Pater van Kilsdonk 1917-2008

Gerard Reve, Pierre Jansen, Jan Wolkers, Kees Fens en nu dan eindelijk Pater van Kilsdonk… Hoe komt het toch dat bij het overlijden van dit soort mensen telkens opnieuw een heel tijdperk lijkt te verdwijnen. Alsof de laatste bladzijde van de vorige eeuw nog steeds niet is omgeslagen. Het boek is nog niet dicht. De jaren zestig zijn nog steeds niet voorbij. Telkens weer keert het verleden terug bij het heengaan van mensen uit die tijd. Ze zijn misschien ook nooit weggegaan. Ze waren ‘overtijd’ misschien, als stille getuigen van een verleden dat er allang niet meer is. Nu ook zij er niet meer zijn, is het gevoel van ontheemding des te groter. Het is meer dan de leegte die zij als persoon achterlaten. Het is heimwee naar een tijd die nooit meer terugkeert, maar ook niet voorgoed wil verdwijnen.

Ik heb Pater van Kilsdonk niet intensief gekend.  Altijd bleef hij op afstand. Lopend op de cour van het Ignatiuscollege leek hij al een levend legende. Ik zocht hem niet op, behalve die ene keer, in juni 1969. Ik was al twee jaar van school af en ergerde mij aan de wijze waarop Van Kildonk als progressief katholiek ronddolende studenten, die met persoonlijke problemen te kampen hadden, op pastorale wijze op het rechte pad van het geloof wilde houden. Ik vertrouwde hem niet met zijn mooie praatjes ’s avond in de kroeg. Dus schreef ik een ingezonden brief, die tot mijn verbazing integraal werd geplaatst door de redactie van de Volkskrant. ‘Intellectuele prostitutie’, zo heette het stuk. Je behoort tot een kerkgemeenschap en dan onderschrijf je ook alle idiotieën die daarbij horen, of je stapt eruit. Pater Van Kilsdonk deed geen van beide. Hij bleef rooms-katholiek, ondanks zijn felle kritiek op paus, curie en celibaat. Het is kiezen of delen, zo schreef ik. Zo niet, dan maak je jezelf schuldig aan intellectuele prostitutie.

Pater van Kilsdonk was in zijn wiek geschoten. Ik merkte dat toen ik hem tegenkwam op het eindexamenfeest enkele dagen later op het Ignatiuscollege.  Hij sprak over het ‘intellectuele proletariaat’, over ‘de vergroving van omgangsvormen’ en we hebben elkaar nooit meer gezien. Jaren later, aan de vooravond van de millenniumwende, schreef ik hem namens de redactie van het periodiek Praktikabel een brief met een verzoek om een preek te schrijven voor de komende duizend jaar. We zouden een nummer uitbrengen op het thema ‘preken voor een nieuw millennium’.

Pater van Kilsdonk heeft die preek nooit geschreven. Dat Praktikabel-nummer is ook nooit uitgekomen. Maar ik kreeg wel een vriendelijk briefje terug. Het zou de eerste en de laatste brief zijn die ik van Pater van Kilsdonk heb gehad. Ik hoefde niet zo nodig door hem getroost te worden, ook niet toen ik zelf – in het midden van de jaren zestig – behoorlijk mentaal in de kreukels lag. Niet in de laatste plaats door dat godvergeten katholicisme, waar hij ook hij zo het land aan had. Dat oude katholicisme dat maar niet voorbij wil gaan.

In 1966 belandde ik – na een kortstondig verblijf in een rooms-katholiek gekkengesticht – in de spreekkamer van een rooms-katholieke psychiater. De biechtstoel werd ingeruild voor een halfduister vertrek met hoge boekenkasten in een groot huis ergens aan de rand van het Vondelpark. Daar vonden die lange en tergend langzaam verlopende gesprekken plaats, waarbij zowel de psychiater als ik bij tijd en wijle ons verscholen achter de dikke rook die opdwarrelde uit onze pijp. Het was vooral een tijd van zwijgen en lange stiltes, totdat ons moeizaam voortmeanderend gesprek als bij toeval bij het onderwerp ‘Pater van Kilsdonk’ belandde.

Mijn psychiater bleek hem goed te kennen. Hij zei het niet met zoveel woorden, maar ik begreep dat ook Pater van Kilsdonk ooit zijn patiënt was geweest. Hij had – zo realiseerde ik mij opeens – op de zelfde stoel gezeten, waarop ik nu zat. Zwijgend en af en toe sprekend over je diepste zielenroerselen die je maar niet kon benoemen. ‘Van Kilsdonk geniet teveel van zijn pastorale werk’, zo liet mijn psychiater weten met de koele distantie van alwetend zielenknijper. Vele jaren later las ik dat deze psychiater gespecialiseerd was in de problematiek van de rooms-katholieke homoseksueel. Ik was bij de verkeerde psychiater beland, maar dat had ik destijds nog niet door helaas.

Pater van Kilsdonk is er niet meer en in de hemel is geen bier. Wat moet hij daar trouwens zonder die nachtelijke zwerftochten langs kroegen en taveernen? In de hemel kun je niemand begraven. Je kunt er geen troostende woorden spreken bij een sterfbed. Niemand heeft aids in de hemel. Niemand pleegt zelfmoord. Het moet daar dodelijk saai zijn. Als er een hemel bestaat, dan mag Pater van Kilsdonk zeker naar binnen, daar twijfel ik niet aan. Maar hij zal er al gauw weer terugverlangen naar dit tranendal beneden. De hemel is zo troosteloos.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)