De Roomse afkeer van het boek

Tussendoor vond hij nog tijd om in te gaan op een merkwaardig verzoek. Het bereikte hem via de redactie van het maandblad De Heraut van het Heilig Hart: of hij een persoonlijke toelichting wilde schrijven op de gebedsintentie die paus Pius XII voor de maand augustus had opgegeven en die luidde: ‘Hart van Jezus, mogen de Christenen slechte lectuur krachtig bestrijden.’ Het onderwerp prikkelde hem. ‘Zou het niet sympathieker zijn geweest,’ schreef hij, ‘als de Paus had laten vragen: “Heilig Hart van Jezus, mogen de Christenen goede lectuur eindelijk eens naar waarde gaan leren schatten.” Want katholieken lazen niet veel, nog altijd niet. Oud wantrouwen tegen het boek leidde een lang leven, waardoor de geestkracht van het katholieke volk ernstig geschaad werd. Toch was er verbetering. ‘Vandaag is het heel normaal, dat katholieke gezinnen de pastoor of kapelaan ontvangen in een kamer, waarin een boekenkast staat. Dit deden in mijn jeugd burgergezinnen nooit. De geestelijke werd binnengelaten in de salon en daar stonden nooit boeken.’
Aldus Michel van der Plas in zijn biografie van Anton van Duinkeren (zie foto) ‘Daarom mijnheer noem ik mij katholiek’. Het citaat geeft goed weer hoe het met de leesgedrag van katholieken decennialang was gesteld. Katholieken lazen niet. Ze lazen niet alleen de Bijbel niet, maar überhaupt niet. Als mijn vader in zijn leven tien boeken heeft gelezen, dan is het veel. Bij ons thuis was ook nauwelijks een boek te vinden. In de jaren zestig kocht mijn vader een ‘Kant en klaar’ wandmeubel, waar de glazen in konden staan. Daar zat ook een boekenplankje in. Maar meer dan tien boeken kan ik me niet herinneren. ‘De Peelwerkers’ van Antoon Coolen en een vijfdelige Winkler Prins. Soms kwam er een boek in huis dat je goedkoop bij de Margriet kon krijgen. Van Pearl S. Buck bijvoorbeeld of ‘Kronkels’ van Carmiggelt. Ook kan ik me herinneren dat er wel eens een Prisma-boekje door het huis heen slingerde met titels als ‘De leugen daalt over China’ of ‘Augustinus de zielzorger’, maar dat was het dan ook wel.
Lezen deed je niet. Ja, de krant. Die werd elke avond door mijn vader gespeld. Wij hadden thuis een abonnement op ‘De Nieuwe Dag’. Dat was de Amsterdamse editie van ‘De Tijd’. En er was natuurlijk de parochiekrant ‘Sursum Corda’ met het kerkelijk nieuws en niet de vergeten de katholieke radiogids, die later ‘Studio’ ging heten. Ook kan ik me herinneren dat we wel eens een tijdje een abonnement hebben gehad op ‘Readers Digest’. Maar een boek was een zeldzaam fenomeen bij ons huis. Het lezen van boeken werd ook niet door de kerk gestimuleerd. Integendeel. Heel wat boeken stonden op de verboden lijst, de index, die pas in 1966 door Paus Pius VI werd opgeheven.
Anton Van Duinkeren is misschien wel de meest vergeten schrijver van Nederland. Hij was dichter, hoogleraar, cultuurhistoricus, katholiek en doorbraak-socialist, daarnaast een uitmuntend redenaar, een groot improvisator en een Bourgondisch levensgenieter met een ontstellend grote eruditie. Met recht wordt hij wel de laatste in de rij der katholieke emancipatoren genoemd. Samen met zijn vriend Godfried Bomans, met wie hij een zekere ‘Roomse hang naar het absurde’ deelde, behoorde hij tot de belangrijkste katholieke schrijvers van de vorige eeuw. Je kunt met recht stellen stellen dat hij de katholieken in Nederland definitief aan het lezen heeft gebracht, niet alleen door de vele boeken die hij zelf schreef, maar ook door zijn niet alfatende propaganda voor het boek. Zo schreef hij jarenlang boekrecensies voor het dagblad De Tijd, maar daar moest hij van hogerhand altijd als laatste regel aan toevoegen of het boek voor katholieken al dan niet raadzaam was om te lezen.

Ik denk dat mijn liefde voor het boek voor een groot deel is voortgekomen uit het de omstandigheid dat ik opgegroeid ben in een huis zonder boeken. Uit pedagogisch oogpunt heeft het ook weinig zin om kinderen al in hun vroegste jeugd met boeken in aanraking te brengen, zo er al een heilzame werking van boeken uitgaat, wat zeer discutabel is. Een auteur als Jean Paul Sartre, die niet over gebrek aan verbeeldingskracht en verbaal vermogen te klagen had, beschrijft in zijn autobiografie ‘Les mots’ dat hij opgroeide in een ouderlijk huis vol boeken, maar tegelijk als kind verslaafd raakte aan het lezen van stripverhalen. Zonder effectbejag of ironie, maar letterlijk en oprecht bekent dat hij dat hij nog altijd liever strips las dan Wittgenstein.
Een te vroege toewijding aan het boek zou de fantasie zelfs kunnen remmen in haar vrije ontwikkeling. Geletterdheid, zo beweerde McLuhan, draagt aan de versplintering van de zintuigen. Het Gutenberg-tijdperk heeft de mens geen goed gedaan. De nieuwe media brengen volgens volgens hem nieuwe vormen van synesthesie voort. Daarmee zou een eind kunnen komen aan de verschraling van het zintuiglijk leven, die sinds de Romantiek door dichters en kunstenaars is gesignaleerd en bestreden. Misschien hadden de katholieken met hun middeleeuwse afkeer van het boek dan toch gelijk. Ze wilden het Gutenberg-tijdperk gewoon overslaan. Protestanten zijn wettisch en symboolblind. Katholieken daarentegen zijn beelddenkers en hebben gevoel voor het irrationele. Misschien hebben de Roomsen dan toch gelijk. Boeken lezen remt het creatieve vermogen. Schopenhauer zei het ook al:
‘Mensen, die hun leven met lezen doorgebracht en hun wijsheid uit boeken geput hebben, gelij ken op degenen, die zich uit vele reisbeschrijvin gen nauwkeurige kennis omtrent een land hebben eigen gemaakt. Zulke lieden kunnen over veler lei zaken inlichtingen geven: maar in de grond van de zaak bezitten zij toch geen samenhangen de, duidelijke, grondige kennis van de gesteld heid van het land. Zij daarentegen, die hun leven met denken hebben doorgebracht, gelijken op degenen, die zelf in dat land zijn geweest: zij alleen weten eigenlijk, waar het over gaat, ken nen de dingen daar te lande in hun onderling verband en zijn in de ware zin van het woord daar thuis.’
Dat mag dan zo zijn, deze wijsheid heb ik mij eigen gemaakt door het lezen van het boek ‘Over lezen en zelf denken’ van Schopenhauer. Ik heb zelf leren denken door boeken te lezen en niet andersom. Om die reden heb ik in de loop der jaren mijn huis volgestouwd met boeken. De planken in de gang beginnen zelfs vervaarlijk door te buigen, omdat ze het gewicht van de kast nauwelijks meer kunnen dragen. Er moet binnenkort een betonnen vloer in worden gestort, anders gebeuren er ongelukken. Ik heb ooit ooit eens een verhaal gelezen over een Franse bisschop in de zestiende eeuw die zijn huis zo vol gebouwd had met boeken dat het uiteindelijk is ingestort. De bisschop kwam om het leven tussen zijn eigen boeken.
Dat is wat je noemt een katholieke legende. Door de ijdelheid van het overmatig boekenbezit komt de bezitter vanzelf voor de val. God straft door de zwaartekracht, waartegen zelfs het boek niet bestand is. Maar ook als je boekenkast niet omvalt, kun jezelf nog altijd uitgroeien tot een ‘omgevallen boekenkast’ Een overdaad aan boekenkennis, zonder samenhangend inzicht, leidt tot die kwaal. Ook van Anton Van Duinkerken werd wel eens beweerd, dat hij ‘een omgevallen boekenkast’ was. Zelf was hij in ieder geval een groot boekenverzamelaar. In zijn huis gingen de boekenkasten zelfs door tot in het trappenhuis. Ook als hij ergens kwam dook hij is eerste de boekenkast in, om vervolgens zich urenlang te verdiepen in een uitgave die hij nog niet kende. Ook ik word wel eens ‘een omgevallen boekenkast’ genoemd. Maar de boekenkast, die in mijn hoofd is omgevallen, is slechts een klein kastje vergeleken bij de enorme bibliotheek die Anton van Duinkerken in zijn brein had zitten.

Een paar maanden geleden werd ik door Ernst Bruinsma voor het blad De Moanne geïnterviewd over mijn boekenkast. Bij die gelegenheid werd bovenstaande foto gemaakt. Mijn boekenkast is zo te zien een zootje. Dat was ook zo. De afgelopen maanden ben ik druk bezig geweest om alles eens uit te mesten en op orde te brengen. Zo trof ik heel wat boeken aan, waarvan ik niet wist dat ik ze had. Bijvoorbeeld het boekje ‘Boeken bij ons thuis’ geschreven door Piet Marée. Het heeft geen jaartal, maar zo te zien is het verschenen in de jaren vijftig. Het bevat tal van praktische tips hoe hoe je overal in huis boekenkasten kunt bouwen, zelfs in de slaapkamer, op de gang , op zolder en achter de zitbank. Er staan ook bouwtekeningen bij. In de inleiding onderstreept de schrijver nog eens het belang van veel boeken in huis, in een betoog waar ik mij – ondank mijn Roomse ‘boekloze’ opvoeding – volledig in vinden kan:
Boeken zijn levende huisgenoten. Als echte goede vrienden geven zij ons voor de aandacht die we hun schenken verbazend veel terug, niet alleen door wat hun inhoud ons heeft te vertellen, maar ook door hun aanwezigheid. Een goed ondergebrachte verzameling boeken geeft een kamer gezelligheid en kleur. Er is weinig dat zoveel bijdraagt tot de aankleding van een vertrek als een collectie boeken. Deze geesteskinderen van de besten onder de mensen zijn in elke omgeving op hun plaats, in een bescheiden zolderkamertje zowel als in een rijk gemeubeld huis. Zoals elk edel voorwerp dat doet, verhogen zij het gehalte van hun omgeving.
josse
23 december 2008 op 11:34
Als je leest ben je niet alleen. Met andere woorden, al lezende, en het eigenaar worden van boeken, vergroot je de wereld om je heen, schep je een wereld waar het goed toeven is (met je vrienden, de boeken, de schrijvers van die boeken).
Mijn eerste bundel gedichten (ik was 16 of 17) vond ik bij Van der Velde in Leeuwarden – De Oostakkerse gedichten van Hugo Claus. Het waren de eerste gedichten die ik voorlas aan iemand (G., een toenmalige vriendin).
Het boek waar ik nu mee bezig ben is geschreven door de vader van Jelle Krol (Tresoar) – Piter Krol: Sutelder/ bakkersfeint en later bakker in Drachten. Ik herken weer veel (ivm mijn vader die ook sutelder is geweest), maar het is anders dan de herkenning bij Hugo Claus.
De reele wereld van mezelf krijgt een extra dimensie door zulke boeken – je eigen verhaal wordt breder en groter door de verhalen op papier die in dezelfde, maar ook weer in een andere eigen wereld spelen. De eigenaar van een bibliotheek is op zoek naar de andere kijk op zijn wereld, zijn ideeen. Lezen is (dus) in gesprek zijn met jezelf en de anderen.
Als je leest kun je niet alleen zijn. En dat is toch de kern van het bestaan – vechten tegen het solitaire, de existentiele eenzaamheid?
Ischa
23 december 2008 op 13:41
In de zestiger jaren werden veel mensen lid van een boekenclub.
Zij werden daarna verplicht om iedere maand minstens één boek af te nemen. Bij afname van drie boeken in één keer, kreeg je een vierde boek gratis.
Het was zeer moeilijk om van dat lidmaatschap af te komen. Sommige mensen zaten voor de rest van hun leven aan het lidmaatschap vast. Dat waren analfabeten en daarvan had je er vroeger meer dan nu.
Ik heb destijds heel wat huiskamers gezien “met een goed ondergebrachte verzameling boeken, die de kamer gezelligheid en kleur gaf. Want er is weinig dat zoveel bijdraagt tot de aankleding van een vertrek als een collectie boeken.”
Wat nu de muzak voor vliegvelden en winkelcentra is, was toen de boekenkast met de brede, kleurige, met namaak goud op snee bedrukte boekenruggen voor de huiskamer.
Heel indrukwekkend voor de visite. Het bewijs van een goede ontwikkeling voor de trotse bezitter.
En dan nog die titels van die boeken. Die konden niet stuk.
Eén zo’n titel ben ik nooit vergeten: Generaals sterven in bed.
Nee, mijn ouders zijn nooit lid geworden van een boekenclub. De ruggen van die boeken pasten niet bij ons verantwoorde PasToe meubilair.
Huub Mous
23 december 2008 op 14:47
Ik ben in de jaren zestig zelf lid een tijd geweest van de EC-Boekenclub. Het was inderdaad niet makkelijk om je lidmaatschap op te zeggen. Wel heb ik er een dertigtal – veelal ongelezen -boeken aan overgehouden. Niets eens slechte, een dik boek van Nabokov bijvoorbeeld, waar ik ooit in begonnen ben, maar niet doorheen kwam. As je niet kon kiezen dan kreeg je ‘Het boek van de maand’ vanzelf toegestuurd. Het probleem met die boekenclubs was het beperkte repertoire. Het waren wel mooie boekenkastvullers.
Maar dat waren ook de zogeheten trilogieën (waarom zie je die niet meer) bijvoorbeeld van Toon Kortooms, Jan de Hartog, Jan Mens of Herman de Man. Die laatste – zo las ik in de biografie van Anton van Duinkerken – is wel heel treurig aan zijn eind gekomen. Eerst verongelukten zijn vrouw en vier kinderen. Kort daarop kwam hij zelf om het leven bij een vliegtuigongeluk op Schiphol. Dat is wat je noemt de duivel en de grote hoop. Maar ik dwaal af. Je had in die tijd inderdaad veel dikke boeken met goedkope banden die toch nog wat leken en heel goed de boekenkast opvulden. Tegenwoordig zie je dat soort boeken nog wel eens in een café, waar ze voor de sfeer een boekenwand hebben gecreëerd. Laatst kwam ik in een wegrestaurant bij Breda, waar de wanden vol waren met dat soort boeken.
Je hebt inderdaad mensen die graag ‘een wandje boeken’ hebben zonder ooit een boek te lezen. Dat soort boekenkasten herken ik trouwens meteen. Een goede boekenkast heeft een ziel. Het is moeilijk te benoemen waar dat in zit. Ik herinner mij een anekdote die ik ooit van een boekbinder hoorde. Een Amerikaan had bij een antiquariaat in Amsterdam voor een vermogen oude boeken in leren banden gekocht. Maar hij kwam terug bij de boekbinder met de vraag of van alle boeken een halve centimeter af kon, omdat ze net niet in zijn eikenhouten boekenkast pastten. Ik kan me dat ergens wel voorstellen. Als je mooie boeken koopt om daarmee je boekenkast op te sieren, dan moeten ze ook passen, anders is het een miskoop
Jeltsje
23 december 2008 op 20:20
Even een reactie van een vrouw op Josse’s:
“Als je leest kun je niet alleen zijn.”
Deze zin lijkt mij een erg boute bewering.
Voor mij komt het over als wishful thinking van iemand die in eenzaamheid leeft.
“En dat is toch de kern van het bestaan – vechten tegen het solitaire, de existentiële eenzaamheid?”
Ja, maar toch is samen praten met vrienden over hetgeen je gelezen hebt en wat je daarbij geboeid heeft, volgens mij een ervaring die boven het alleen lezen uitstijgt.
Oke, die uiteindelijke eenzaamheid blijft, maar wordt dan toch wel iets dragelijker, omdat er op zulke momenten ook een echt levensgevoel ontstaat.
josse
23 december 2008 op 20:39
Ik had ook kunnen zeggen Jeltsje: ‘Als ik schrijf ben ik nooit alleen’, met andere woorden, met mijn schrijven (of praten over het gelezene zoals jij doet) ga ik een verbinding aan met de wereld, in discussie met de wereld. Het lost een deel van de zinloosheid op, en door de voldoening iets te maken of te ervaren (praten, lezen = praten) schep je je eigen perspectief, dat voortdutrend veranderd kan worden.
Huub Mous
23 december 2008 op 21:39
Voorbijgang
Ruiter en paard zijn voorbij
De hoefslag dreunt in mijn oor.
De hoefslag herinnert mij
Aan al wat ik was en verloor.
Nu welhaast onhoorbaar vergaat
In den stervenden dag het geluid,
Wat is van den vroegeren staat
Mijn eigen, mij blijvende buit?
Bestaat er alleen voor den geest
Een samenhang? Of is dit schijn?
Is iemand wel één uur geweest
Wat hij altijd had willen zijn?
Lucht, die verduistert tot nacht,
Een tikkende klok op de schouw:
Het gebeurde, vergeefs overdacht,
Verbittert, wat komt, met berouw.
Een hoefslag, een ijdel gerucht,
Is voorbij. En voorbij is het lied.
Het wezen der dingen is vlucht.
Het wezen der ziel is verdriet.
Anton van Duinkerken
Jeltsje
23 december 2008 op 23:42
De voldoening van de ervaring iets te maken, te schrijven en te lezen, kan denk ik, met/in goed gezelschap verruimd worden.
Verder dan je eigen binnenwereld. Uitwisseling kan de boel laten gloeien en bloeien. Onverwachte verbanden, gedachten en ervaringen van anderen kun je als heerlijk versgebakken brood ruiken en proeven. Evenals je eigen reageren daarop. Dit kan resulteren in een elementair, warm levensgevoel dat waarschijnlijk ook door die anderen beleefd en gedeeld kan worden.
Dacht ik: Ik denk, dus ik besta.
Nu wil ik, zo mogelijk, proberen om samen met goed gezelschap ergens over te denken en verse gedachten uit te wisselen.
Daar krijg ik zelf toch een meer authentiek gevoel van dan wanneer ik mijn eigen boel herkou. Want dat blijft het haast altijd als je alleen bezig bent.
Het is maar heel weinigen gegeven om alleen zelf zulke unieke bedenksels te creeren, dat je daar een warm levensgevoel van krijgt. Vooral dus ook omdat die warmte speciaal opkomt bij die gezamenlijke uitwisseling.
Nu: Wij denken en wij bestaan, dat geeft mij een aangenamer gevoel.
Buiten blijft het natuurlijk vriezen.