Leafste bliuw by my

brelbrussel0001.jpg

Jacques Brel (1929-1978) was de beroemdste Franstalige chansonnier van de vorige eeuw. Op 9 oktober 2003 was het precies 25 jaar geleden dat hij overleed. Daar moet iets aan gedaan worden, zo bedacht ik destijds. Zo kwam het dat we samen met Omrop Fryslân en de Leeuwarder Courant een busreis naar Brussel organiseerden. ‘Het recht om te dromen’, zo heette de tentoonstelling die daar was te zien. Onderweg vertelde Douwe Heeringa honderd uit over Brel. Hij liet ook coverversies horen in alle talen van de wereld. Heel mooi was een Zuid-Afrikaanse versie van ‘Ne me quitte pas’, zo kan ik mij herinneren. Gisteren vond ik op YouTube een filmpje van Douwe’s eigen versie van dit chanson in het Fries. En eerlijk is eerlijk, het mag er best zijn. Vorig jaar heb ik me op dit log nogal smalend uitgelaten over de wijze waarop hij Brel vertolkt. Dat heeft hij me niet in dank afgenomen. Laatst kwam ik hem tegen in de Harmonie. ‘Ga weg enge man! Ga met pensioen!’, riep hij me toe.

Inmiddels ben ik met pensioen en ook wat milder geworden. ‘Il faut oublier le temps des malentendus’, zou Brel zeggen. Ik zal hieronder een link plaatsen naar Douwe’s versie van ‘Ne me quitte pas’ en het origineel van Brel, zodat u zelf kunt oordelen. Nogmaals, Douwe doet het niet slecht. ‘It koe minder’, zeggen de Friezen. De vertaling had beter gekund, maar daar kan Douwe niets aan doen. Het was ook een mooie reis destijds, een soort bedevaart naar het Brussel van Brel. We brachten ook een bezoek aan het stamcafé van Brel: ‘A la mort subite’ (zie foto). In de late jaren veertig dronk Brel hier zijn biertjes toen hij nog studeerde aan het nabijgelegen College St Louis. ‘s Avonds aten we mosselen met frites en ‘vin de Moselle’, het favoriete menu van Brel, waarover hij zong in zijn chanson Jef.

Puis on ira manger
Des moules et puis des frites
Des frites et puis des moules
Et du vin de Moselle
Et si t’es encore triste
On ira voir les filles
Chez la madame Andrée
Parait q’uy en a de nouvelles

Brel praatte altijd veel over zijn jeugd in Brussel. Over zijn rijke vader die een kartonfabriek had, een potentaat, die hij niet wilde opvolgen. ‘Ik hou niet van karton’, zei hij. Zijn vader, over wie hij zong in ‘Mon père disait’. Brel praatte over zijn moeder van wie hij zielsveel hield, maar die nooit voorkomt in zijn chansons. Dat alles was te zien de te horen op die tentoonstelling in Brussel. Kortom, het kon niet op. Het was prachtige dag die je niet mocht missen. Abonnees van de Leeuwarder Courant kregen zelfs korting als ze zich opgaven voor de busreis. Maar toen ik op Brels sterfdag onderstaande tekst als ‘Te Gast’ wilde laten plaatsen, kreeg ik van de redactie te horen dat het stuk geen actualiteitswaarde had. Vandaar dat ik het hier nog maar eens laat lezen. Het gaat over een aspect van Brels leven en persoon, dat vaak onderbelicht blijft: zijn goddeloos geloof na het afscheid van het katholicisme.

brussel0001.jpg

De chansons van Brel werden over de hele wereld bekend. Minder bekend is wie hij eigenlijk was. Een Don Quichot, die de wereld niet wilde zien zoals hij is, maar zoals hij eigenlijk hoort te zijn. Brel zong met een ongekende passie over leven en dood. Over tederheid en pijn. Over de Vlamingen, die hij liefhad, maar ook verfoeide. Hij was een hemelbestormer, maar ook een provocateur. Hij hekelde kleinburgerlijkheid en kwezelarij. Maar als geen ander kon hij ook het beeld van een stad voorgoed veranderen door zijn poëzie. Hij zong over steden als Amsterdam, Parijs, Luik… en Brussel. De stad van zijn jeugd, de stad ook van zijn grootouders die hier ooit dansten en verliefd werden.

Brel begon zijn carrière niet in Brussel, maar in het Parijs van de jaren vijftig. Zijn eerste chansonteksten zijn nogal braaf. Het waren simpele liedjes over al het moois in de wereld dat gekoesterd moet worden. Zelfs het chanson waarmee hij in 1956 doorbrak, Quand on na que l’amour, klinkt nu wat naïef in de oren. “Als we alleen maar de liefde hebben om kanonnen tegen te spreken, dan hebben we de hele wereld in handen.” En toch, die jaren van koude oorlog vonden deze woorden veel weerklank. In Canada werd zelfs een theologisch congres belegd met als thema Quand on na que l’amour.

Deze vroege teksten brengen ook de religieuze wortels van Brel aan het licht. In zijn puberteit is hij actief geweest in een nogal radicale, katholieke jongerenbeweging, die optredens verzorgde in ziekenhuizen, gevangenissen en sanatoria. In die tijd heeft hij ook geworsteld met een existentiële vraag. Hoe kan er een God bestaan met zoveel ellende in de wereld. Sindsdien is een angst voor een goddeloos universum hem zijn leven lang bijgebleven. Een enorme levensdrift ging altijd gepaard met een fascinatie voor de dood.

Eenmaal in Parijs verklaarde hij zichzelf atheïst. “God is een vermomming met een Belgische tongval”, zo beweerde hij ooit in een interview. ” Het probleem hoe te sterven zonder God vormt keert telkens weer terug in zijn chansons. In Le moribond zegt hij niet alleen vrouw en vriend vaarwel, maar ook de pastoor die aan zijn sterfbed staat: “We volgden niet de zelfde weg, maar hadden wel dezelfde bestemming”. In Le dernier repas roept hij nog een keer ‘God is dood!’, gooit een steen naar de hemel, maar weet ook dat hij nog één keer angst zal voelen.

De mythe van Brel formeerde zich pas echt in de jaren zestig. In een onwaarschijnlijk tempo ontstaat dan het ene meesterwerkje na het ander. Ne me quitte pas, Jef, Le plat pays, Amsterdam, Mathilde. Stuk voor stuk prachtige chansons, soms poëtisch en verstild, dan weer met een meeslepend crescendo, maar altijd gezongen met een ongekende overgave. Zijn fysieke verschijning op tv, met zijn zwetend gezicht, indringende mimiek en onwaarschijnlijk lange armen, moet – ondanks het kleine zwartwit beeld in die tijd – bij menigeen een onuitwisbare indruk hebben nagelaten.

Als geen ander wist Brel door de beeldbuis heen te breken. Als kleine jongen keek ik ernaar, ademloos en verbijsterd over zoveel talent. Die beelden behoren inmiddels tot een collectief geheugen. Elk jaar is er wel een zomergast op tv die iets van hem terug wil zien. Zijn gedrevenheid lijkt nu onlosmakelijk verbonden met de naoorlogse jaren van wederopbouw. Een tijd van optimisme, van grote idealen en vergezichten, maar ook van het grote afscheid van het geloof. Brel bleef geloven. Niet in God, maar wel in de wereld zoals hij eigenlijk hoort te zijn. Dat deed hij, zingend als Don Quichot, met zulk een kracht en overtuiging, dat je soms denkt dat hij nog leeft.

‘Leafste bliuw by my’ van Douwe Heeringa

‘Ne me quitte pas’ van Jacques Brel

11 Reacties »

  1. sjoerd

    2 maart 2008 op 12:21

    Na lezing kan ik mij maar niet aan de indruk onttrekken dat
    Heeringa en Mous de Harmonie in Leeuwarden bezochten
    vanwege een optreden van Wende Snijders.

  2. sjoerd

    2 maart 2008 op 12:40

    Vrijdag 8 februari jl. moet dat dan geweest zijn.

  3. Huub Mous

    2 maart 2008 op 12:52

    Nee, het was bij het Noordelijk Filmfestival. Dus al wat eerder. Douwe Heeringa stond voor de camera te praten en toen hij mij zag voorbijlopen onderbrak hij opeens zijn tekst om mij publiekelijk te kapittelen. Met enig gevoel voor humor, dat wel. Overigens is er niets mis met de Brel-vertolkingen van Wende Snijders, behoudens het bezwaar dat ik tegen alle Brelvertolkingen heb. Ze doen me steeds weer herinneren en aan de onvergetelijke en onverbeterlijke vertolking van Brel zelf. Brel was de enige zanger ter wereld wiens repertoire eigenlijk alleen maar door hemzelf gezongen kan worden. Hij heeft op elk chanson zo’n stempel gedrukt, dat het origineel altijd weer door de coverversie heen breekt. Als ik Wende Snijders Vesoul hoor zingen, hoor ik alleen maar het veel ontstuimiger crescendo van Brel er doorheen. In wezen hetzelfde bezwaar dus als ik tegen de Brel-chansons van Douwe Heeringa heb.

    Kijk en vergelijk:

    Vesoul door Wende Snijders

    Vesoul door Jacques Brel

    Overigens is op You Tube ook een voorbeeld te vinden van de religieuze en sentimentele Brel. Een religieus chanson uit 1958 dat helemaal past in het tijdperk van Soeur Sourire, dat door Frater Venantius voltooid verleden tijd is geworden.

    Zie en huiver

  4. sjoerd

    2 maart 2008 op 14:21

    Het lijkt inderdaad onverstandig om “Brel” te gaan zingen omdat je over voldoende origineel materiaal kunt beschikken.

    Nu weet ik dat Hessel van der Wal niet naar de weduwe Brel is geweest voor een soort zegening, met de regionale zender in zijn kielzog, maar ik denk toch dat hij Heeringa overtreft.

  5. Douwe

    2 maart 2008 op 14:57

    Japie was hier! Ik heb hem zelf gezien! Bij Buitenhof! Aan die met vuurwerpers, geblakerde tafel!
    Wat een flinke jongen is dat geworden. Wat een survivor. Wat kwam hij goed op voor zijn jongens in de vuurlinies. Wat een goeie trainer hebben die voetballertjes tegenwoordig.

    Heeft Japie vroeger zelf een paar ballen of zo op zijn neus gekregen? Hij zat af een toe zo raar met die neus te bewegen. Misschien om ons af te leiden? Een soort van spontane schijnbeweging. Of was het juist om zijn neus ergens tussen te krijgen?
    Dat is hem anders tot nu toe heel aardig gelukt. Zo’n jongen die zelf op zijn best matig kon voetballen, die is nu toch maar trainer in de hoofddivisie.
    Die man van het grote geld en van die acht-honderd-vijf-en-dertig leugens in Amerika had hem gevraagd hoe dat nou toch allemaal zat met die competitie in Verweggistan. Maar al te graag had Japie de machtige ome Sam gerust gesteld. Hij had alles persoonlijk witgewassen, gestreken en opgeborgen, bezwoer hij de baas van het syndicaat. Geen rode haan zou er nog naar kraaien, beloofde hij zijn peetvader.

    Ben benieuwd waar Japie eind volgend jaar gaat werken.
    Bij Boeing of bij Lockheed, zoals onze eerste bekende voetbaltrainers? Bij beide kan natuurlijk ook. Of bij Carlisle van Bush sr? Of bij Halliburton van Cheney? Of bij zo’n denktank, die nadenkt over de grootste ultieme wedstrijd aller tijden en die toch al een ex-collega van hem als stagiair geplaatst heeft?
    Ja, voor wat hoort wat, zou ik zeggen. Al die clubs hebben met hun teams in de worldcompetition nog veel en veel te weinig in te brengen gehad. Die willen nu eindelijk wel eens dubbele cijfers zien. Daar kan Japie misschien nog wat poetsen en laten zien hoe zij hun smeermiddelen beter kunnen inzetten.
    Ben benieuwd.

  6. Huub Mous

    2 maart 2008 op 15:37

    Japie kan liegen dat het gedrukt staat.

    Zie en huiver

  7. Victor Baarn

    2 maart 2008 op 16:06

    Bedoel je niet Lockheed en Northrop, Douwe?

  8. sjoerd

    2 maart 2008 op 16:42

    Zou Japie vanmiddag ook gelogen hebben toen hij zei dat hij geen burgemeester van Rotterdam wilde worden?
    Wij hadden het overigens over Brelvertolkers.

  9. Douwe

    2 maart 2008 op 18:17

    Dan noemen wij van nu af aan Douwe Heeringa toch gewoon Japie?

  10. plinianus de jonge

    2 maart 2008 op 18:18

    Jaloers op Japie?
    op zijn
    -maatschappelijk succes;
    -boeiend werk;
    -heldere en bondige redeneertrant;
    -doozichtigheid;
    -afkeer van rechtschapen sociaal democraten?
    Dát is pad moed.
    ‘Bij onze democratische voorgangers, de Grieken, riepen grote geesten ook al de haat van kleinere geesten op’ (Plinianus de Oude)

  11. sjoerd

    2 maart 2008 op 18:38

    Rondeel.

    Heeringa heeft tenminste de arrogantie van Japie, maar daar staat tegenover dat Japie met meer flair kan zingen.

    Wat mij betreft had Heeringa beter tot Japie kunnen roepen:
    “Ga weg enge man, ga met pensioen”.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)