Déja vu in het kwadraat

De laatste maanden word ik bezocht door een droom die steeds weer terugkeert. Vannacht was hij er weer. Ik zit midden in een filmopname. Of beter gezegd, ik zit er in opgesloten, want vluchten kan niet meer. De Infirmerie is omgetoverd in een Hollywoodachtige studio. Op binnenplaats is een basketbalveld. Overal staan felle lampen en van die witte paraplu’s om het licht te weerkaatsen. Steeds maar weer dezelfde opname. Een hoofdzuster met een fout jaren vijftig kapsel spreekt de patiënten toe. Het was weer mis vannacht. ‘Geen gekeet meer op de slaapzaal, het moet nu afgelopen zijn!’ Iedereen kijkt beteuterd in het rond. Plotseling vaart zij uit naar de Benjamin onder ons. Ze begint vals te dreigen met zijn moeder. Een grote indiaan kijkt toe en zwijgt. Hij wil basketballen. Ik weet het – en dat het is het rare van deze droom – het is een film die ik ooit eerder heb gezien. Niet alleen in vorige dromen maar ook in het echt. Dat wil zeggen: in de bioscoop. In mijn droom speel ik dus mee in een film, die al bestaat, en toch moeten alle scènes telkens weer van voren af aan worden opgenomen. Het is echt en onecht tegelijk, een gefingeerde werkelijkheid, die allang gebeurd is en toch opnieuw gebeuren moet. Juist dat is het beklemmende. Een déja vu in het kwadraat. Ik weet ook donders goed hoe de droom afloopt. Er wordt lobotomie toegepast. De voorhoofdskwab van mijn hersenen wordt operatief gescheiden van de rest. Daarna is mijn opstandig gedrag volledig verdwenen. Ik ben een zombie geworden. De indiaan breekt met zijn bovenmenselijke kracht de wasbak uit de grond en het water spuit omhoog. Hoe vaak moet ik die droom nog dromen?

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)