God en de onruststokers
Gisteren reageerde Dick Vestdijk, de zoon van Simon Vestdijk, op mijn log van 2 juli over het essay van Fokke Sierksma ‘Tussen twee vuren.’ Hij liet weten dat dit boekje onlangs is herdrukt. Dat was mij niet bekend. Ook wees hij op het in 2005 verschenen proefschrift van Hans van de Breevaart ‘Authority in Question. The Controversy on Simon Vestdijk’s ‘De toekomst der religie’ 1948-1998’. Ook dat boek kende ik niet, maar ik ga het natuurlijk wel lezen, zodra ik het te pakken heb. De kwestie begint me aardig bezig te houden. Vestdijks boek over de toekomst van de religie is een onmisbaar document voor wie de jaren vijftig goed wil begrijpen. Bovendien heeft dit boek om allerlei redenen opnieuw actualiteit. Ook dat was de zoon van Vestdijk uiteraard niet ontgaan. Zelf verwoordde hij dit onlangs als volgt:
Het aan Theun de Vries opgedragen boek “De toekomst der religie” van S. Vestdijk stamt uit 1947 maar is nog immer actueel. Of moeten we zeggen, weer actueel. Met de verschijning van Klaas Hendrikse’ “Geloven in een God die niet bestaat. Manifest van een atheïstische dominee.” (Nieuw Amsterdam 2007) is de discussie weer gestart die ook in de jaren na 1947 is gevoerd. Fokke Sierksma beschreef de aanvallen die de ‘duivelskunstenaar’ Vestdijk te verduren kreeg in het boek “Tussen twee vuren” (1951). In 2005 verscheen Hans van de Breevaart “Authority in Question” waarin de theologische disputen tot 1998 zijn beschreven. “De toekomst der religie” stelt de onverdraagzaamheid van monotheïstische religies aan de kaak en geeft oplossingen in de vorm van een speciale didactiek en een gezondere integratie van sexualiteit. Speciale aandacht wordt geschonken aan mystiek en het kloosterwezen.
Ik ga dus maar rustig door met mijn pogingen om de context van dit boek in de tijd te reconctrueren. Vorige week heb ik het proefschrift van Fokke Sierksma gelezen. Het viel me op hoe vaak hij daarin naar Vestdijk verwijst. Op het gebied van de godsdienstwetnschap was Vestdijk voor Sierksma een autoriteit van vergelijkbare statuur als zijn eigen professoren in Groningen. Onlangs stuitte ik op de theoloog Johannes Lindeboom. Hij was de promotor van Sierksma in 1950. Lindeboom had op het laatste moment professor van der Leeuw vervangen. Van der Leeuw was op 18 november van dat jaar overleden. Sierskma promoveerde nog geen maand later, op 12 december 1950, in Groningen.
Dat moet dus een dramatisch gebeuren zijn geweest, temeer omdat de dissertatie van Sierksma grotendeels een kritiek was op de fenomenologische methode die Van der Leeuw in de godsdienstwetenschap had ontwikkeld. Van der Leeuw had het manuscript Van Siersksma’s proefschrift nog in het geheel gelezen en de drukproeven heeft hij ook grotendeels mede gecorrigeerd. Sierksma gedenkt zijn leermeester in de inleiding als een zeer groot geleerde ‘die steeds zoekend naar wegen en grenzen, alleen koninklijke wegen ging en alleen natuurlijke grenzen erkende.’ (…) ‘Er blijft niets anders over dan dit proefschrift, waarin ook de aanvallen op zijn werk zijn glimlachende goedkeuring hadden, op te dragen aan zijn nagedachtenis.’

Hoe Lindeboom Van der Leeuw bij de promotie heeft vervangen, is mij niet bekend. Ook Lindeboom was hoogleraar in Groningen en wel in de kerkgeschiedenis. Hij had zich bekendheid verworven door een inmiddels klassiek geworden boek, dat al in 1929 was verschenen: ‘Stiefkinderen van het christendom’. Het is een historische studie naar sektariërs en ketters door de eeuwen heen. Ik ben onlangs naar dat boek op zoek gegaan. Het bleek dat er een exemplaar aanwezig was in de Provinciale Bibliotheek in Leeuwarden, maar ik wilde natuurlijk zelf een origineel bemachtigen. Dat is tegenwoordig niet zo moeilijk. Je googelt even op internet en dan zie je welk antiquariaat er nog een in voorraad heeft. Dat bleek een antiquariaat in Dieren te zijn. Het toeval wilde dat ik de dag daarvoor in Dieren was geweest, omdat mijn oudste zus daar een receptie had gehouden vanwege haar vijftig jarig huwelijksfeest. Ik kom haast nooit van mijn leven in Dieren, maar nu kwam ik er net een dag te vroeg.
Hoe dan ook, ik heb het boek besteld en een paar dagen later werd het mij keurig toegestuurd in een grote kartonnen doos. Het blijkt nog in redelijke staat te verkeren. De band is wat beschadigd en er zitten wat spochtvlekken op de titelpagina, maar dat is dan ook alles. Op de Franse pagina trof ik een klein ex-librisstempel aaan met de naam R.B. Evenhuis. Na opnieuw even googelen kwam ik erachter dat dit een predikant was die in 1965 ‘Ook dat was Amsterdam‘, het licht deed zien, een 5 delig standaardwerk over de kerk der hervorming in de gouden eeuw. De goede man zal wel niet meer leven, anders komt zo’n boek niet in een antiquariaat in Dieren terecht.
Ik heb ‘De stiefkinderen van het christendom’ nog niet gelezen, maar ik ben natuurlijk wel nieuwsgierig naar de inhoud. Kennelijk was er al in de jaren twintig van de vorige eeuw serieuze aandacht voor de ketterse geschiedenis van het christendom. De romantische traditie ven de negentiende eeuw had een andere kant van de religie aan het licht gebracht. Het gevoel ging het dogma verdringen. De natuur werd meer centraal gesteld, niet in de laatste plaats door een herleefde belangstelling voor Spinoza. De opkomst van de psychologie aan het einde van de negentiende eeuw wierp nieuw licht op de psychologische aard van de mens, wat zijn repercussies had op het denken over de religie.
In de periode rond 1900 stond spiritualiteit hoog in het vaandel. Men wilde meer weten over de rijke verscheidenheid die de religie als persoonlijke ervaring te bieden had. William James schreef zijn ‘Varianten van religieuze beleving‘ al in 1902, twee jaar na het hoofdwerk van Freud ‘Die Traumdeutung’. De theologische benadering van Schleiermacher kreeg uiteindelijk een vervolg bij Rudolf Otto met zijn nadruk op het irrationele element in de religieuze ervaring. Zo ontstond stilaan een verruimde blik op het fenomeen religie. Daarbij kwamen niet alleen de religies van primitieve volken en niet-westerse culturen, ook die van ketters en sektariërs in een ander licht te staan.

Johannes Lindeboom
De geschiedenis van de ketterij bracht ook andere typen christenen aan het licht. De driedelig die Vestdijk hanteert in zijn boek ‘De toekomst der religie’, te weten: het metafysische type, het sociale type en het mystieke type was in zekere zin al door Lindeboom voorbereid met zijn driedeling in het intellectualistische, het socialistische en het mystieke type. Niet alleen Simon Vestdijk maar ook Fokke Sierksma moet het werk van Lindeboom goed hebben gekend. Sterker nog, Sierksma verwijst ernaar in stelling XVIII van zijn proefschrift die luidt ‘
Bij een verdieping in dieptepsychologische zin van Lindebooms’s waardevolle psychologische beschouwingen verdienen ook de alchemisten een eigen zinvolle plaats in de ‘rij der stiefkinderen van het christendom’
Daarmee was zijn kritiek op de methode van Van der Leeuw in een notendop verwoord. De godsdienstfenomenologie had immers de godsdienstpsychologie van Jung tot dan toe links laten liggen en dat was Sierksma een doorn in het oog. Vestdijk daarentegen nam Jung wel degelijk serieus. Jung had voor alles belangstelling wat ook maar iets met religie te maken had. Niet alleen de lange stoet van ketters, die Lindeboom behandelt, zoals de Manicheeërs de Katharen, de Waldenzen, de mystici, de reformatorische individualisten, de Mannen van het inwendig woord van de Heilige Geest, de sociale ketters uit de hervormingstijd, de ketters van het humanisme, de natuurwetenschappelijke en de theosofische verlichting, Paracelsus, Jacob Böhme, de Seekers, de Quakers, de Behmenists, de Vrijdenkers, de Theosofen. de Collegianten, de Gichtelianen, de Hernhutters en de Plockhoyisten.
Dit bonte gezelschap was voor Jung nog niet genoeg. Hij richtte zijn aandacht ook ver buiten het christendom: op de Tao, het animisme, de Eleusische mysteriën, het polytheïsme, de zonnemyhologie, de mythe van het goddelijk kind, de triniteit en de quaterniteit, en de gelijkenis tussen Osiris, Christus en Dionysus. het Zen-boeddhisme, Yoga en mandala’s. Kortom, te veel om op te noemen. De religie heeft door de eeuwen heen waarschijnlijk meer stiefkinderen dan kinderen gehad. Veel van die wonderlijke varianten zijn inmiddels ver achter de horizon verdwenen. De eclips van de secularisering heeft ons niet alleen de blik op de toekomst van de religie ontnomen, maar ook op het verleden met al zijn dwarse eenlingen en onruststokers.


Huub Mous » Fokke Sierksma revisited
2 januari 2010 op 23:08
[...] om útens’ geschreven (onder meer in ‘No culture is an island, d.d 1 augustus 2009 en ‘God en de onruststokers, d.d. 15 juli 2008). Hij geeft er blijk van (de receptie van) het oeuvre van Sierksma goed te [...]
stefanie
10 juni 2010 op 19:42
gefiliciteerd!!!!!!!!!
wat is er ,, hoe gaat het ermee¿??
hejj hans
groetjes ik ben stefanie
stefanie
10 juni 2010 op 19:42
hejj hans
hoe GAAT HET¿¿
groetjes ik ben stefanie