Slaapkamer in Berlijn

In de Nationalgalerie in Berlijn stond ik plotseling voor dit schilderij. Het is niet zo groot, zo’n 50 bij 60 centimeter. Je ziet een slaapkamer in Berlijn. De ramen staan open. Daarvoor, tussen raam en schrijftafel, is het donkere silhouet van een zittende figuur te zien. Op de schrijftafel liggen wat spullen ongeordend bij elkaar. Twee bloempotten staan op de vensterbank. Het bed op de voorgrond is opgemaakt. De kamer is verder leeg, behalve het tapijt op de vloer en wat lijsten aan de muur rechts. Het licht valt door het raam naar binnen en strijkt langs het laken op het bed. Het is trouwens een raar bed met al die bulten. Het lijkt wel of er iemand onder het laken ligt.

Door het venster zie je wat huizen. Een daarvan is nog in aanbouw, want ze zijn bezig het dak met pannen te bedekken. Het moet dus ergens aan de rand van Berlijn zijn geweest. Het is de slaapkamer van de kunstenaar Adolph Menzel, door hemzelf geschilderd in 1847. Berlijn was toen een stad in opkomst. In de negentiende eeuw groeide Berlijn gestaag uit tot een wereldstad. In 1800 was het nog een middelgrote stad van 170.000 inwoners, maar in 1905, het jaar dat Adolp Menzel stierf, waren dat er al meer dan twee miljoen. In de negentig jaar, dat Menzel leefde, heeft hij Berlijn dus ingrijpend zien veranderen. Hij schilderde een voorbijgaande wereld van keurvorsten en keizers, een fluitconcert op het slot Sansouci, het leven aan het hof, maar ook de beginnende industrie: arbeiders in een ijzersmederij.

Menzel was grotendeels autodidact en schilderde op zijn eigen manier. Soms zeer eigenzinnig vanuit vreemde gezichtspunten. Zo koos hij in 1876 zijn eigen voet als onderwerp. Je ziet de voet van Menzel zoals hij hem zelf alleen kon zien: van bovenaf, met een grote teen die hij even omhoog tilt, ogenschijnlijk speciaal voor mij. Want ik kan dat kleine gebaar nu nog altijd zien. De voet is bijna griezelig echt. De huid, de aderen en de kleur van het vlees doen eerder denken aan Lucien Freud, dan aan een schilder uit de negentiende eeuw. Het beeld is voor zijn tijd oneigentijds, al heeft het enige verwantschap met de vagina die Courbet tien jaar tevoren schilderde in zijn ‘La naissance du monde’. Maar Menzel schildert anders. Alles wat hij op het doek laat zien is op een wonderlijke manier heel dichtbij, alsof de tijd er niet toe doet.  ‘Kijk, dit is mijn voet,’ lijkt hij te zeggen. ‘En hier slaap ik, in een kamer in Berlijn.’

Menzel was een fascinerend schilder met een fabelachtige techniek. Eigenlijk is hij niet bij een stroming in te delen. Soms wordt hij een realist genoemd, dan weer een voorloper van het impressionisme, maar impressionistisch schildert hij ook niet echt. Het is eerder iets daartussenin. Soms vaag, en soms haarscherp. Alsof hij gekeken heeft door de lens van een fototoestel met een groot diafragma, zodat de scherptediepte in het beeld varieert. Hier in deze kamer is het uitzicht uit het raam scherp en precies geschilderd. Maar het laken op het bed vooraan is met een paar grote verfstreken losjes op het doek gezet. Het nabije is veraf en het verre nabij. Alsof de Menzel wilde duidelijk maken dat de werkelijkheid niet meer in één blik te vatten is. De wereld valt onder zijn ogen uit elkaar. Realisme bestaat niet. Het oog kan niet denken, maar het brein kan zien.

Adolph Menzel zag het Berlijn van zijn tijd op een manier die het verleden opeens heel nabij brengt. Al kijkend naar zijn schilderijen ervaar ik iets wat Frank Ankersmit onlangs ‘het sublieme van de historische ervaring’ heeft genoemd. Er gaapt een kloof van anderhalve eeuw tussen de ruimte die het schilderij laat zien en de ruimte waarin ik mij bevindt. Maar door de nabijheid, die het schilderij suggereert, opent de kloof van de tijd zich in een diepe afgrond die tegelijk heel nabij is. Het sublieme zit in de ongrijpbare dimensie van de tijd. Het is een ruimte die geen ruimte is. Een verte die tegelijk dichtbij is.

Wat is er met die plek gebeurt, zo vraag ik me af. Bestaat dit uitzicht nog?  Waar heeft het huis van de schilder gestaan?  Heeft het de oorlogen overleefd, die in Berlijn nog zouden komen. Na de dood van Menzel groeide Berlijn verder uit tot een moderne metropool, die uiteindelijk in het stenen tijdperk werd terug gebombardeerd. In de stilte van deze slaapkamer is er niets dat daarop wijst. De weemoed, die dit beeld oproept, ligt niet besloten in een uitzicht op een ver verleden, ook niet in het uitzicht uit het raam, maar in het zicht op een toekomst die hier niet zichtbaar is, maar onheilspellend de kamer lijkt binnen te sluipen.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)