Nieuwe Oosterstraat

Dit is de verzetsgroep die in de maanden maart en april 1945 de Duitse Sicherheitsdienst in Leeuwarden afluisterde. Van links naar rechts op de foto staan Lo van der Werf, Lykle van Dijk, Eelke Koopmans, Fokke Sierksma en Teake Kuipers. De afluisterpost was gevestigd in het pand van een boekhandel in de Nieuwe Oosterstraat 9 in Leeuwarden. Ik ben daar gisteren nog even wezen kijken. Het is het pand waar nu de ‘Join Up Western’ zit. Een eenvoudige plaquette aan de muur herinnert aan de gebeurtenissen uit 1945:

“Hier in Boekhandel Wielenga was de afluisterpost van het Friese verzet. Van 26 februari tot 15 april 1945 werden in het Burmaniahuis verzetsstrijders die door de Duitsers opgepakt waren gemarteld door de SD. Door middel van de geheime telefoonlijn naar de luisterpost konden mensen die in gevaar kwamen door de koeriersters gewaarschuwd worden.”

Deze informatie is niet helemaal volledig. Er konden niet alleen telefoongesprekken worden afgeluisterd, maar ook alle zaken die zich in de kamers afspeelden, waar een verborgen microfoon was aangebracht. Op die manier kon men ook exact horen hoe de martelingen verliepen. Voor degene die afluisterde betekende dat een grote psychische belasting. Je hoorde immers alles, maar je kon niets doen. Alle afgeluisterde informatie werd nauwgezet opgetekend in een schrift en daarna uitgetypt. Fokke Sierksma heeft de gang van zaken op deze luisterpost indringend beschreven in zijn boek ‘Grensconflict’. Het verscheen in 1948 onder het pseudoniem Frank Wilders, maar het was al in de maanden november en december van 1945 geschreven. Dit debuut werd destijds goed ontvangen. Vestdijk was zelfs zeer lovend: ‘Een zowel zakelijk als menselijk ongemeen boeiend geheel (…), reeds als avontuurlijk verhaal kan dit debuut zich veilig meten met de beste internationale voortbrengselen op dit gebied.’

Het schrift met de afgeluisterde gesprekken

Al een jaar of wat had ik ‘Grensconflict’ in mijn boekenkast staan, maar pas deze week kwam het er eindelijk van om het te lezen. Of het nu komt omdat ik me in het afgelopen jaar heb verdiept in de persoon en het werk van Fokke Sierksma, of dat het gebeuren zich afspeelt op een steenworp van mijn eigen huis in Leeuwarden, ik raakte onder de indruk van dit relaas. Het verhaal is zeer aangrijpend, niet alleen door de gebeurtenissen die sober worden weergegeven, maar vooral door het innerlijk conflict dat Sierksma met zichzelf uitvecht. Het verhaal speelt zich af op twee niveaus. Er wordt een film gemaakt over de luisterpost, kort na de bevrijding, een soort docudrama, waarin de gebeurtenissen door de betrokken zelf worden nagespeeld. Waarschijnlijk moet dit de film van een zekere Bultsma zijn, die – zo las ik ergens op internet – in 1992 is teruggevonden en gerestaureerd en nu in het Verzetsmuseum wordt bewaard. Het verhaal van de filmopnamen biedt het kader voor de werkelijke gebeurtenissen, die in de tegenwoordige tijd telkens opduiken in deze raamvertelling.

Sierksma laat zien wat het betekent om de stemmen van de Duitse bezetter van dichtbij te horen, soms zelfs letterlijk in de ademhaling van de vijand die opklinkt in de koptelefoon. Hij beschrijft de intimidaties tijdens de verhoren, maar ook de martelingen en zelfs het schreeuwen van de pijn. Voortdurend is er de angst om betrapt te worden. De dood is in dit verhaal haast in elke regel aanwezig. Letterlijk zelfs in de blauwzuur-bonbon, die hij en zijn kompanen op zak hebben voor het geval dat het misloopt. Zo dicht bij de dood wordt het leven anders, maar ook de dood verandert van gedaante.

De dood roept vragen op. Na dood is er het grote niets, zo lijkt Sierksma te denken. ‘Zelf ben jij niet eeuwig, dus is er geen enkele redden om te verwachten, dat je geest relaties met een absolute eeuwigheid zou onderhouden.’ ‘Wat is dat toch doodgaan?’ vraagt hij zich af. ‘Een mens blijft waar hij is en toch is hij verder dan de verste sterren. Wat gebeurt er met dat stuk van mij dat ‘ik’ zegt als ik dood ga. (..) Vreemd is dat toch – wanneer je over de dood spreekt, denk je meestal aan het leven dat doodgaat en zelden aan degene die van iets niets wordt, zelden aan jezelf.’

Hij wil een wapen hebben, om zich te verdedigen, maar dat wordt aanvankelijk van hogerhand afgehouden. Telkens weer rijst de vraag, waarom doe ik dit eigenlijk? Wat is de reden van het verzet? Waarom zou ik mezelf onder de zoden brengen, als deze oorlog ook zonder mij eindigt? Is het een drang naar avontuur? Een uitgesteld conflict met de vader, zoals Freud zou beweren? Zijn de idealen waar Sierksma voor vecht verheven boven die van zijn tegenstander Vogt, wiens adem hij kan horen? ‘Er is niet veel fantasie voor nodig om de identiteit te verwisselen en te onderstellen, dat ik Vogt en Vogt ik zou zijn. Is mijn menselijke waardigheid dan voor hem op dezelfde wijze een fictie als zijn ‘nordische Mensch‘ het voor mij is?’  Wat is het wat hem overeind houdt?

‘Per slot van rekening begint de menselijke waardigheid bij mijzelf, bij mijn lichaam. Het is er de basis van. Ik weet het: in die maanden heb ik een zekerheid gewonnen, die mijn leven bijna transparant maakte. Maar iedere zekerheid komt op uit een grotere onzekerheid, die er de oorsprong van is … Of liever, telkens weer zinkt de zekerheid als een eilandje weg in de vloed der onzekerheid. De zee is groter en dieper dan de wankel drijvende eilanden. Maar alleen op onze eilanden kunnen wij wonen … Ik zou de vastigheid, van die ene avond willen heroveren, maar waar is die gebleven? Waar is ze gebleven met de entourage van een wekker, een gele lamp, angsten en korte, gespannen zinnen? Ben ik het werkelijk geweest, die dat alles beleefd heeft? Waar is dan dat verleden, dat nu tot niets schijnt uitgebrand te zijn? Wij hebben zinloze fragmenten van herinnering en zoeken tevergeefs naar de legkaart van het  geheel, die toch ons leven moet zijn. Wat is mijn leven dan, als ik er de grootste stukken van verlies?’

Vaak wordt Sierksma heen en weer geslingerd tussen een goddeloos geloof en grondeloos pessimisme. Telkens weer rijst er de vraag naar een God, of beter gezegd: de vraag naar de afwezigheid van God. ‘Hij  staat aan de kant van God’ zegt hij over een van zijn kompanen. ‘Ik sta ook aan de kant van … mezelf.’  Alle grote woorden klinken immers hol. Het zoogdier mens heeft zich de luxe van de geest aangeschaft, maar in deze situatie lijkt die geest geen uitkomst te bieden. Sierksma leest Jaspers ‘Die Geistige Situation der Zeit’, maar hij kan zijn hoofd er niet bij houden. ‘De Duitse filosofen hebben geen stijl. Hun kronkelingen over existentie, grenssituatie en dood missen de helderheid om leesbaar te zijn in mijn existentie met zeer prozaïsche grenssituaties’

Nieuwe Oosterstraat 9 in de jaren veertig

De gebeurtenissen spelen zich in meer dan een opzicht af in een grenssituatie. De grens tussen het letterlijk hoorbare en onhoorbare, tussen de uiterste grens van het zelf en datgene wat daar mogelijk nog buiten ligt, tussen doodsangst en iets wat moed zou moeten zijn. Maar wat is moed? ‘Moed is de mate waarin je angst kunt verdragen,’ concludeert hij. ‘Beter dan ooit weet ik immers dat de angst de keerzijde is van de drift om te leven, van het leven dat zijn eigen rechtvaardiging is.’ Het conflict spitst zich toe, als blijkt dat een van de arrestanten op het Burmaniahuis weet heeft van de afluisterpost. Het fatale moment dat hij door zal slaan is nu nog slechts een kwestie van tijd. Moet hij blijven en de laatste informatie vergaren om anderen te redden, of vluchten om het eigen leven veilig te stellen?

Sierksma aarzelt. Hij gaat naar huis naar zijn vrouw Sjouk (Tjepkema), met wie hij sinds 1944 getrouwd was, maar uiteindelijk keert hij terug als er wapens komen. De laatste uren stijgt de spanning, maar ook de angst. Sierskma zoekt een houvast, een focus voor zijn ultieme vertwijfeling en hij vindt die in het imaginaire brandpunt in het perspectief van de koorddanser. De blik moet worden gericht op een denkbeeldig punt in de ruimte om niet te vallen en te verdwijnen in het vacuüm van het niets. Want het grote niets, dat is het waar hij in zijn diepste angst op stuit.

Telkens weer komt het beeld op van een peilloze val in de diepte. Er is geen bodem beneden hem, ondanks de mooie woorden van Rilke die schrijft over de zachte hand van een God. ‘Und doch ist einer, welcher dieses Fallen unendlich sanft in seinen Händen hält’. ‘God ik geloof het niet,’ schrijft Sierksma. ‘Ik wil hard en zakelijk zijn, hard en zakelijk vechten.’(…) ‘Hier valt alles zonder eind, ook de cirkelredeneringen van jouw menselijke waardigheid die wanhopig trachten hun eigen kringen te doorbreken om een begin en een doel te vinden.’ Dat volgt de ontknoping in een bloedstollende finale, waarin verzetsgroep uiteindelijk vlucht als de Duitsers al op de stoep staan. Ze vluchten de tuinen in sluipen door de nachtelijke stad. Op dat moment speelt het verhaal zich zowat letterlijk in mijn eigen achtertuin af. Het is een vreemde gewaarwording om de oorlog zo dichtbij te zien komen.

Nieuwe Oosterstraat 9, december 2008

Het boek is waarschijnlijk in één adem geschreven als een wanhopige poging om het onbevattelijke van deze ervaringen te verwerken. Hoe te leven in de wetenschap dat het leven er kennelijk zo weinig toe doet. Dat er zo weinig verschil kan zijn met de vijand?‘ Het grensconflict van de luisterpost zet het probleem van de menselijke existentie op scherp in het besef dat alles betrekkelijk is. Niets is absoluut, alleen de waarde van het leven zelf. De mens zonder God moet de durf hebben om volstrekt te leven binnen het kader van de betrekkelijkheid. In het slothoofdstuk schrijft Sierksma:

‘Ik weet niet of de geest met iets correspondeert. Het is mogelijk, misschien is het mogelijk. Jij vergt mij op het absolute, en sinds ik God uit het oog verloren heb, is het absolute een voze term geworden. Sindsdien zit ik opgescheept met de luxe van de geest, zinloos ten opzichte van een hemel zonder God, maar daarom niet zinloos op aarde met de mens.’ (..) Het evenwicht dat ik die ene nacht vond is ook labiel. Het zal ook niet anders kunnen zijn voor een mens, in wie de oude god is gestorven en aan wie een nieuwe god niet is verschenen. LP is voorbij. De moed om de luxe van het mens-zijn te aanvaarden zal ik iedere dag weer moeten winnen, de moed van mijn betrekkelijkheid die mijn absoluutheid is.’

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)