Hotel Heimwee

Doe’t God ferdwûn út Jorwert
ferdwûn de slachter en de bakker
en de doarpsgek ek, de stakker
En by einbeslút de boer

Gerrit Breteler, Opus Exit

Op een van de schaarse zomerse dagen in augustus fietste ik tussen in een weids, groen landschap ergens tussen Mantgum en Jorwerd. Kort na elkaar stuitte ik daar op drie stilstaande auto’s. De eigenaars hadden ze in de berm geparkeerd om een foto te maken van de kerktoren, die aan de horizon naar de hemel wees. Ik besefte opeens getuige te zijn van een fenomeen: De Jorwerd-toerist uit de Randstad heeft bezit genomen van Friesland. Zoals vroeger een stoet van Duitsers in het voorjaar bij Winschoten de grens passeerde voor een dagje Keukenhof, om ’s avonds laat met een slinger van bloemen op de motorkap van de Volkswagen weer naar de Heimat terug te keren, zo doen randstedelingen van tegenwoordig een dagje platteland aan gene zijde van de Afsluitdijk. Daar is het leven immers nog echt, authentiek en waard om geleefd te worden.

Sinds Geert Mak is het dorp in Friesland iets exotisch geworden. Na de verbeelding van de jaren zestig is nu de werkelijkheid aan de macht. Het Friese dorp echter dan echt, en dat is waar de postmoderne mens naar verlangt. Zoals de boer tegenwoordig ‘vrouw’ zoekt, zo zoekt de randstedeling het Friese dorp. Om die reden zijn de contouren van het meest bekende dorp van Nederland inmiddels in heel wat fotoalbums terechtgekomen. Mensen willen kennelijk met eigen ogen dingen zien waarvan ze het bestaan alleen uit hun verbeelding kennen. Zoals de lezers van Jan Siebelink op bedevaart gaan om de heg van de bloemenkwekerij in Velp te aanschouwen, waar God zich voor het laatst op de wereld liet zien, zo willen de lezers van Geert Mak de sfeer ervaren, waarin God in Jorwerd uit de wereld verdween.

Dat beeld moet worden geijkt aan de ware en enige norm, dat wil zeggen: de keiharde werkelijkheid. Het echte hoeft niet eens echt gezien te worden, dat wel zeggen in te branden op het netvlies of in te dalen in het geheugen, als maar bewezen kan worden dat het echt bestaat, bijvoorbeeld door een zelfgenomen foto langs de kant van de weg. Zo ontstaat een souvenir van de werkelijkheid als bewijsstuk voor de verbeelding. We zijn op weg naar een tijd waarin het authentieke alleen nog opduikt in het domein van de fictie, in de laatste bewaarplaats van het verlangen.

De grootste kwaliteit van Friesland, zo schrijft Goffe Jensma in zijn boek ‘Het rode tasje van Salverda’, is niet dat het door de eeuwen heen gelijk is gebleven, maar dat het door de eeuwen heen heeft weten om te gaan met verandering en vernieuwing. De mythe van de onveranderlijke, Friese plattelandscultuur, die eigen is aan een kleine homogene gemeenschap levend onder de klokslag van de toren in nauw contact met God natuur, taal en traditie is een mythe die ergens in de vorige eeuw in elkaar is geknutseld. Het is een product van de late Romantiek, vooral bedacht door doemdenkers die de ziel van een volk willen redden uit de klauwen van de geschiedenis en vluchten in een imaginair verleden uit angst om voor eeuwig te verdwijnen. Het ideaal van de Friese cultuur werd op de spits gedreven, toen Friesland – ooit een van de kerngebieden van de Republiek van de zeven Provinciën – voorgoed in de periferie was terechtgekomen.

Ergens in die late negentiende eeuw moet ook het ideaalbeeld van het kleine Friese dorp zijn ontstaan. Al het kwaad werd opeens in de grote stad gesitueerd. ‘It lytse doarp’ werd heilig verklaard. De constructie van deze mythe ging in feite gelijk op met het ontstaan van het verdriet van Friesland. In die laatste decennia van de negentiende eeuw werd Friesland getroffen door een zware recessie, wat leidde tot een uittocht van 150 duizend emigranten op de vlucht voor de landbouwcrisis en op zoek naar geluk waar ook ter wereld. De achterblijvers klampten zich met al hun gevoelens vast aan het ideaal van het platteland. Je kunt iets van die intense emotie nog altijd ontwaren in de geschilderde landschappen en dorpsgezichten van Cor Reisma, Johan Elsinga en Gerrit Benner. Zij schilderden als geen ander de beelden van het gekwelde verlangen naar de ongeschonden horizon. Ingetogen en hartstochtelijk. Het waren zuivere, kernachtige, ongerepte dorpsgezichten, zonder witte schimmel en zenuwziekte verwekkende windturbines.

Kortom, het Friese landschap zoals menig Fries schilder dat nog altijd schildert. Het dorp van Benner, met een paar rake lijnen en sprekende kleuren op het doek gezet, was al lang voor hij het in zijn verbeelding zag in de Friese genen neergeslagen, zozeer zelfs dat menigeen vandaag de dag bijna hysterisch reageert op de aantasting van dat ideaalbeeld, dat tegen beter weten in een eeuwigheidswaarde wordt toebedacht. Het heilige icoon van het Friese dorp is niet alleen door schilders stilgezet in de tijd, maar ook in taal bevroren in de lyrische poëzie Halberstsma, Troelstra en Obe Postma en Douwe H. Kiestra. Dit geëxalteerde ideaal vindt ook vandaag opnieuw zijn vertaling in het poëtisch gevoel van een nieuwe generatie. ‘De komt mar iens tins in my op’, zo dicht Anne Feddema. ‘Dit lân is gjin lân, mar in katedraal foar God’.

Om kort te gaan, het zijn niet alleen de meewarig stemmende Jorwerdtoeristen, die op zoek zijn naar een beeld dat alleen in hun eigen verbeelding bestaat. Het zijn ook de Friezen zelf. Niemand lijkt aan dit verlangen te kunnen ontsnappen. Ook Geert Mak heeft de romantische valkuil van de verdwaalde vreemdeling in de tijd niet kunnen ontwijken. Integendeel, hij ging immers op zoek naar de verdwenen harmonie van de Friese plattelandscultuur, een beeld dat in laatste instantie gestoeld is op zijn eigen heimwee. Heimwee is het achtergrondmuziekje dat onlosmakelijk verbonden is met de mythe van het Friese dorp. Dat melancholische muziekje wordt telkens weer gecomponeerd vanuit hetzelfde verlangen van de Fries uit de vorige eeuw naar het ongerepte leven in een kleine gemeenschap, het verlangen van een Fries die – zoals E.B. Folkertsma ooit schreef – in Friesland wil sterven, in het land waar hij geboren is, gespeeld heeft, waar hij voor een meisje in vuur en vlam is geraakt, maar waar hij niet wilde leven.

Het verlangen ook naar de geur van gras en de smaak van Friese grond, die hij – als het moet – wel op zou willen vreten, zoals Jopie Huisman dat ooit zo treffend verwoordde. Dit verlangen onttrekt zich aan elk weerwoord, zelfs aan elke bewuste reflectie. Het is in wezen fysiek en dus onbespreekbaar. Maar dat niet alleen, het is voor iedereen herkenbaar en invoelbaar en juist daarom een goudmijn voor de economie van de beleving. Dit heimwee naar het de dorpscultuur van weleer heeft Geert Mak voor de stedeling van vandaag opnieuw geconstrueerd door er al schrijvend naar op zoek te gaan. Het is een obscuur verlangen waar hij op stuitte, een verlangen dat in diepste wezen helemaal niet uit is op vervulling, maar juist in onvervulde staat voor eeuwig wil voortbestaan.

Zoals gezegd, niet alleen Friezen hebben daar last van, maar in feite ieder mens. Alleen zijn Friezen maar al te vaak bereid om exact aan het beeld te voldoen dat de rest van Nederland zich van hen heeft gevormd zeker als dat de bevordering van het toerisme ten goede komt. Het is een spiegelbeeldig proces van wederzijdse bevestiging tussen vooroordelen van Friezen en Hollanders, dat de Friese cultuur in stand houdt en doet voortbestaan. ‘Deep down’ in zijn krokodillenbrein bewaart ieder mens een herinnering aan zijn eigen Jorwerd, zijn eigen Poppingawier, zijn eigen oase waar het gras altijd groener is dan elders, het gras dat in it heitelân ooit langs de voeten omhoog groeide. Kortom, iedereen heeft zijn eigen beeld van ‘it beste lân fan de ierde’, dat je nog altijd beter in de Greidhoeke dan op de Maasvlakte kunt situeren.

Het heimwee naar het Friese dorp is een verlangen dat eindeloos gekopieerd kan worden in steeds nieuwe varianten op hetzelfde grondpatroon. Zoals de ouden zongen piepen de jongen. Met het heengaan van de bakker, de slachter en de dorpsgek verdween uiteindeijk ook God. Het muziekje van het heimwee naar het dorp kent geen tijd. Zoals Wim Sonneveld nog altijd zingend loopt langs Slagerij J. van der Van en het tuinpad van zijn vader, zo dichtte Obe Postma over de ‘libbensmienskip fan it doarp. Dat er it bûthús koe de skoarre, de tún en de greide’. Het is een universele mythe die sluimert in het collectieve geheugen, als een verbleekt Sneeuwwitje die door elke prins van de poëzie zomaar kan worden wakker gekust. Friesland is de laatste slaapplaats voor dit Sneeuwwitje, de laatste schuilhoek voor het steeds groter wordende verlangen naar het kleine dorp. We zitten hier gevangen in ons eigen droompaleis. Friesland wordt ‘Hotel Heimwee’ en daar werken we allemaal aan mee.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)