hij het water verdelen onder de dorstigen in het kamp, maar hij drinkt zelf het water van een stervende, omdat hij zijn eigen leven uiteindelijk van meer belang acht dan degene die ten dode is opgeschreven. Het verhaal lijkt een schrijnende aanklacht tegen Pius XII die met zijn uiteindelijk zwijgen over de Holocaust ook een pragmatische afweging maakte. Maar de liefde en de rechtvaardigheid kennen de wetten van de boekhouding niet. Iedereen is schuldig die de onvoorwaardelijke liefde niet tot het einde toe in praktijk weet te brengen. Slechts dan is er wellicht ooit rechtvaardigheid op deze wereld mogelijk. Maar de mens, die dat kan volbrengen, moet opnieuw geboren worden.

Café Casablanca, 1956
Telkens weer doemt het beeld op van een mens die schuldig is tot op het bot. Alleen een God zou hem nog kunnen redden, maar die is er niet. La chute gaat over de hedendaagse crisis van de liefde en de deugd. De eigenliefde overwoekert de deugd. Er is geen liefde zonder eigenbelang. De amor sui is het noodzakelijk fundament voor de amor proximi. Dat geldt al voor de eerste genegenheid van de zuigeling voor zijn moeder. Voor Augustinus ging het zondebesef zelfs zo ver dat ook de zuigeling zondig was. De mens is al bij geboorte met schuld beladen en alleen door zijn hart tot de onvoorwaardelijke liefde van God te richten is een verlossing mogelijk. Door de genade die hem dan wellicht ten deel valt. Maar Clamence kent geen genade. God was ooit de zekering die er voor zorgde dat er geen kortsluiting kwam tussen liefde en eigenliefde. De mens diende van de mens te houden in God, en niet van het goddelijke in de mens. Of in de woorden van de boetedoend rechter die kantoor houdt op de Zeedijk:
Neen, je kunt niet zeggen, dat het medelijden niet meer bestaat, waarachtig niet, grote goden, we praten over niets anders meer. Alleen is het nu zo, dat we niet meer aan vrijspraak doen. Boven het dode lichaam van de onschuld woekeren de rechters voort, rechters van alle landen en alle rassen, in naam van Christus, in naam van de Anti-Christ. Daar is trouwens geen enkel verschil tussen, zij vinden elkaar terug in de malcom fort. Weet u wat er hier in de stad met een van de huizen is gebeurd, waarin Descartes zijn toevlucht had gevonden? Dat is op het ogenblik een gekkenhuis: Daar ziet u op het ogenblik niets anders meer dan achter volgingswaan en volslagen waanzin. Uiteindelijk zullen wij daar ook nog wel eens terechtkomen. U merkt wel, dat ik niets ontzie, maar u denkt er net zo over, dat heb ik wel gemerkt. Omdat we nu eenmaal allemaal rechters zijn, zijn we automatisch ook allemaal schuldig in elkaars ogen. Op onze eigen weerzinwekkende manier spelen we allemaal een beetje voor Christus, stuk voor stuk worden we aan het kruis genageld en uiteindelijk weet niemand de waarheid. Zo zouden de zaken er tenminste voor ons uitzien als ik, Clamence, geen uitweg had gevonden. Ja, ik heb de enige juiste oplossing gevonden, de waarheid mag ik wel zeggen.
josse
5 maart 2009 op 10:58
ELJA, de skepping fan Gummykut – in film, side 121:
‘Kiki naam ofskied fan de sted der’t de Fiking wenne, fan it keammerke fan Camus, en ried nei it suden. Simmer soe it net wurde, en in 1500 kilometer lang rieden de eangst (om te ferliezen), de trystens (om it ofskie fan de Fiking, de ein fan it streakjen fan har boarsten), en de mankelikens (oangeande dat keammerke fan Camus der’t se de Fiking noait wer treffe soe) mei har yn de auto. Yn ien rit werom nei in earder ferlern paradys, der’t oare paranoide foarstellingen fan it ferline – waansinnich plesier, utsinnige mankelikens – yn alle gefallen yndrukwekkend wiene troch de oproppen gefoelens.’
diens vreemdeling
5 maart 2009 op 15:43
Dank je Huub, dat je door het presenteren van Camus, mij hebt aangezet om op internet naar diens grafsteen te zoeken. De steen die wij in 2006 en 2007 niet op de begraafplaats van Lourmarin konden vinden. Op internet blijkt het een eenvoudige, rechthoekige, witte kalkstenen? steen te zijn met als gekerfde inscriptie: Albert Camus 1913-1960. Dit deed mij meteen denken aan de eenvoudige, witte steen van André Gide met als inscriptie André Gide 1869-1951. Er zijn overeenkomsten, mar ook tegenstellingen. De inscriptie bij Gide is in goudletters en de steen is van een zeer kostbare marmersoort, zei de gepensioneerde grafdelver die het niet kon laten iedere dag naar zijn voormalige werkplaats te wandelen. Gides steen was in 1987 behoorlijk groen uitgeslagen, waardoor ook de goudletters waren aangetast. Een gevolg van de zure zeeklei zeiden de grafdelver en mijn gezelschap, een apothekeres met heel veel plantbiologie in haar voormalig studiepakket.
Gide heeft het als homosexueeel niet gemakkelijk gehad en hij is als het ware gedwongen om met zijn nicht te trouwen, Madeleine Rondeaux. Zij ligt naast hem, maar onder een veel minder exclusieve steen. Maar het huwelijk was zijn redding. Zij had geld, een prachtig Normandisch buiten met een fraaie (gesloten) tuin en bood Gide de ruimte om knapenliefde te bedrijven. Het huwelijk is niet geconsemeerd. Zeiden alweer de grafdelver en reisgenote, die uitstekend in het vroegere en huidige literaire Normandie is ingevoerd. Het bezoek aan Cuverville, over de weg zo’n 10 km zuidoostelijk van Etretat, houdt mij vanwege enkele tegenstellingen sterk bezig. Enerzijds is daar de in welstand levende, protestante , homosexuele Gide met beroemde en invloedrijke vrienden en anderzijds de eenvoudige, veel oudere en in armoede, in een haveloze en erg geisoleerde pastorie levende dorpspastoor. De mannen hebben jarenlang een verhouiding gehad. In Normandie is dat nog steeds een taboe.
De pastoor mocht niet bij Gide thuis komen en zo heeft de laatste duizenden keren het wegje van zijn logement (Rondeaux was eigenares van het buiten) naar de pastorie gelopen. Aanvankelijk erg schichtig want het contact moest zoals verhoudingen betaamt, geheim blijven. Een afstand van een paar kilometer, schat ik achteraf. Het zal niet altijd mei geweest zijn met de bijna bedwelmende geur van bloeiende koolzaadvelden en van de honderden meidoorns langs het wegje. Een aanrader voor over een paar maanden.
Mijn vraag na deze lange inleiding is: zijn er meer witte grafstenen van Franse schrijvers en waar?
Lyceist
5 maart 2009 op 19:37
In mijn tijd, rond ’60, was de place to be voor de wat minder aangepaste middelbare scholieren Dancing Lucky Star in de Lange Leidsedwarsstraat, vlak bij het Leidse Plein.
Casablanca was veel te ver wegn voor ons.
En waarschijnlijk toen veel te ruig, denk ik.
Laatst ben ik weer even in Casablanca geweest. Het is nu een heel net muziek-cafe.
diens vreemdeling
5 maart 2009 op 19:47
Enige tijd nadat ik het stuk hiervoor min of meer voor de vuist weg had geschreven kwam de gedachte bij mij op dat de thematiek van ‘La Chute/ De Val’ / “ELJA” en ‘Belijdenissen’ (ken ik niet, zie Mous’ essay) lijkt op de thematiek van het boek dat Jean Schlumberger over Madeleine en André Gide heeft geschreven.
“De geschiedenis van Madeleine en André Gide is een van de meest tragische liefdesschiedenissen uit de moderne literatuur, een van de meest verwarrende ook, waarin men een uiterst liefdevolle , maar strikt rechtzinnige natuur als die van Madeleine verwikkeld ziet in een felle strijd, bijna op leven en dood, met een gespleten, tegenstrijdige, dubbelzinnige natuur als die van André Gide. Het was niet een strijd van twee mensen tegen elkaar , maar óm elkaar en om hun zelfbehoud. Het grote probleem lag in hun verschillende opvattingen van eerlijkheid, hoe bereid ieder ook was om in de oprechtheid van de ander te geloven. Dit drama, waarvan men een verslag aantreft in Gide’s postuum gepubliceerde boek ‘Et nunc manet in te ‘, speelde zich hier in Cuverville af. De afspiegeling daarvan vinden we treffend verwoord in de notities die Roger Martin du Gard over zijn verblijf bij de Gide’s in Cuverville in januari 1923 maakte: – Ik bemerk eens te meer hun eigenaardige houding tegenover elkaar, die soort van afwachtende beleefdheid, die mengeling van natuurlijkheid en gemaaktheid die ze in hun geringste omgang hebben , die oplette4mnde uitwisseling van voorkomendheden, de vriendelijkheid, de tederheid van hun blikken, hun gliimlach, hun woorden; – en tegelijk een ondergrond van ondoordringbare koude, iets als een lage temperatuur in de diepte: de afwezigheid, niet slechts van wat op echtelijke vertrouwelijkheid
zou lijken, maar van de intimiteit tussen twee vrienden, twee reisgenoten. Hun wederzijdse liefde -hoe duidelijk ook – blijft afstandig, gesublimeerd, zonder gemeenschap: het is de liefde van twee vreemden die er nooit zeker van schijnen elkaar goed te begrijpen, goed te kennen, en die niet communiceren in het diepste van hun hart-.
Uit: Schrijvers in hun landschap -op reis door
Frankrijk-: Nijgh en Van Ditmar ‘s Gravenhage 1983 : Pierre H. Dubois
Kunnen de personages Madeleine en André Gide model hebben gestaan voor de personages in ‘La Cute’ (en ‘ELJA’ dat ik niet ken)
Huub Mous » De Sartre van Sneek
14 januari 2010 op 11:18
[...] boerendochter, maar over een gefrustreerde Parijse advocaat die in kroeg aan de Amsterdamse Zeedijk zijn levensverhaal opbiecht aan een willekeurige passant. Ook zijn leven is in een crisis beland, [...]