Evelyn Underhill en de mystiek

Vandaag ben ik begonnen met het boek ‘Mysticism’ van Evelyn Underhill. Ik had het al drie weken in huis, maar ik stelde de lectuur alsmaar uit. Het is ook een dikke pil van 519 bladzijden over een moeilijk te vatten onderwerp als de mystiek. Maar de eerste kennismaking valt erg mee. Het boek is helder en beknopt geschreven. Ook al is het al in 1911 verschenen, de toon is zeker niet verouderd. Evelyn Underhill was een bijzondere vrouw. Je zou haar de Karen Armstrong van de jaren dertig kunnen noemen. In die tijd genoot zij in Engeland grote bekendheid vanwege haar radiopraatjes over allerlei theologische onderwerpen. Hoewel ze geen afgeronde theologische opleiding had, was ze zeer goed ingevoerd in deze materie en met name in de mystiek. Ze gaf lezingen in Oxford en ook aan andere universiteiten. Haar boek uit 1911 gold in die tijd als een standaardwerk. Ze scheef verder een dertigtal boeken over spirituele onderwerpen en in haar vroege jaren ook een drietal novellen.

In Nederland ben ik haar werk niet eerder tegengekomen. De laatste jaren is er een toenemende belangstelling voor de traditie van wat je de ‘romantisch-intuïtieve’ theologie’ zou kunnen noemen. Religie heeft alles te maken met gevoelens als ontroering, ontzag, deemoed en overgave. Onlangs is het hoofdwerk van Friedrich Schleierrmacher ‘Over de religie’ (1799)  in het Nederlands vertaald en een paar jaar geleden verscheen een vertaling van ‘Das Heilige’ (1917) van Rudolf Otto. Je zou Evelyn Undherhill nog het best nog in dat kader kunnen plaatsen. Ze had veel op met een persoonlijk beleefde religie en bestudeerde ook de ‘psychologie van het gebed’, een onderwerp waar weinig psychologen zich tegenwoordig nog aan zullen wagen. Bijzonder is dat zij het fenomeen mystiek benadert vanuit een zeer brede optiek. Zij betrekt hier niet alleen de theologie bij, maar ook de filosofie, de psychologie , de kunst en de literatuur.

Uit wetenschappelijk oogpunt is haar standpunt gedateerd, maar daarom niet minder helder. Underhill gaat uit van een licht dualistische opvatting van de werkelijkheid. Het bestaan van een transcendentale werkelijkheid is voor haar cruciaal voor een goed begrip van de mystieke ervaring. De mysticus heeft daadwerkelijk contact met het bovennatuurlijke. Dat kun je ‘God’ noemen, zoals theologen doen, of ‘het Absolute’, zoals filosofen wel doen, of ‘de Muze’, zoals kunstenaars doen, dat wil zeggen: een ophanden zijnde ‘onthulling’ van een wereld achter of boven de zichtbare wereld. Hoe je het ook wendt of keert, je zult moeten besluiten of je de werkelijkheid, die wij als ‘werkelijk’ ervaren, alles is wat er is, of dat er meer is tussen hemel en aarde.

Je zou de werkelijkheid kunnen opvatten als een grote huiskamer. Er zijn mensen die de gordijnen dichttrekken en niets te maken willen hebben met de donkere nacht daarbuiten. Zij houden zich alleen bezig met het meubilair dat in de kamer is te zien. Dat zou je de ‘naturalisten’ kunnen noemen. Er zijn ook mensen die de waarneming van tafels en stoelen in de kamer als problematisch ervaren, omdat de waarneming van dit soort meubelstukken mede afhankelijk is van onze ideeën over wat ‘werkelijkheid’ nu eigenlijk is. De stoel die je ziet bestaat niet alleen uit indrukken die de zintuigen te bieden hebben, maar ook uit een ‘idee’ wat een stoel zou kunnen zijn. Die laatste houding zou je ‘idealisme’ kunnen noemen. Idealisten verklaren de wereld vanuit de werking van de geest en de gedachten.

In beide posities heb je extremen als het gaat om de scheiding tussen geest en materie. Zo heb je mensen die denken dat alleen de meubels als materiële objecten er toe doen: alleen de meubels zijn de werkelijkheid (monistisch naturalisme). Maar er zijn ook mensen ook die alleen van hun ideeën willen uitgaan; allen ‘het idee stoel’ is de werkelijkheid (monistisch idealisme). In een ander opzicht bestaan er nog twee uitersten. Er zijn mensen die meubels alleen als materie zien, maar wel onderscheid maken tussen de meubels in de kamer en de zwarte nacht buiten (dualistisch naturalisme). Maar er zijn er ook die een scheiding aanbrengen tussen wat ze als meubels zien of ervaren en datgene wat zich achter indrukken van de zintuigen bevindt: een ‘werkelijkheid op zichzelf’ die principieel onkenbaar is en even duister is als nacht die achter de gordijnen schuil gaat (dualistisch idealisme).

Uit al deze posities heeft Evelyn Underhill dus gekozen voor een licht dualistische houding. Ze zweeft een beetje tussen het dualistisch idealisme en het monistisch idealisme. Daarmee houdt ze de deur op een kier voor het directe contact dat de mysticus pretendeert te hebben met God (anders gezegd: met het Absolute, de Muze of het ‘Gans Andere’). Mystiek is voor haar de kortste verbinding tussen het ‘buitenste binnen’ en het ‘binnenste buiten. Anders gezegd: tussen enerzijds het idee, dat aan de waarneming van het meubilair in de kamer ten grondslag licht, en anderzijds de duisternis van de nacht die achter de gordijnen voor het raam schuil gaat. De ‘unio mystica’ is de ervaring van een totale vereniging in een onverenigbare totaliteit.

Met die opvatting van de werkelijkheid nam zij afstand van het extreem naturalistische wereldbeeld (het naturalistisch monisme) dat sinds de negentiende eeuw in de wetenschap de boventoon voerde, maar ook van het dualistisch naturalisme dat de theologie in de twintigste eeuw steeds meer in haar greep heeft gekregen. In die zin voelt zij zich verwant aan een theoloog als Karl Barth, die – op een heel ander wijze dan Rudolf Otto – heeft gewezen op het belang van het ‘Gans Andere’. In de inleiding van haar boek verwoord zij dit als volgt:

‘It is rather a naturalistic monism, a shallow doctrine of immanence unbalanced by any adequate sense of transcendence, which now threatens to re-model theology in a sense which leaves no room for the noblest and purest reaches of the spiritual life.’

Evelyn Underhill ziet de mystiek als een universeel menselijke ervaring die in alle tijden en vele culturen voor komt, zelfs buiten bestaande religies. Mystici spreken één taal, maar in vele tongvallen. Overigens is zij wel van mening dat een mystieke ervaring het best binnen een geïnstitutionaliseerde religie tot zijn recht kan komen. Mystiek heeft het kader nodig van een religieuze traditie, zo niet dan vervalt de ervaring al gauw tot een vaag pantheïsme. Wellicht is dat ook de reden waarom zij zelf koos voor aansluiting bij de Anglicaanse kerk.

Voor Gerard Reve is het boek ‘Mysticism’ van Evelyn Underhill belangrijk geweest. Hij heeft het in 1961 gelezen. In een brief aan Wimie van 30 juli 1961, vanuit Gosfield in Engeland geschreven, vraagt hij of Wimie het boek wil bestellen. Veel later, in een brief aan Wim Wennekes van 22 september 1980, gaat hij wat meer uitvoerig in op de invloed van Evelyn Underhill. Hij schrijft dan onder meer over de de rol die de psychiater  Dr. C.J. Schuurman in zijn leven heeft gespeeld, bij wie hij van 1942 tot 1946 in therapie is geweest. Schuurman heeft hem niet met ideeën van anderen (Jung bijvoorbeeld) opgezadeld, maar zijn houding als therapeut is wel van invloed geweest op zijn denken.

Overigens ontkent Reve dat hij eind jaren veertig al weet had van het boek van Evelyn Underhill: ‘Ik was toen nog een vroom ‘historisch-materialist” en dacht dat de materie de enige werkelijkheid zou zijn,’ zo schrijft hij. Juist het loskomen van hem naturalistisch monisme is voor hem een jarenlange worsteling geweest. ‘Ik ben een psychisch monist’, laat Reve in 1980 weten, ‘maar mijn leven verandert er niet door: ik eet gewoon vlees, masturbeer, drink soms en sta soms droog, maar leef verder gewoon alsof tijd, ruimte, materie en causaliteit echt bestonden.’ Kortom, de definitieve omslag is pas later gekomen. Dat wil zeggen rond zijn veertigste jaar, in 1962 dus, of zoals hij het zelf zegt: ‘Ik ben pas later in de vorming van mijn wereldbeeld beïnvloed, eerst door William James, toen door Jung, en ook door Evelyn Underhill:

‘Dr. Schuurman propageerde in zijn therapie nooit expliciet zijn wereldbeeld, en pas veel later drong ten volle tot mij door dat hij mij de ogen geopend had. Volgen het bijgeloof volgens het welk de materie de enige werkelijkheid zoude zijn, heb ik me pas rond mijn veertigste levensjaar enigszins kunnen bevrijden. Dit bijgeloof zit overigens nog alom op de troon: in pers en andere communicatiemiddelen, in het onderwijs, in de mediese wetenschap, in de psychiatrie en in de literatuur. Vooral Frankrijk, dat na de Verlichting en de Revolutie nooit één stap verder is gekomen, is er de ware burcht van. Je staat verstomd als je een Franse verrekijk-uitzending over parapsychologie ziet: spoken bestaan niet, helderziendheid in ruimte en tijd is een fiksie, zelfs telepathie wordt betwijfeld, en wordt slechts aanvaard als mechanies (electries, golven etc) overgebracht.‘

In het jaar 1962 neemt het leven van Reve een beslissende wending. Media vitae. In oktober 1962 loopt zijn relatie met Wimie af, al gaan de brieven nog door tot 20 augustus 1963. In de brieven aan Wimie is dat proces is stap voor stap te volgen. Maar onderwijl gebeurt er iets anders. Er komt een nieuwe stroom van creatieve energie op gang. Sjaak Hubregtse spreekt zelfs van een ‘ongeremde creatieve bevlogenheid’ die in dat jaar in hem losbreekt. ‘Reve wordt in religieus en seksueel opzicht zeer zelfbewust, en hij komt tot het inzicht dat hij zijn hysterische trekken, of welke eigenaardigheid dan ook, niet langer moet beschouwen als hinderpalen, maar in tegendeel als rijke grondstoffen voor zijn literaire werk. Kortom, Reve’s triomftocht kan beginnen.’ Het is stilte voor de storm, vlak voor zijn eerste reisbrieven voor Tirade, die later gebundeld zouden worden in het boek ‘Op weg naar het einde’. Volgens Hubregtse vindt de beslissende wending plaats in juni 1962. Op 23 juni schrijft hij in een brief aan Wimie het volgende:

‘Dit verblijf van me hier heeft zielkundig vrucht gedragen. Ik ben op de vlucht geweest voor iets wezenlijks, maar ik weet nu duidelijk, dat ik het niet ontvluchten kan en ook niet ontvluchten moet. En fin dat is allemaal van dat hoog religieus gelul, dat je volkomen het recht hebt flauwe kul te vinden. Intussen voel ik me geestelijk gezonder dan ooit, al zal ik veelal een overspannen en hysterische indruk maken. Mijn hele leven zal anders worden, dat weet ik nu wel zeker. Volgen mij zouden wij samen een heel vruchtbaar en gezegend leven kunnen hebben. Enfin, ik zal er nog wel eens over praten, al hindert mij daarbij een domme, schuwe verlegenheid.

Mijn bekering tot het christendom is geen opsluiting, of vlucht of onmacht om de problemen van het leven de baas te blijven, maar een bewustwording, die in het midden van iemands leven moet plaatsvinden, vroeg of laat. Nu ja dit is allemaal wat veel voor een brief. Ik denk dat ik aldoor voor God op de vlucht ben geweest en me aan hem heb willen onttrekken. De meeste mensen lukt dat wel, vooral omdat in onze huidige maatschappij alleen het stoffelijke en nuttige meespeelt, en de religie grotendeels verschrompeld is tot liefdadig geouwehoer en kinderachtige verstandelijkheid.’

In die langdurige worsteling om los te komen van een benauwd naturalistisch wereldbeeld heeft het boek van Evelyn Underhill zonder twijfel voor Reve een belangrijke rol gepeeld. Maar als dat zo is, dan blijft een aantal vragen onbeantwoord. Wat sprak Reve zo aan dit boek en hoe zie je dat terug in zijn werk? Hoe verhoudt zijn ‘psychisch monisme’ zich tot het ‘licht dualistische wereldbeeld’ van Evelyn Underhill? En misschien het allerbelangrijkste: wat had Evelyn Underhill te vertellen over mystiek, dat Reve zo belangrijk vond en dat nu wellicht uit beeld is geraakt?

Het gedateerde karakter van haar wereldbeeld, waarin nog ruimte bestond voor transcendentie, zou niet alleen iets kunnen onthullen van het eigenaardige, immanente en tegelijk ook transcendente godsbeeld van Reve, van zijn heimwee naar een tweeslachtige God, allerminst ‘de God van je tante’, maar een God die het dichtst bij de zondaar is, machtig en onmachtig tegelijk, een God die lijdt, maar ook ‘De Liefde’ is, een God die zich als een ezel laat nemen in zijn geheime opening, een God die zich niet alleen schuil houdt in geilheid en geweld, maar nog het meest in de duisternis van de dood.

Dat geheim, dat Reve wellicht herkende in de mystiek van Evelyn Underhill, zou uitzicht kunnen bieden op een verdwenen vergezicht dat in de jaren zestig weer even in beeld kwam. Een vluchtig momentum, een te vroeg gesloten harmonie, een omslag van een naturalistisch monisme naar een psychisch monisme, waarbij de naald van het kompas voor even ging rondtollen. Reve stuitte wellicht op de mogelijkheid van een totale vereniging van een onverenigbare totaliteit. Anders gezegd, op de sacrale verschijning van het alledaagse en tegelijk de banaliteit van het meest heilige. Op een evenwicht dat niet lang kon bestaan en misschien niet eens kan bestaan.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)