Gangstermeisje

In het najaar van 1966 zag ik de film ‘Het gangstermeisje’. Het was een Nederlandse nouvelle vague film van Frans Weisz met Kitty Courbois in de hoofdrol. Het script was geïnspireerd op een boek van Remco Campert. Het verhaal was nogal ingewikkeld. Een jonge schrijver reisde naar de Frannse zuidkust, waar hij de rust hoopte vinden om aan een scenario te werken. Daar werd hij geconfronteerd met gebeurtenissen die ook in zijn onafgemaakte scenario beschreven stonden. Het was een soort ‘Basic Instinct’ maar dan in zwart-wit.  Iemand schrijft een scenario, dat tegelijk gebeurt in de werkelijkheid. De wensdroom, dat je kunt fantaseren wat je wit, en het gebeurt nog ook.

De schrijver wordt meegelokt naar Rome waar hij in zijn eigen film lijkt te zijn beland. Als de opnamen van de film eindelijk zijn begonnen, is het probleem waar hij mee worstelde, kennelijk opgelost. Maar het gangstermeisje, waar hij smoorverliefd op werd, blijkt een dubbelrol te spelen. Zij moet kiezen tussen twee werkelijkheden: de maffia of haar geliefde. De droom of de werkelijkheid. In de slotscène op het strand schiet zij haar geliefde dood, nadat op de achtergrond een lange rij zwarte limousines op de boulevard is komen aanrijden en een brigade van ongure types langzaam naderbij treedt. Vooral die stoet van zwarte limousines maakte grote indruk op mij. Later heb ik er nog wel eens van gedroomd. Zwarte auto’s zonder chauffeur die in een stoet komen aanrijden als een symbolische aankondiging van je eigen dood

Thuisgekomen na het zien van de film heb ook nog lang wakker gelegen. Het was niet eens omdat het zo’n goede film was, maar het verhaal bleef me bezig houden. Zo vroeg ik me af hoe ik het verloop van de gebeurtenissen moest duiden. Was het letterlijk bedoeld of juist symbolisch? Die vraag bekroop me ook wel eens, als ik een boek van Kafka las. Ik herinnerde mij dat een tekst of een verhaal behalve letterlijk ook op een specifieke wijze figuurlijk kan worden verklaard. Zo is het kernprobleem bij de duiding van bijbelteksten de verhouding tussen de tekst en zijn verborgen betekenis. Behalve de letterlijke betekenis – er staat wat er staat – is er ook nog de figuurlijke of overdrachtelijke betekenis: er staat niet wat er staat.

Een bijbeltekst is zelfs op vier manieren te duiden: behalve met de letterlijke en de allegorische betekenis (sensus litteralis en sensus allegoricus) heb je ook nog de morele betekenis (sensus moralis) en de betekenis in het licht van uitersten (sensus anagogicus). Die laatste betekenis heeft betrekking de twee polen die altijd weer terugkeren in een verhaal: de strijd tussen goed en kwaad, de hemel en de hel, de duivel en God. En terwijl ik zo lag na te denken raakte ik stilaan in een geëxalteerde stemming die steeds intenser werd en niet meer te stoppen leek. Ik zag mijn leven als een film aan mij voorbij trekken en alle betekenislagen die daarin verborgen liggen. Ik zat in de machinekamer van mijn eigen dromen en liet gebeuren wat kennelijk gebeuren moest.

De maanden daarvoor had ik een nogal stormachtige periode achter de rug. Een opname in een gekkengesticht dicht bij de duinen – ‘thalassa! thalassa!’ –  en de dood van mijn vader hadden mij niet onberoerd gelaten. In de nasleep van die ingrijpende gebeurtenissen had ik nogal eens last van lucide dromen. Voor zover je daar last van kunt hebben, want die dromen waren soms ook heel plezierig. In een lucide droom heb jezelf het heft in handen. Je kunt alles meemaken wat je wilt. Eigenlijk ben je wakker, maar toch droom je. Je stuurt de werkelijkheid met de kracht van je eigen verbeelding.

Maar toch was het niet een lucide droom die mij die avond voor de geest kwam. Ik was immers nog steeds wakker. Ik zag alles als een film aan mij voorbij glijden en tegelijk zag ik mezelf, nietig als een kleine bioscoopbezoeker, zittend voor het scherm van mijn eigen bestaan. Opeens had ik een moment van verlichting. Het was of ik opgetild werd, ver boven deze wereld waarin ik mij bevond. Ik gaf me over aan deze wonderbaarlijke levitatie die steeds grotere vormen aannam.

Zo voelde ik mij opstijgen in een andere werkelijkheid en langzaam één worden met alles. Dat wil zeggen, één met het hele universum, één met alle sterren en planeten, de stroom die de atomen verbindt met het melkwegstelsel, lichtjaren en zo, je weet wel. En terwijl mijn verbeelding zo opklom naar hogere sferen, voorbij het lichaam zelfs en de geneugten van het vlees, belandde ik in de ijle regionen van de noordpool en zag een witte ijsbeer, die met zijn zwiepende staart zijn eigen sporen in de sneeuw uitwist om de jagers te misleiden. Die almachtige, ijskoude, ijsbeer die met zijn adem zijn drie dode jongen weer tot leven wekt. Ik dacht, als ik dit onthoud, dan zal ik altijd weten, dat er meer is tussen hemel en aarde.  Meer dan alleen het gangstermeisje.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)