De schermloze toestand

“Het is een waar verhaal. Ik was vroeg in de twintig en in die tijd wilde ik als jonge intellectueel wanhopig ontsnappen aan de sleur van alledag. Ik wilde iets nieuws zien. Ik wilde me storten in een of andere praktische bezigheid, iets fysieks op het platteland bijvoorbeeld of op zee. Op een dag voer ik op een kleine boot, met enkele vissers, die allen behoorden tot één familie, afkomstig uit een kleine haven. In die tijd was Engeland nog niet zo geïndustrialiseerd als het nu is. Er waren geen gemotoriseerde boten. De vissers voeren uit in een kleine zeilboot op eigen risico. Het was juist dat risico, dat gevaar, dat ik met hen wilde delen. Maar het was niet allemaal gevaar en opwinding wat de klok sloeg, er waren ook plezierige dagen. Op een dag dat wij wachten op het moment dat de netten ingehaald moesten worden, wees een jongen die ‘Kleine Jan’ werd genoemd – zoals heel zijn familie stierf hij jong aan tuberculose die in die tijd een constante bedreiging vormde voor die hele sociale klasse – deze Kleine Jan wees mij op iets dat dreef op het oppervlak van de golven. Het was een klein blikje. Een sardineblikje. Het dreef daar in de zon, als getuige van de blik-industrie, die wij als vissers in feite verondersteld werden te bedienen. Het schitterde in de zon. En Kleine Jan zei tegen mij; ‘Kun je dat blikje zien? Zie je het? Wel, het ziet jou niet!’

Deze autobiografische gebeurtenis beschrijft Jacques Lacan in zijn boek ‘The four fundamental concepts of psycho-analysis’. Het lijkt een onbeduidend voorval, maar dat is het niet. De als grap bedoelde vraag van Kleine Jan heeft Lacan destijds heel serieus genomen. Hij was er niet zo zeker van, dat de conclusie van de jongen wel klopte. Is het inderdaad wel zo, dat als ik naar een blikje kijk, dat in het water drijft, dit blikje tegelijk niét naar mij kijkt? Volgens Lacan moet je onderscheid maken tussen twee optica’s: een ‘cartesiaanse optica’ en een ‘psycho-analytische optica’. Bij de cartesiaanse optica is sprake van het ideaal subject van het ‘cogito’ (het ‘ik denk’) dat iets waarneemt. Bij deze bewuste vorm van kijken gelden niet alleen in letterlijke zin de wetten van de optica van Newton, maar wordt in figuurlijke zin ook uitgegaan van een vertrekpunt van de waarneming dat in deze optische beeldspraak een denkbeeldig punt is achter het oog. Lacan echter ontwerpt ook een andere – psychoanalytische – optica, waarbij niet uitsluitend sprake is van bewust kijken vanuit een ideaal punt achter het oog, maar ook van een ‘onbewuste blik’. Deze ‘onbewuste blik’ (‘gaze’) heeft zijn vertrekpunt niet in het ideale, optische subject, maar in datgene wat gezien wordt. Dus bij het blikje!

lacan4.jpg

Het geziene werpt een blik naar het onbewuste, terwijl het ideale, optische subject (dat in feite een constructie is) ‘terug-kijkt’ naar het geziene. Dit terugkijken is niet zozeer een gefocust kijken, zoals bij het fotograferen een foto wordt genomen, waarbij een beeld gefixeerd wordt in een donkere kamer ( in casu: het oog, het brein). Nee, het is een afwerende beweging, een soort bezweren van de totaal-indruk van de blik die als werkelijkheid (het reële) dreigend op ons afkomt. Wat wij de zichtbare werkelijkheid noemen is datgene wat op ons scherm verschijnt, maar daarachter ligt ‘het reële’, waar het libidinale verlangen structureel op gericht is. Wat wij ‘kijken’ noemen is in feite een ‘scherm van bewustzijn’ opwerpen, dat ons van het reële afscheidt. Dit scherm is de symbolische orde van taal en teken, die wij ons bij het ontstaan van ons cartesiaanse subject in de vroegste jeugd (het spiegelstadium) voor het eerst betreden hebben. Zien is dus ‘een gemiste ontmoeting met het reële’. In feite is het bewuste leven zelf een gemiste ontmoeting met het reële. Het bewustzijn kan de verslindende realiteit (het reële) niet aan. Het temporeel-libidinale bewustzijn komt steeds structureel te laat om het reële direct – één op één – te ontmoeten.

We kunnen het reële alleen ‘schuins bezien’ in de symbolische orde van taal en teken. We zien de werkelijkheid als in een anamorfose, nooit frontaal, maar altijd van opzij. Soms dringt de werkelijkheid in één keer door het scherm heen. Dan scheurt het scherm. Dan zien we achter ‘de geboorte van Venus’ op een schilderij van Botticelli opeens iets heel anders. Er ontstaat een trauma (een scheur) of een totale breuk, wanneer het brein zich in een psychose stort. Een psychose is volgens Lacan in feite de totale eenwording van het onbewuste met het reële. In de psychose is de symbolische orde van taal en teken zijn structuur kwijt geraakt en is ‘het scherm’, dat ons scheidt met de verslindende realiteit verdwenen. In feite is dit een tragische opvatting van het bewuste bestaan, een opvatting die zich baseert op de theorie van Freud. Lacan voorziet Freuds theorie van het onbewuste van een ‘optisch-talige’ symbolische orde, die ook het onbewuste als een taal structureert, en waardoor het subject als een illusoire constructie wordt ontmaskerd.

Mijn brein (voor zover de woorden ‘mijn brein’ enige zin kunnen hebben) heeft meerdere malen in een psychotische staat verkeerd. Ik ken uit eigen ervaring de ‘schermloze toestand’ van het brein, die Lacan beschrijft, een toestand waarin de symbolische orde verstoord is en waarin het onbewuste zich direct mengt met het reële. Ik weet wat het is om ondertitels op een tv-scherm te lezen en stellig te denken, dat deze ondertitels gecodeerde boodschappen bevatten die specifiek voor mij alleen bestemd zijn. Toch ben ik het niet helemaal eens met Lacan. De psychotische toestand van het brein, zoals hij die beschrijft, is in principe juist, maar deze ‘ontschermde toestand’ verschilt niet wezenlijk van de normale – gezonde – ‘schermtoestand’ van het brein. De scheidslijn tussen bewust en onbewust is nooit absoluut aanwezig. Het scherm is eerder poreus. Juist door dat doorlaatbare karakter van het scherm is er een voortdurend proces van osmose mogelijk tussen binnen en buiten. In feite is er geen harde scheidslijn tussen binnen en buiten. De werkelijkheid heeft altijd iets weg van een droom.

In die zin gaat de metafoor van de optisch- cartesiaanse subjectopvatting niet op. Binnen en buiten zijn intrinsiek met elkaar verweven. Het brein is eerder – zoals Augustinus vermoedde – een spons die in het water drijft, terwijl het water zowel binnen als buiten is. Wij kunnen wel degelijk direct – één op één – deel hebben aan het reële, niet alleen in de traumatische schok of in de psychose, maar ook in gelukkige momenten wanneer – om met Lyotard te spreken – ‘de vliegende vissen springen tussen de gaten van het geheugen’. Lacan gebruikt de optische metafoor om Descartes’ ‘cogito’ (ik denk) te deconstrueren vanuit Freud’s ‘desiderio’ (ik verlang), maar zijn denken blijft vast zitten in de harde metaforen van de optica.

Een mens wil zien en gezien worden: ‘Esse est percipi’. Zijn is in feite gezien worden. In dat licht bezien is schrijven op internet een wezenlijk nieuwe vorm van schrijven. Dit schrijven wil direct gezien worden. Het voegt zich direct in de stroom van de tijd, waarbij de stroom van het bewustzijn overloopt in een grotere stroom om ons heen die wellicht niet wezenlijk gescheiden is van het innerlijk bewustzijn. Als ik een tekst loslaat op internet, laat ik een fles los in die stroom. Ik zie die fles vervolgens wegdrijven. De fles wordt gezien. Misschien kijkt de fles wel naar mij. Misschien is het wel de blik van de fles, die naar mij kijkt en ben ik het, die deze verzengende blik wil afweren door almaar letters te typen op het scherm van mijn computer. De letters vallen op het scherm. De zinnen lopen door. Ben ik het die dit schrijft? Of zijn het de woorden zelf die zomaar verder drijven? Wie ben ik? Droom ik? Of zie ik wat ik meen te zien?

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)