Back to the seventies

De seventies zijn weer helemaal in. Het design uit die tijd stijgt in waarde. Vroeger kon je nog wel eens zo’n gruwelijke oranje bol-lamp kopen voor een habbekrats, maar dat is verleden tijd. Mensen verlangen kennelijk terug naar een tijd van vrijheid. Zo’n soort verlangen is ook veel veiliger dan het nastreven van vrijheid, want dat is tegenwoordig niet zo makkelijk meer met al die fatsoensrakkers en terreur-dreigers. ‘De jaren zeventig stonden vooral in het teken van de vrijheid. Nog nooit in de geschiedenis had een hele leeftijdsgroep zich zo massaal en resoluut afgezet tegen de beklemmende waarden van een oudere generatie.’

Zo stond het te lezen in het persbericht van de tentoonstelling ‘De 70’s in Nijmegen, tien kreatieve aksiejaren’. Ik heb die tentoonstelling in september gezien en ik keek mijn ogen uit. Ik heb zelf niet in Nijmegen gestudeerd, maar het klimaat dat daar heerste kan ik me heel goed herinneren. Als katholieke jongere kon je in die tijd maar twee dingen doen. Je ging naar het seminarie of je werd marxist. Een tussenweg leek niet te bestaan. De meeste katholieke marxisten zaten in Nijmegen, maar in Amsterdam liepen er ook heel wat rond. De jaren zeventig waren de tijd van de subculturen en de communes. In Nijmegen had je hele radicale communes. Volgelingen bijvoorbeeld van Otto Mühl uit Wenen, die in het spoor van Wilhelm Reich de mens wilde bevrijden uit de autoritaire kluisters van de burgerlijke opvoeding die de lust gevangen hielden.

De radicale ontgrenzing van het libido moest in de anti-autoritaire opvoeding zijn beslag krijgen. Kinderen mochten opeens met hun eigen poep spelen. De piemel werd even belangrijk als de duim of de pink. Seks werd een daad van persoonlijke bevrijding. Het persoonlijke werd politiek en het politieke persoonlijk. In het Museum Valkhof zag ik een prachtige video met gesprekken van voormalige leden van dit soort sektarische communes. Ze waren er allemaal nog redelijk onbeschadigd uit tevoorschijn gekomen, maar echt ver geschopt hadden ze het niet. Het leek of deze roerige jaren al hun levensenergie hadden opgesoupeerd. Toch was ook een burgerlijke tijd, ondanks al die radicale slogans van minderheden. ‘De groenstrook en de supermarkt ligt nog te jong, te aangeharkt, tussen de voorrangswegen.’ Wie zong dat ook al weer?

Ikzelf koester geen heimwee naar de seventies, maar het is wel een tijdvak dat me intrigeert. In deze periode van mijn leven was ik vooral met mezelf bezig. Achteraf heb ik wel er wel eens spijt van dat ik toen te weinig intens geleefd heb, maar de dingen komen zoals ze komen. Ik vind het mooi om te zien hoe Nijmegen met zijn eigen recente verleden omgaat. Op de zondag, dat ik daar in het museum rondliep, was het zwart van de mensen. Zo hoort een museum te functioneren, als een vrijplaats voor de collectieve herinnering en de bewustwording. Ik zag mezelf weer terug op zo’n eindeloze zondagmiddag in de jaren zeventig. ‘Mannen met stomme filmgebaren staan doelloos voor het raam te staren, voor het begin van de TV.’ Mijn God, wie zong dat ook al weer?

Dankzij die roerige jaren zijn we nu vertrouwd met fenomenen als inspraakprocedures, studentenacties, vrouwenemancipatie, het openbare groepsdebat en de permanente educatie. Samen met al die bakkebaarden van toen zijn ook heel wat idealen verdwenen. Het was een tijd van polarisatie. De bomen groeiden nog in de hemel. Er bestond nog een alternatief. Tegenwoordig lijkt elke uithoek van het bewustzijn te worden gekoloniseerd door het mondiale spektakel van de massamedia. En toch, ook de jaren zeventig kenden hun benauwenis. Het was ook een tijd van nostalgie, ondanks alle vernieuwingsdrang. ‘Still crazy after all those years’, ‘Killing me softly’, ‘Vluchten kan niet meer’, schreef Annie M.G. Schmidt. En elke zondagmiddag daalde laag boven Buitenveldert gierend een DC 9.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)